Strafrecht overig
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2229 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 12 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2229
Zaakgegevens
Op 12 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-001957-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2229
Samenvatting
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Ook legt het gerechtshof aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op voor de duur van 4 jaren.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-001957-25
Uitspraak : 12 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 juli 2025 in de strafzaak met parketnummer 03-260683-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren opgelegd, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de opgelegde straf te vervallen en zullen deze worden vervangen door hetgeen hierna zal worden overwogen. Gelet op de vernietiging van het vonnis ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof zal de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvullen met ‘De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 juli 2026’, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 9 augustus 2024 te Nuth op de A76 heb gereden onder invloed van amfetamine en/of methamfetamine. Het kan kloppen dat ik daarbij een snelheid heb gereden van 197 kilometer per uur en dat ik daarbij extreem naar links en naar rechts heb gestuurd. Ik had nooit met die snelheden en onder invloed van amfetamine moeten rijden; dat is roekeloos rijden.
Op te leggen sancties
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof – evenals de rechtbank – aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden zal opleggen, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht om, in plaats van aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, hem te veroordelen tot een (maximale) taakstraf, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Daarbij heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat er bij de verdachte sprake is van een reële schuldbewustheid en dat hij de verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Ook heeft de raadsvrouw in dat kader aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het belang van de strafdoelen en heeft zij verwezen naar diverse straffen die door rechtbanken zijn opgelegd in zaken die naar haar mening vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft als beginnend bestuurder in de nacht van 8 op 9 augustus 2024 met een extreem hoge snelheid van 197 kilometer per uur, terwijl de geldende maximumsnelheid ter plaatse 130 kilometer per uur betrof, én onder invloed van een extreem hoge dosering, namelijk 720 microgram per liter bloed van een combinatie van amfetamine-achtige stoffen gereden. De verdachte heeft – in die omstandigheden – op de snelweg naar links en rechts gestuurd en is daarbij de controle over zijn auto verloren. Door dit roekeloze gedrag van de verdachte is een ongeval ontstaan en heeft het slachtoffer [slachtoffer] letsel bekomen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het ongeval een zeer grote impact heeft (gehad) op het leven van het slachtoffer en zijn familie.
Het handelen van de verdachte heeft niet alleen directe gevolgen gehad voor het slachtoffer, maar hij heeft door zijn handelen ook de verkeersveiligheid in het algemeen ernstig in gevaar gebracht. De verdachte is met 720 microgram per liter bloed van een combinatie van amfetamine-achtige stoffen (dat is ruim 14 keer de grenswaarde van 50 microgram per liter bloed), in zijn auto gestapt, terwijl hij niet meer wist wat hij deed en volkomen niet in staat was om te rijden. Dat er niet nog meer slachtoffers zijn gevallen, is bepaald niet aan de verdachte te danken.
Uit het politiedossier komt naar voren dat de verdachte direct na het ongeval ter plaatse en ook later bij de politie geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. De verdachte heeft zich niet om het slachtoffer bekommerd en heeft zich jegens andere weggebruikers die zich wel om het slachtoffer bekommerden uiterst curieus gedragen en hun feitelijk belemmerd om het alarmnummer te bellen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 mei 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Daarnaast blijkt uit het European Criminal Records System (ECRIS) d.d. 15 augustus 2024 dat de verdachte ook in België niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 16 juli 2026. Daaruit komt als conclusie naar voren dat de verdachte een turbulente geschiedenis kent met problematische familierelaties en “toxische” partnerrelaties. De instabiliteit en onveiligheid in zijn jeugd maakten dat de verdachte kwetsbaar was voor (negatieve) invloeden vanuit anderen. Hij raakte verslaafd aan middelen en ten tijde van het bewezenverklaarde verkeerde de verdachte naar eigen zeggen ‘in een donkere periode’. Inmiddels is hij abstinent van harddrugs, heeft hij een nieuwe relatie, een eigen woning en een goede baan. In september 2026 start hij met de opleiding tot ambulancier. Daarnaast heeft de verdachte zich aangemeld voor EMDR-therapie. De verdachte heeft voorts een forse schuldenlast bij zijn partner. De reclassering ziet geen noodzaak voor de inzet van nadere reclasseringsinterventies en schat het risico op recidive in als laag. De verdachte weet zijn eigen gedrag goed te organiseren en omdat er ook geen aanknopingspunten zijn op het gebied van pedagogische mogelijkheden, is daarnaast het advies om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in aanvulling op het reclasseringsadvies verklaard dat hij werkt als adviseur in een meubelzaak en de opleiding tot ambulancier in de avonden zal volgen. Wanneer aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, kan hij zijn opleiding tot ambulancier alsnog afmaken en zal hij gedurende die ontzegging werkzaam kunnen zijn als bijrijder. Zijn huidige werk is ook met het openbaar vervoer goed te bereiken, aldus de verdachte. Ook ziet de verdachte mogelijkheden om in Nederland een taakstraf uit te voeren en heeft hij zich daartoe ook bereid verklaard.
In de door de raadsvrouw overgelegde stukken vinden de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met betrekking tot de aanmelding voor de avondopleiding Hulpverlener
Ambulancier 2026-2027, het abstinent zijn van harddrugs, het hebben van een nieuwe relatie en de aanmelding voor psychologische begeleiding bevestiging.
Het hof is anders dan de raadsvrouw van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij met name acht geslagen op het enorme drugsgebruik door de verdachte en de daarmee gepaard gaande risico’s ten aanzien van de verkeersveiligheid die de verdachte op de koop heeft toegenomen. De combinatie van een snelheid van 197 km/u, bijna 70 km/u harder rijden dan toegestaan, de hoeveelheid harddrugs die in het bloed van de verdachte is aangetroffen waardoor de verdachte zijn besef van de realiteit leek te hebben verloren en het overigens asociale rijgedrag van de verdachte maken de oplegging van voorwaardelijke straffen en/of een taakstraf een gepasseerd station. Het hof gaat voorbij aan het onder verwijzing naar een zestal op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken van rechtbanken geschraagde strafmaatverweer van de raadsvrouw, inhoudende dat bij de afdoening van soortgelijke zaken kan worden volstaan met de oplegging van een (maximale) taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voor zover al sprake zou zijn van een bestendige lijn stelt het hof vast dat deze uitspraken nog geen oriëntatiepunt voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud (LOVS) hebben opgeleverd. Uit deze oriëntatiepunten volgt wel dat ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 met lichamelijk letsel als gevolg bij een zeer hoge mate van schuld het uitgangspunt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden is. Hierbij heeft het hof acht geslagen op het oriëntatiepunt met een alcoholgebruik van > 570 µg/l, nu de verdachte, hoewel niet onder invloed van alcohol, wel in hoge mate (ruim 14 keer de grenswaarde van 50 microgram per liter bloed) onder invloed van verdovende middelen verkeerde. Bij de verdachte is evenwel qua mate van schuld aan het ongeval niet sprake van “zeer onvoorzichtig en/of onoplettend” (de categorie “zeer hoge mate van schuld”), maar van de zwaarste vorm van schuld te weten “roekeloos” rijgedrag.
In het verlengde hiervan doet de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf dan ook zeker recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval.
Gelet echter op de jeugdige leeftijd van de verdachte, het feit dat hij, zij het laat, verantwoordelijkheid neemt en om de beginnende positieve ontwikkeling die de verdachte doormaakt zo min mogelijk te doorkruisen, ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf te matigen, een groot deel daarvan voorwaardelijk en daarnaast aan de verdachte de maximale taakstraf op te leggen.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede de oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht het hof het tevens passend en geboden om een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van 4 jaren. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 12 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.J. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.