Strafrecht overig
Vrijspraak Het hof concludeert dat de vervoerder [verdachte] ten tijde van het tenlastegelegde (18 februari…
ECLI:NL:GHSHE:2026:2253 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2253
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-002524-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2253
Samenvatting
Vrijspraak
Het hof concludeert dat de vervoerder [verdachte] ten tijde van het tenlastegelegde (18 februari 2024) de zorgplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in dit geval niet heeft geschonden.
Het hof is, tegen de achtergrond van hetgeen in het arrest is weergegeven, van oordeel dat de zorgplicht van de vervoerder niet zo ver reikt dat bij niet-visumplichtige derdelanders aan de hand van de stempels in een reisdocument moet worden gecontroleerd of eerder verblijf in het Schengengebied in de laatste 180 dagen aanleiding geeft tot de conclusie dat de vrije termijn is verstreken en om die reden inreis in het Schengengebied niet is toegestaan. Die controle gaat naar het oordeel verder dan ‘het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd’ als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dat de zorgplicht voor de vervoerder ten tijde van het tenlastegelegde niet zo ver reikte, leidt het hof ook af uit het gegeven dat in de destijds geldende Vreemdelingencirculaire 2000 het controleren van in- en uitreisstempels in een paspoort van een niet-visumplichtige derdelander niet was opgenomen in de opsomming van zaken die de vervoerder ten minste moest controleren en voorts dat onlangs de Vreemdelingencirculaire 2000 is aangepast. Eerst op 12 oktober 2025 is hieraan toegevoegd dat de vervoerder via de bovengenoemde EES-webdienst (artikel 13 EES-verordening) gegevens verstrekt om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt. Voorts geldt, blijkens de overgangsbepaling uit artikel 22 van de EES-verordening, dat gedurende de eerste 180 dagen na de invoering van de EES-webdienst de bevoegde grensautoriteiten (en niet de vervoerders) de stempels in de paspoorten zullen blijven controleren.
Het hof begrijpt hieruit – in samenhang met de achtergrond van en toelichting op deze wijziging – dat de vervoerder thans, anders dan ten tijde van het tenlastegelegde, middels raadpleging van de EES-webdienst nadrukkelijk een rol heeft gekregen om te controleren of een derdelander met een visum kortverblijf of een niet-visumplichtige derdelander vanwege een overschrijding van het aantal toegestane binnenkomsten of eerdere verblijfsduur in het Schengengebied mag worden vervoerd en dat die controle past bij ‘het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd’.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-002524-25
Uitspraak : 21 juli 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 25 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-335592-24 tegen:
[verdachte]
gevestigd te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij artikel 4 eerste lid Vreemdelingenwet 2000’, veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 4.200,00.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 4.200,00.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 18 februari 2024 te Eindhoven, althans in Nederland, als vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd [vreemdeling] , aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van hem kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder b, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of voornoemd vreemdeling in bezit was van een geldig grensoverschrijdingsdocument/paspoort en/of een geldig visum.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft, op gronden zoals nader verwoord in het requisitoir, gevorderd dat het hof het tenlastegelegde bewezen zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft, op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt, op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, vast dat de in de tenlastelegging opgenomen vreemdeling door [verdachte] per vliegtuig is vervoerd vanaf London Stansted Airport in het Verenigd Koninkrijk naar Eindhoven Airport. Bij de uitvoering van een grenscontrole van het Schengengebied op Eindhoven Airport wilde voornoemde vreemdeling, een derdelander met de nationaliteit van een land waarvan de onderdanen niet visumplichtig zijn gesteld, inreizen, terwijl de vrije termijn van deze vreemdeling was verstreken. De vreemdeling had in de direct hieraan voorafgaande periode van 180 dagen namelijk meer dan 90 dagen in het Schengengebied verbleven.
Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat [verdachte] wordt verweten dat deze als vervoerder ten aanzien van deze niet-visumplichtige derdelander niet voldaan heeft aan de op hem rustende zorgplicht met betrekking tot de controle bij vertrek vanuit het Verenigd Koninkrijk van het reisdocument, waaruit in dit geval zou blijken dat de vrije termijn reeds bij de voorgenomen inreis was verstreken. Het hof ziet zich aldus voor de vraag gesteld of [verdachte] de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. Voor de beantwoording van deze vraag gaat het hof uit van het volgende juridische kader.
