Strafrecht overig
Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2230 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2230
Zaakgegevens
Op 10 augustus 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-000528-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2230
Samenvatting
Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen. De bewijsverweren zijn verworpen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000528-25
Uitspraak : 10 augustus 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-033508-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
blijkens de informatiestaat SKDB-persoon van 26 mei 2025: geen BRP-adres beschikbaar; registratie laatst opgegeven woon-of verblijfplaats: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming’ en de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft de politierechter de gevangenneming van de verdachte bevolen en het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest.
De raadsvrouw van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Goes tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goederen en/of meerdere tassen met daarin onder andere laptops, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Goes tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, het afgesloten terrein van [bedrijf 1] heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. meer subsidiair
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Goes zonder daartoe gerechtigd te zijn zich
heeft bevonden op het terrein aan [adres 2] , zijnde grond toebehorende aan
[bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, van welke
grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was
verboden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 31 januari 2025 te Goes tezamen en in vereniging met een ander een tas met daarin onder andere laptops die aan [bedrijf 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant met registratienummer PL2000-2025026670, gesloten d.d. 5 februari 2025 door verbalisant
[verbalisant 1] , agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, doorgenummerde pagina's
1. tot en met 40, nader te noemen: het dossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 februari 2025 (pg. 5-7 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever]:
Hij deed aangifte namens het slachtoffer [bedrijf 1] (het hof begrijpt hierna telkens: [bedrijf 1] ), bedrijf in opslag en reparatie van elektronische apparaten gelegen aan [adres 2] .
Ik doe aangifte van diefstal. Hetgeen is weggenomen behoort [bedrijf 1] geheel in eigendom toe. Het pand van ons bedrijf [bedrijf 1] is in brand opgegaan. Mede door veiligheid zijn er hekwerken geplaatst omdat het niet veilig was om daar te lopen. Daarom is er een heel hekwerk omheen geplaatst zodat het niet toegankelijk is voor onbevoegden.
Overdag hebben we de beveiliging van het pand zelf opgepakt als bedrijf. Met de
avonduren hebben wij een surveillant ingeschakeld via [bedrijf 2] en deze was aanwezig van
20:00 uur tot 08:00 uur. Op vrijdag 31 januari (het hof begrijpt: 2025) zijn er om 16:00 uur camera’s geïnstalleerd en was de surveillant niet meer nodig. Het gaat hierbij om cameramasten. Het zijn 4 camera's en 2 masten. De twee masten hebben een bewegingsdetectie.
Op vrijdag 31 januari 2025 omstreeks 21:00 uur werd ik gebeld door de meldkamer. Er
zouden twee personen op het terrein rondlopen. Deze zijn door de bewegingsdetectie
opgepakt. Ik heb niemand toestemming gegeven om het terrein te mogen betreden. Ik
weet dat het pand goed was afgeschermd met hekwerken.
Van de foto's die ik heb ontvangen (het hof begrijpt: de foto’s op pagina 19 en 20 van het dossier) kan ik bevestigen dat het uit het pand komt. Mede door de roetschade, maar ook door de dozen. Ik weet dat dit producten zijn die wij verhandelen.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 januari 2025 (pg. 8-9 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Ik ben werkzaam voor [bedrijf 2] beveiliging. Er kwam bij ons een melding binnen via het
cameratoezicht, dit wordt gedaan door Bauwatch. Op de camera's was te zien dat twee
mannen op het afgesloten terrein van ' [bedrijf 1] ' (het hof begrijpt hierna telkens: [bedrijf 1]) lopen en het pand betreden. Hier is vorige week een grote brand geweest, het pand is grotendeels verwoest maar er staat nog steeds heel erg veel apparatuur binnen zoals wasmachines, laptops, telefoons etc. Rondom het pand zijn bouwhekken geplaatst zodat niemand het kan betreden.
