Strafrecht overig
Het hof heeft de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2208 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2208
Zaakgegevens
Op 27 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 juli 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-001075-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2208
Samenvatting
Het hof heeft de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, waarvan € 375,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001075-25
Uitspraak : 27 juli 2026
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-407691-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1998,
blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 10 april 2026 sedert 28 januari 2025 als huidig BRP-adres hebbende: [adres 1]
met als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats sedert 26 februari 2025: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft daarbij bepaald dat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van bovenstaande geldboete in 2 termijnen van elk € 250,00 per maand kan voldoen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. In aanvulling daarop heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat hij er, als het hof van oordeel is dat een taakstraf een passende strafmodaliteit is, geen bezwaar tegen heeft als aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf zal worden opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 27 december 2024 te Tilburg, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
-
aan de haren vast te pakken en/of te trekken, en/of
-
te slaan en/of stompen in het gezicht en/of het lichaam, en/of
-
te pakken en/of knijpen bij/in de keel en/of het lichaam, en of
-
te trappen en/of schoppen tegen het lichaam.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 december 2024 te Tilburg, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] aan de haren vast te pakken en te trekken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het bewijs voor het door de verdachte verrichten van de overige tenlastegelegde geweldshandelingen acht het hof onvoldoende, met name nu - tegen de achtergrond van de ontkennende proceshouding van de verdachte - de camerabeelden onvoldoende duidelijkheid bieden over de vraag of de verdachte deze handelingen heeft verricht.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar (de digitale pagina’s) van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer
PL2000-2024330916, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier bij de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, gesloten d.d. 9 januari 2025, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte
processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 31.
Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2024 (pg. 6-7), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 27 december 2024 was (hof: waren) ik en [verbalisant 3] werkzaam bij de politie onder roepnummer [nummer] . Op eerder vernoemde dag en datum, omstreeks 21.15 uur, kregen we een melding van een mishandeling gepleegd op de Heuvelring te Tilburg.
Ik zag op het fietspad net voorbij de Intermezzo een vrouw (het hof begrijpt telkens: het slachtoffer [slachtoffer]) lopen. Bij de vrouw zag ik dat er een man wegrende. De man rende weg richting de Heuvelring naar een parkeerplaats. Op de parkeerplaats hield ik de man staande. Ik herkende de man als voor mij bekende [verdachte] . Ik kreeg van de collega's te horen dat de getuigen vertellen dat [verdachte] de vrouw zou hebben mishandeld.
Gezien bovenstaande heb ik met collega [verbalisant 3] verdachte [verdachte] aangehouden op verdenking van mishandeling.
Verdachte
Voornamen: [verdachte]
Achternaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedag] 1998
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2024 met bijlagen
(pg. 8-12), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op 27 december was ik samen met collega [verbalisant 5] belast met een late dienst operationeel coördineren voor basisteam Tilburg-Centrum. Op bovengenoemde dag en datum, omstreeks 21.15 uur, kregen wij de melding om te gaan in de richting van de Heuvelring te Tilburg.
Ik zag dat de collega's van de [nummer] twee personen staande hadden op de parkeerplaats bij de Magazijnstraat in Tilburg. Ik zag dat mijn collega's een man (het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]) en vrouw (het hof begrijpt telkens: het slachtoffer [slachtoffer]) staande hielden. Ik zag dat de vrouw erg geëmotioneerd was. Ik zag dat de vrouw huilde.
Ik zag verder nog enkele mensen staan waarvan twee personen later de twee getuigen van het incident bleken te zijn.
Getuige 1 gaf mij met een geldig op naam staand identiteitsbewijs te zijn: [getuige 1] , geboren op [geboortedatum 1] , te [geboorteplaats 2]
Ik hoorde dat hij tegen mij zei:
-
ik zag dat er ter hoogte van de KFC een man (het hof begrijpt telkens: de verdachte) een vrouw (het hof begrijpt telkens: het slachtoffer [slachtoffer]) bij haar haren vastpakte en meesleurde;
-
ik hoorde de vrouw help roepen en ik heb de politie gebeld;
-
de man waar ik het over heb is die man die jullie nu staande hebben.
Ik zag dat de getuige wees naar een man met een witte huidskleur, gekleed in een donker trainingspak. Ik zag dat dit de man was die mijn collega op dat moment staande hield en geboeid had.
Getuige 2 gaf mij op te zijn: [getuige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 3]
Ik hoorde dat getuige 2 tegen mij zei: ik zag dat de vrouw (het hof begrijpt telkens: het slachtoffer [slachtoffer]) aan haar haren werd meegetrokken door een man (het hof begrijpt telkens: de verdachte) ter hoogte van de KFC in Tilburg.