Juridisch kader
De volgende bepalingen zijn van belang.
De Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
“Artikel 5
1. Aan een vreemdeling die aan onderstaande voorwaarden voldoet, kan toegang worden verleend tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden:
a) in het bezit zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument of van de geldige grensoverschrijdingsdocumenten, aangewezen door het Uitvoerend Comité;
b) indien vereist, in het bezit zijn van een geldig visum;
c) het, zo nodig, overleggen van documenten ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden alsmede het beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde staat, waar de toelating is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;
d) niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan;
e) niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van één der overeenkomstsluitende partijen.
2. Aan een vreemdeling die niet voldoet aan het geheel van deze voorwaarden, moet de toegang tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen worden geweigerd, tenzij een overeenkomstsluitende partij op grond van humanitaire
overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen een afwijking daarvan noodzakelijk acht. In dat geval dient de toegang te worden beperkt tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij die de overige overeenkomstsluitende partijen daarvan in kennis moet stellen.
De bijzondere bepalingen inzake het asielrecht en het bepaalde in artikel 18 blijven onverlet.
3. De vreemdeling die houder is van een door een overeenkomstsluitende partij afgegeven verblijfstitel of terugkeervisum, dan wel zo nodig van beide documenten, dient doorreis te worden verleend, tenzij hij gesignaleerd staat op de nationale
signaleringslijst van de overeenkomstsluitende partij wier buitengrens hij beoogt te overschrijden.
(…)
Artikel 9
1. De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe een gemeenschappelijk beleid te voeren met betrekking tot het personenverkeer en in het bijzonder met betrekking tot de visumregeling. Zij verlenen elkaar daartoe wederzijdse bijstand.
De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in onderling overleg hun visumbeleid verder te harmoniseren.
(...)
Artikel 10
1. Er wordt een eenvormig visum ingesteld dat geldig is voor het grondgebied van alle overeenkomstsluitende partijen.
Dit visum, waarvan de geldigheidsduur is geregeld in artikel 11, kan voor een periode van ten hoogste drie maanden worden verleend.
(...)
Artikel 11
1. Het ingevolge artikel 10 ingestelde visum kan zijn:
a) een voor één of meer binnenkomsten geldig reisvisum, waarbij, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, noch de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijven meer dan drie maanden per zes maanden mag bedragen;
b) een doorreisvisum op grond waarvan de houder één, twee of bij wijze van uitzondering verscheidene keren door het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen mag reizen om zich naar het grondgebied van een derde staat te begeven, zonder dat de duur van de doorreis meer dan vijf dagen mag bedragen.
2. Het bepaalde in lid 1 laat onverlet dat een overeenkomstsluitende partij in voorkomend geval in de loop van de desbetreffende periode van zes maanden een ander visum verleent waarvan de geldigheid is beperkt tot haar grondgebied.
(...)
Artikel 18
De visa voor een verblijf van langer dan drie maanden zijn nationale visa welke door iedere overeenkomstsluitende partij overeenkomstig de eigen wetgeving worden afgegeven. Een dergelijk visum geeft de houder daarvan het recht over het grondgebied van de overige overeenkomstsluitende partijen door te reizen, teneinde zich te begeven naar het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij die het visum heeft verleend, tenzij hij niet kan voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a), d) en e), bedoelde voorwaarden voor binnenkomst, of gesignaleerd staat op de nationale signaleringslijst van de overeenkomstsluitende partij over wier grondgebied hij wenst door te reizen.
(...)
Artikel 20
1. Vreemdelingen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen, mogen zich voor de duur van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst, op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen vrij verplaatsen, voorzover zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e), bedoelde voorwaarden voor binnenkomst.
2. Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van iedere overeenkomstsluitende partij om in bijzondere omstandigheden of krachtens de bepalingen van een vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst gesloten bilaterale overeenkomst de verblijfstermijn van drie maanden van een vreemdeling op haar grondgebied te verlengen.
3. Het bepaalde in dit artikel geldt onverminderd het bepaalde in artikel 22.
(...)