Toen jullie (het hof begrijpt in samenhang met de overige inhoud van dit
proces-verbaal: de verbalisanten ter plaatse) aan het zoeken waren naar de verdachten ben ik bij het hek blijven staan, ik stond tussen de Peugeot en de Kia garage in en ik had vrij zicht op de zijkant van het pand ' [bedrijf 1] '. Ineens zie ik een man lopen op dit terrein. Ik zag de man duidelijk binnen de afgesloten hekken lopen. Ik zag dat hij in het zwart gekleed was, ik zag dat hij niet van de beveiliging of politie was. Ik zag de man lopen ter hoogte van de roldeuren waar normaal de vrachtwagens laden of lossen, deze roldeuren stonden ongeveer 30cm van onder open om het pand te laten luchten. Ik heb niet gezien dat hij daadwerkelijk uit het pand kwam, maar dat kan niet anders. Het hele terrein staat omhekt en jullie (het hof begrijpt wederom: de verbalisanten ter plaatse) zaten aan de andere kant van het pand. Ik zag dat die man naar de hoek van het pand liep en net ging doen alsof hij ging plassen. Hierop heb ik hem aangesproken, hij liep naar het hek wat inmiddels geopend was en wandelde weg in de richting van de Nansenbaan. Ik ben er achteraan blijven lopen en heb jullie gelijk gewaarschuwd. Ik zag dat je collega's hem staande hielden en later aanhielden.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2025 (pg. 11 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en
[verbalisant 3] :
Op 31-01-2025 omstreeks 21:18 uur kregen wij een melding om te gaan naar [adres 2] . Aldaar zou een pand staan welke pasgeleden in de brand had gestaan. Op bewaking camera's zou door beveiliging twee personen op het terrein gezien zijn. Ter plaatse zagen wij niemand op het terrein lopen. Na ongeveer 5 minuten kwam het beveiliging bedrijf [bedrijf 2] aangereden en opende het afgesloten hekwerk om vervolgens het verboden terrein op te gaan. Inmiddels waren er ook andere eenheden aangesloten. Hierop was het pand omsingeld met politiepersoneel. Wij hoorde van een eenheid dat ze twee personen zagen lopen op het afgesloten terrein. Hierop zijn wij verbalisanten deze richting opgereden. Ter plaatse hoorden wij portofonisch dat collega’s een aantal laptops hadden aangetroffen. Deze zaten in een grote tas. Hierop werd ik verbalisant [verbalisant 2] gebeld door de beveiliging medewerker die voor ons het hekwerk had geopend, dat ze een manspersoon staande hadden die vanaf het afgesloten terrein kwam. Hierop hadden wij de manspersoon staande gehouden, en vervolgens weer aangehouden aangezien de persoon heel erg rook naar rook, vieze handen met roet vegen op zijn handen en nek. Tevens had de manspersoon natte kleding aan, het water kwam uit zijn schoenen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2025 (pg. 13 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:
Op 31 januari 2025, omstreeks 21.15 uur, hoorde wij de melding om te gaan naar [adres 2] in verband met een inbraak alarm. Ik hoorde dat de [roepnummer 1] (het hof begrijpt hierna telkens: een roepnummer van de politie) zichzelf ook aanbood om naar deze melding te rijden waarna ook wij, [roepnummer 2] , ook het verzoek deden om mee te rijden. Ter plaatse stonden de [roepnummer 1] en de [roepnummer 3] al aan de voorzijde van het gebouw. Hierop besloten wij om te rijden naar de achterzijde van het gebouw.
Toen wij langs het afgebrande gebouw reden zag ik, verbalisant, aan de achterzijde van de [bedrijf 3] , gelegen aan de Amundsenweg, een persoon staan.
Vervolgens reden wij de Amundsenweg op en sloegen direct linksaf naar de achterzijde
van de [bedrijf 3] . Aangekomen aan de achterzijde was de persoon al vertrokken, onbekend welke richting. Tegen het pand van de [bedrijf 3] zag ik, verbalisant, een tas staan, met Jumbo opdruk. Hier zaten verschillende spullen in. Ook zag ik twee laptops liggen en 1 product ingepakt. Verder zag ik nog twee dozen liggen.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2025 (pg. 17 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:
Ik heb de camerabeelden bekeken van het bedrijf [bedrijf 1] (het hof begrijpt: [bedrijf 1]) aan [adres 3] . De camerabeelden zijn opgenomen op vrijdag 31 januari 2025. Omstreeks 21:14 uur zie ik dat er vanuit de camera gezien links vanuit de bosjes twee witte schimmen aan komen lopen. Zij lopen in de richting van de afgebrande loods. De twee schimmen lopen hierna samen tussen de afgebrande brokstukken door. Vervolgens zie ik dat zij met een zaklamp schijnen en uit beeld lopen. Dit was omstreeks 21:15 uur.
6. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen (los opgenomen) d.d. 26 juni 2025, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6]:
Op 25 april 2025 werd door de adj. officier van justitie nogmaals een aantal vragen gesteld.
‘l: Waarom weet aangever zo zeker dat: "volgens hem zijn er tussen 31 januari 18.00
uur en het moment van de aanhouding geen andere personen op het terrein geweest";
2: De advocaat heeft gesteld dat aan de voorzijde van het pand geen dan wel niet
overal hekken stonden. Klopt dit?