Ik zag dat deze getuige ook wees naar de man die mijn collega staande hield en geboeid had.
Ik ben vervolgens met de vrouw in gesprek gegaan, wie later bleek te zijn slachtoffer: [slachtoffer] geboren op [geboortedatum 3] , te [geboorteplaats 4] .
3. Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden met bestandsnaam 051 Pieter Vreedeplein 1 _ Pathe-2024-12-27_21h06min22s000ms, voor zover inhoudende:
Het betreft een opname van 27 december 2024 en tijdstip vanaf 21:06:22.
Het hof ziet aan de rechterkant een manspersoon (toevoeging hof: de verdachte [verdachte]) gekleed in donkerkleurige jas, een donkerkleurige broek met aan de zijkant witte strepen en donkerkleurige schoenen. Voorts ziet het hof aan de rechterkant een vrouwspersoon (toevoeging hof: het slachtoffer [slachtoffer]) gekleed in donkerkleurige kleding en donkerkleurige schoenen met een witte zool. Tevens is zichtbaar een manspersoon met een pet op het hoofd, gekleed in een lichte bodywarmer en een donkerkleurige broek.
Het hof ziet vanaf seconde 21:06:47 dat de manspersoon met zijn rechterhand de haren aan de voorzijde van het hoofd van het vrouwspersoon vastpakt en aan de haren trekt. Terwijl de manspersoon aan de haren van het vrouwspersoon trekt, beweegt het hoofd van het vrouwspersoon naar achteren. Het vrouwspersoon stapt op dat moment met haar linkervoet naar achteren.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat het slachtoffer geen aangifte van de vermeende mishandeling heeft gedaan en dat ook overigens uit het procesdossier, waaronder de foto’s, onvoldoende blijkt dat sprake is geweest van pijn of letsel bij het slachtoffer. Voorts heeft de raadsman van de verdachte, onder verwijzing naar de camerabeelden, bepleit dat daarop niet is te zien dat de verdachte het slachtoffer dusdanig hardhandig bij haar haren heeft gepakt dat dit pijn of letsel bij het slachtoffer teweeg zou kunnen hebben gebracht.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad naast het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht kan opleveren (zie o.a. ECLI:NL:HR:2019:1751). Het moet dan wel gaan om lichamelijke onlust of een (zeer) onaangename fysieke ervaring.
Voorts is het hof gelet op de tot het procesdossier behorende camerabeelden, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verdachte wel degelijk met kracht de haren van het slachtoffer heeft vastgepakt en daaraan heeft getrokken. Op de camerabeelden heeft het hof immers waargenomen dat de verdachte aan de haren trekt van het slachtoffer op een zodanige wijze dat het hoofd van het slachtoffer naar achteren beweegt en dat het slachtoffer vervolgens een stap naar achteren zet met haar linkervoet. Daaruit leidt het hof af dat het handelen van de verdachte met relatief veel kracht gepaard moet zijn gegaan en derhalve kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte daardoor bij het slachtoffer pijn, dan wel een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweeg heeft gebracht.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer in al zijn onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat – ingeval het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde – expliciet niet wordt verzocht om een straf op te leggen in de vorm van een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In het bijzonder heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling door de haren van het slachtoffer vast te pakken en daaraan te trekken. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In strafverzwarende zin heeft het hof meegewogen dat de mishandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden en dat als gevolg daarvan meerdere omstanders ongewild getuige zijn geraakt van het incident.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het procesdossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsrapportage d.d. 27 januari 2025 en van het reclasseringsadvies d.d. 16 juni 2026 dat is opgemaakt in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis van de verdachte in een andere zaak. Daaruit blijkt in het bijzonder dat de verdachte twee kinderen heeft, bij zijn grootouders verblijft, niet aan het werk is en een schuldenlast heeft. Voorts heeft de raadsman van de verdachte in aanvulling daarop naar voren gebracht dat de verdachte een traumatische jeugd heeft gehad. De verdachte is gediagnostiseerd met de ernstig erfelijke ziekte FAP (familiaire adenomateuze polyposis). Ook de dochter van de verdachte is gediagnostiseerd met deze ziekte en zij heeft onlangs een zware operatie ondergaan.
Alles afwegende acht het hof een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, waarvan € 375,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Daarbij zal het hof bepalen dat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van bovenstaande geldboete in 3 termijnen van elk
€ 125,00 per maand kan voldoen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis;
bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat het totaal van de geldboetes mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 125,00 (honderdvijfentwintig euro).
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,
en op 27 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.A.M. Wagemakers en mr. R.A.C.G. Heijse zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.