Strafrecht overig

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende dossier van oordeel dat de…

Zaakgegevens

Op 31 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
31 juli 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
20-001422-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2212
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende dossier van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voor wat betreft de ontuchtige handelingen in onvoldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof acht de inhoud van de WhatsApp-gesprekken die de verdachte en aangeefster met elkaar hebben gevoerd en de verklaring van de verdachte dat hij met aangeefster heeft afgesproken en hij haar ten tijde van die ontmoeting een knuffel heeft gegeven, onvoldoende om vast te stellen dan wel daaruit af te leiden dat de verdachte de tenlastegelegde ontuchtige handelingen heeft verricht. De omstandigheid dat de verdachte in de WhatsApp-gesprekken met aangeefster seksueel getinte insinuaties heeft gemaakt en hij heeft erkend met aangeefster te hebben afgesproken en haar toen een knuffel te hebben gegeven, doen hier niet aan toe of af. Immers, beide genoemde bewijsmiddelen geven gezien de context van de verklaring zoals door aangeefster gedaan en de door haar gereleveerde fei

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 16 mei 2025

    ECLI:NL:RBZWB:2025:2969
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2212

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-001422-25

Uitspraak : 31 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-114167-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte van de onder feit 2 tenlastegelegde ‘grooming’ vrijgesproken en het onder feit 1 tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd’, de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest naar rato van 2 uur per dag. De vordering van de benadeelde partij is integraal toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente, en waarbij de verdachte in de proceskosten is veroordeeld.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde in het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren en het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van getuigen en meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 22 september 2021 tot en met 31 oktober 2021 te Vlissingen en/of Goes, althans in Nederland, met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het

- met zijn, verdachtes, hand/vingers aanraken en/of het betasten van de vagina/schaamstreek en/of billen en/of borsten van die [benadeelde partij] ,

- kussen/zoenen van de nek en/of oor, althans het gezicht en/of het lichaam, van die [benadeelde partij] .

Vrijspraak

De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld voor en wordt in hoger beroep verdacht van het in de periode van 22 september 2021 tot en met 31 oktober 2021 te Vlissingen en/of Goes buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde partij] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt (strafbaar gesteld in artikel 247 Wetboek van Strafrecht - oud). Het bewijs dat de verdachte zich hieraan schuldig zou hebben gemaakt, is in casu in belangrijke mate gebaseerd op de aangifte van [benadeelde partij] , de Whatsapp-gesprekken die de verdachte en aangeefster met elkaar hebben gevoerd en de verklaring van de verdachte dat hij met aangeefster heeft afgesproken en hij haar ten tijde van die ontmoeting een knuffel heeft gegeven.

Het hof stelt ter zake van het bewijs het volgende voorop.

Het hof merkt allereerst op dat op grond van bestendige jurisprudentie het aan de strafrechter, die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Ter zake van het bewijs geldt als uitgangspunt dat de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen waaruit de redengevende feiten en omstandigheden moeten blijken. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Volgens artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de (belastende) verklaring van één getuige (aangever/-geefster). Deze bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (de eis van de dubbele bevestiging). De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.

Dat andere bewijsmiddelen bevestiging kunnen bieden, heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan, bijvoorbeeld de daarin opgenomen vermeende gedraging(en) van de verdachte. Uitgangspunt daarbij is dat de verklaring van de getuige op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tevens geldt dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Dat betekent dat er een voldoende duidelijk en specifiek verband moet zijn tussen de verklaring en het steunbewijs. De concrete punten waarop de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen moeten in de context van die verklaring over de tenlastegelegde gedraging(en) als wezenlijk kunnen worden aangemerkt. Daarbij kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende dossier van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voor wat betreft de onder 1 tenlastegelegde ontuchtige handelingen in onvoldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof acht de inhoud van de WhatsApp-gesprekken die de verdachte en [benadeelde partij] met elkaar hebben gevoerd en de verklaring van de verdachte dat hij met [benadeelde partij] heeft afgesproken en hij haar ten tijde van die ontmoeting een knuffel heeft gegeven, onvoldoende om vast te stellen dan wel daaruit af te leiden dat de verdachte de tenlastegelegde ontuchtige handelingen heeft verricht. De omstandigheid dat de verdachte in de WhatsApp-gesprekken met aangeefster seksueel getinte insinuaties heeft gemaakt en hij heeft erkend met aangeefster te hebben afgesproken en haar toen een knuffel te hebben gegeven, doen hier niet aan toe of af. Immers, beide genoemde bewijsmiddelen geven gezien de context van de verklaring zoals door [benadeelde partij] gedaan en de door haar gereleveerde feiten en omstandigheden over de tenlastegelegde gedragingen geen ondersteuning dat deze gedragingen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en daardoor geen wezenlijke ondersteuning aan het tenlastegelegde in haar geheel, waardoor naar het oordeel van het hof een voldoende duidelijk en specifiek verband tussen de verklaring en het steunbewijs ontbreekt. De ter terechtzitting in hoger beroep op verzoek van de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegde geluidsopname van een gesprek tussen [benadeelde partij] moeder en de toenmalige leidinggevenden van de verdachte (en [benadeelde partij] ) omtrent een uitlating die de verdachte zou hebben gedaan, brengt het hof evenmin tot een andersluidend oordeel.

Daarmee is naar het oordeel van het hof het genoemde steunbewijs niet toereikend en is niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. Het hof heeft bijgevolg uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft te kennen in hoger beroep de vordering te handhaven.

Nu aan verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de [benadeelde partij] in haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof dient ook in geval van vrijspraak een beslissing te nemen over de proceskosten, voor zover die kosten betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij. Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten van de verdachte voor zover die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij. Door of namens de verdachte is niet naar voren gebracht dat zulke kosten zijn gemaakt, zodat die kosten worden begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 31 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vgl. o.a. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061; HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452 en 454; HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.2 en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, rov. 2.3. Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.4; HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, rov. 2.4 en HR 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:330, rov. 2.3. Vgl. HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189 en HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:686.