Artikel 26
1. Onverminderd de verplichtingen ingevolge het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, verbinden de overeenkomstsluitende partijen zich ertoe in hun nationale wetgeving onderstaande regelingen op te nemen:
(...)
b) de vervoerder is verplicht de nodige maatregelen te treffen om zich ervan te vergewissen dat de per luchtvaartuig of per schip vervoerde vreemdeling in het bezit is van de voor binnenkomst op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen vereiste reisdocumenten."
Artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000 luidde ten tijde van het tenlastegelegde als volgt:
“1. De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling niet wordt voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Schengengrenscode of aan artikel 3, eerste lid, onder a, van deze wet.
2. De vervoerder kan worden verplicht om een afschrift te nemen van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding en dit ter hand te stellen aan de ambtenaren belast met de grensbewaking.
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste lid, kan ten behoeve van de grensbewaking en het tegengaan van illegale immigratie worden verplicht passagiersgegevens of gegevens omtrent de bemanning te verzamelen en te verstrekken aan de ambtenaren belast met de grensbewaking.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met het derde lid. Daarbij kan ter uitvoering van een verdrag of een bindende EU-rechtshandeling worden afgeweken van artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Het eerste tot en met het derde lid zijn ook van toepassing op iedere vervoerder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan schending van de in die leden bedoelde verplichtingen.”
Artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) luidde ten tijde van het tenlastegelegde als volgt:
“1. Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden:
a) in het bezit zijn van een geldig reisdocument of van een document dat de houder recht geeft op grensoverschrijding en dat aan de volgende criteria voldoet:
i) het is geldig tot minstens drie maanden na de voorgenomen datum van vertrek uit het grondgebied van de lidstaten. In gemotiveerde spoedeisende gevallen mag echter van deze verplichting worden afgezien;
ii) het is afgegeven in de voorafgaande tien jaar;
b) indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad ( 5 ), in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum voor verblijf van langere duur;
c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;
d) niet met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerd zijn;
e) niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.
2. Voor de uitvoering van lid 1 geldt de inreisdatum als de eerste dag van verblijf op het grondgebied van de lidstaten en de uitreisdatum als de laatste dag van verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Perioden van verblijf die zijn toegestaan op grond van een verblijfsvergunning, of een visum voor verblijf van langere duur worden bij de berekening van de verblijfsduur op het grondgebied van de lidstaten niet in aanmerking genomen.
3. Bijlage I bevat een niet-uitputtende lijst van bewijsstukken die de grenswachter van de betrokken onderdaan van een derde land kan verlangen om na te gaan of aan de in lid 1, onder c), vermelde voorwaarden is voldaan.
4. Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat of lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen.
De door elk van de lidstaten vastgestelde richtbedragen worden meegedeeld aan de Commissie, overeenkomstig artikel 39.
De aanwezigheid van voldoende bestaansmiddelen kan worden beoordeeld aan de hand van contant geld, reischeques en creditcards die de onderdaan van een derde land in bezit heeft. Borgstellingen, voor zover het nationale recht daarin voorziet, en garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in het nationale recht, ingeval de onderdaan van een derde land bij een gastheer/-vrouw verblijft, kunnen eveneens als bewijs van voldoende middelen van bestaan gelden.
5. In afwijking van lid 1:
a) wordt onderdanen van derde landen die niet aan alle in lid 1 genoemde voorwaarden voldoen, maar wel houder zijn van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur, toegang verleend tot het grondgebied van de andere lidstaten met het oog op doorreis zodat zij het grondgebied kunnen bereiken van de lidstaat die de verblijfsvergunning of het visum voor verblijf van langere duur heeft afgegeven, tenzij hun namen zijn vermeld op de nationale signaleringslijst van de lidstaat waarvan zij de buitengrenzen willen overschrijden, en de signalering vergezeld gaat van instructies om de binnenkomst of doorreis te weigeren;
b) kan onderdanen van derde landen die voldoen aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde onder b), en zich melden aan de grens, toegang tot het grondgebied van de lidstaten worden verleend, indien aan de grens een visum wordt afgegeven overeenkomstig de artikelen 35 en 36 van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ).