3: Is het mogelijk geweest dat iemand via de voorzijde ongezien het terrein op heeft
weten te komen ondanks de surveillancerondes?
4: Verdachte heeft verklaard dat hij richting het pand is gelopen omdat hij moest
plassen, dat op de plaats waar hij het pand betrad geen hekken stonden en dat hij pas
op de terugweg is gezien door een beveiliger. Kan het verhaal van verdachte ' dat hij
via een niet afgesloten gedeelte en ongezien' richting het pand is gelopen kloppen,
of had hij dan altijd gezien moeten worden via de bewegingssensoren?'
Deze vragen zijn door mij, verbalisant, via een e-mail op 27 april 2025 gesteld aan
de aangever [aangever] , die namens het bedrijf [bedrijf 1]
Op 27 april 2025 werden deze vragen door de aangever [aangever] via e-mail
beantwoord:
Antwoord op vraag 1:
'Zie het oplevering certificaat BauWatch, hierin de tijd dat de bewaking ingaat,
andere personen zouden net als de verdachte direct opgemerkt worden als het terrein
betreden wordt.'
Antwoord op vraag 2:
'Zie het oplevering certificaat BauWatch, hierin is te zien dat er hekken staan.'
Antwoord op vraag 3:
'Nee, zodra bewakingstijd actief ingaat dan een directe melding naar de alarmcentrale.'
Antwoord op vraag 4:
(…) zie afbeelding oplever certificaat, zichtbaar zijn de bouwhekken en de bewaking inschakeltijden daarnaast ook het detectie veld. Mijn antwoord: NEE hij zou opgemerkt zijn door de sensoren.'
7. De eigen waarneming van het hof op de afbeelding (los opgenomen) die op 17 februari 2025 als aanvullende fotobijlage bij het dossier is gevoegd, voor zover inhoudende:
Het hof ziet op de foto de verdachte zitten op de achterbank van een politieauto. Het hof ziet dat de verdachte zwarte vegen op zijn gezicht heeft. Ook op het vest en de broek van de verdachte zijn zwarte/bruine vlekken zichtbaar.
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 14 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:
Ik ben inderdaad een privéterrein opgegaan.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw – in de kern weergegeven – aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal tekortschiet. De verdachte is enkel op het terrein van [bedrijf 1] aangetroffen maar niet vastgesteld kan worden dat hij enige rol had bij de diefstal, noch als pleger noch als medepleger. Daarnaast heeft de verdachte een alternatieve verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid op het bedrijfsterrein en zijn de weggenomen goederen niet bij de verdachte aangetroffen, aldus de raadsvrouw. Ten slotte voert de raadsvrouw aan dat er geen sprake was van inklimming nu de verdachte het terrein is betreden op een plek waar geen hek stond.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; ECLI:NL:HR:2016:1316 en HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394).
De rechter mag, indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. Indien de verdachte kort na een diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of te zijnen laste medeplegen kan worden bewezen. Dit geldt zowel in een geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel kan worden vastgesteld dat deze door verenigde personen is begaan, maar niet direct door wie precies, als in een geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat de verdachte kort na de diefstal met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan (vgl. HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967).
In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de inhoud van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Het hof stelt allereerst, in tegenstelling tot de raadsvrouw van de verdachte, vast dat het terrein van [bedrijf 1] op 31 januari 2025 door een afgesloten hekwerk was omringd.
Het hof concludeert daartoe nu zowel aangever, de verbalisanten ter plaatse en de beveiliger ter plaatse dienovereenkomstig verklaren. De verbalisanten moesten op het moment van de inbraakmelding zelfs wachten op de beveiliger om het hekwerk te openen voordat zij het terrein konden betreden. Uit deze verklaringen volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar dat het gehele terrein van [bedrijf 1] op 31 januari 2025 was afgesloten. Het feit dat de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep foto’s heeft verstrekt waaruit volgt dat er op 14 februari 2025 openingen in het hekwerk zaten, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het hof hecht immers meer waarde aan de verklaringen van de personen die op de pleegdatum bij het pand aanwezig waren, zijnde aangever, de verbalisanten en de beveiliger.
Het hof stelt voorts in het verlengde daarvan vast dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte, in vereniging met de medeverdachte, het afgesloten terrein van [bedrijf 1] door middel van inklimming heeft betreden, het pand is binnengegaan en de aangetroffen goederen heeft gestolen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt immers dat er omstreeks 21:15 uur op het afgesloten terrein van [bedrijf 1] twee personen op de camerabeelden gezien werden die zich tezamen met een zaklamp richting het pand bewogen. Daarvan is direct een melding uitgegaan en omstreeks 21:18 uur waren de eerste verbalisanten ter plaatse. Het terrein werd omsingeld en de verbalisanten aan de voorzijde moesten wachten op de beveiliger die het hekwerk kon openen. De verbalisanten die de achterzijde van het pand bewaakten, troffen al rijdend een man in de nabijheid van het pand aan, namelijk bij een naastgelegen pand. Voordat zij bij deze man aankwamen, was de man vertrokken. Wel troffen zij op de plek waar de man eerder stond de gestolen goederen van [bedrijf 1] aan. Aan de voorzijde van het terrein zag de inmiddels aangekomen beveiliger [getuige] vervolgens een andere man, die later de verdachte bleek te zijn, op het afgesloten terrein van [bedrijf 1] lopen. [getuige] is de verdachte blijven volgen tot de politie aanwezig was en de verdachte werd aangehouden. Het hof sluit zich aan bij de conclusie van de beveiliger, zijnde dat de verdachte vanuit het pand moet zijn gekomen, nu het gehele pand door de politie was omsingeld en met hekken was afgezet. Bovendien rook de verdachte naar rook en had hij zwarte vlekken op zijn gezicht en kleding.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, die in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, redengevend geacht moeten worden voor het feit dat de verdachte een van de personen op de camerabeelden was die tezamen met de medeverdachte het pand heeft betreden en de goederen heeft weggenomen, mocht van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verlangd. De verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd en de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet als een dergelijke verklaring dienen. De enige en bovendien op geen enkele wijze onderbouwde of verifieerbare verklaring van de verdachte dat hij toevallig bij het uitgebrande pand was beland omdat hij moest plassen en dat hij zwarte vegen op zijn gezicht had omdat zijn fiets kapot was, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig in het licht van al het vorenstaande, alsmede vanwege de omstandigheid dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, het volstrekt onaannemelijk is te achten dat iemand besluit te gaan plassen bij een uitgebrand, met hekwerken afgezet, pand op een industrieterrein.
Resumerend acht het hof op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden en het uitblijven van een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring – waar dat naar het oordeel van het hof wel van de verdachte mocht worden verwacht – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal, zulks op de wijze als in de bewezenverklaring staat vermeld.
De verweren van de raadsvrouw van de verdachte worden derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof verzocht om, bij een bewezenverklaring, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal van goederen die toebehoorden aan [bedrijf 1] , waarbij de verdachten zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming. Het pand van [bedrijf 1] was grotendeels afgebrand en er stonden hekken omheen om, onder andere, de nog aanwezige goederen te beveiligen. Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij en de medeverdachte deze schrijnende omstandigheid hebben aangegrepen om enkel uit eigen financieel gewin goederen weg te nemen. Door te handelen zoals is bewezenverklaard, heeft de verdachte zich geen enkele rekenschap gegeven van de belangen van het slachtoffer en inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in deze zaak liep de verdachte bovendien in een proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof kan, gelet op het strafbare handelen van de verdachte in combinatie met het strafblad van de verdachte, niet anders dan concluderen dat het gedrag van de verdachte onverbeterlijk is. De verdachte trekt zich kennelijk niets aan van justitiële interventies en naar het oordeel van het hof is sprake van aan aanzienlijk risico op recidive. Het hof is derhalve van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het justitiële verleden van de verdachte en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. In hetgeen de raadsvrouw van de verdachte bij wijze van strafmaatverweer naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen grond om tot een lagere strafoplegging te komen.
Voorlopige hechtenis
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de gevangenneming van de verdachte bevolen en het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf. De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van dit hof van
27 maart 2025 geschorst met ingang van 28 maart 2025 onder (bijzondere) voorwaarden.
Na een veroordeling door een daartoe bevoegde rechter is naar het oordeel van het hof (voortduring van) de schorsing van de voorlopige hechtenis in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. Van zodanige voldoende zwaarwichtige omstandigheden is het hof niet gebleken. Voorts heeft de verdachte zich niet gehouden aan de schorsingsvoorwaarden gesteld bij de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis van dit hof van 27 maart 2025. De verdachte heeft immers geen gehoor gegeven aan een oproep van justitie door niet aanwezig te zijn ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juli 2026, terwijl de dagvaarding voor deze zitting aan de verdachte in persoon was betekend.
Gelet op het vorenstaande, zal het hof de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevelen, zodat de voorlopige hechtenis zal herleven. Dit bevel zal apart worden geminuteerd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden, welk bevel apart is geminuteerd.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. J. Nederlof en mr. G.P.N. Robben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 10 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.