De lidstaten stellen statistieken over aan de grens afgegeven visa op overeenkomstig artikel 46 van en bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 810/2009.
Indien het niet mogelijk is op het document een visum aan te brengen, wordt het visum, bij wijze van uitzondering, op een apart blad aangebracht dat aan het document wordt gehecht. In dat geval wordt gebruikgemaakt van het bij Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad ( 7 ) vastgestelde uniforme model voor formulieren voor de aanbrenging van het visum;
c) kan onderdanen van derde landen die niet aan een of meer van de in lid 1 genoemde voorwaarden voldoen, door een lidstaat toegang tot zijn grondgebied worden verleend op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen. Indien de betrokken onderdaan van een derde land gesignaleerd staat als bedoeld in lid 1, onder d), stelt de lidstaat die hem toegang tot zijn grondgebied verleent, de overige lidstaten daarvan in kennis.”
Artikel 3 van de Vreemdelingenwet 2000 luidde ten tijde van het tenlastegelegde - voor zover hier van belang - als volgt:
“1. In andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen, wordt toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:
a. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;
(...):
A1/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 luidde ten tijde van het tenlastegelegde als volgt:
"9. Verplichtingen voor vervoerders
Zorgplicht
Een vervoerder moet zijn personeel zodanig instrueren, dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland. Onder het personeel van de vervoerder valt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht. Het personeel van de vervoerder moet bij de controle van de reisdocumenten vaststellen of een document voor grensoverschrijding geldig is.
De vervoerder moet ten minste controleren of:
• de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden document voor grensoverschrijding zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van het document voor grensoverschrijding;
• het aangeboden document voor grensoverschrijding voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming);
• de geldigheidsduur van het aangeboden document voor grensoverschrijding en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;
• het aangeboden document voor grensoverschrijding is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit.
De vervoerder moet door middel van een kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.
Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, moet de vervoerder deze apparatuur voor de controle van documenten voor grensoverschrijding gebruiken.
De Nederlandse overheid is bevoegd de vervoerder aanwijzingen te geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.
De Nederlandse overheid mag een vervoerder verzoeken, op grond van de daartoe strekkende internationale regelgeving, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het zeeschip of vliegtuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag deze bevoegdheid uitoefenen als daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
De Nederlandse overheid houdt, om vervoerders in staat te stellen de controle op reisdocumenten zo goed mogelijk te verrichten, vervoerders regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. De Nederlandse overheid geeft aanwijzingen aan de vervoerder die een effectievere en efficiëntere controle kunnen bewerkstelligen.
De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt een proces-verbaal op als de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling aanvoert zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten."
Verordering 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 houdt onder meer het volgende in:
"(1) In haar mededeling „De voorbereiding van de volgende stappen in het grensbeheer in de Europese Unie” van 13 februari 2008 stelde de Commissie dat er in het kader van een geïntegreerde strategie voor grensbeheer van de Unie behoefte is aan de invoering van een inreis-uitreissysteem (EES) dat elektronisch de tijd en plaats van inreis en uitreis registreert van onderdanen van derde landen die voor een kort verblijf tot het grondgebied van de lidstaten zijn toegelaten, en dat de duur van het toegestane verblijf berekent.
(...)
(16) Het EES dient te bestaan uit een centraal systeem (het centrale systeem van het EES) dat een geautomatiseerde centrale database met biometrische en alfanumerieke gegevens beheert, alsook een nationale uniforme interface in elke lidstaat, een beveiligd communicatiekanaal tussen het centrale systeem van het EES en het centraal visuminformatiesysteem (centraal VIS) van het VIS en de beveiligde en versleutelde communicatie-infrastructuur tussen het centrale systeem van het EES en de nationale uniforme interfaces. Elke lidstaat dient zijn nationale grensinfrastructuren op een beveiligde manier aan te sluiten op de nationale uniforme interface. Om statistieken en verslagen te kunnen opstellen, moet op centraal niveau een gegevensregister worden ingesteld. Om onderdanen van derde landen in staat te stellen op elk moment de nog resterende toegestane verblijfsduur na te gaan, moet een webdienst worden ontwikkeld. De webdienst dient ook om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een Schengenvisum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, niet reeds hebben opgebruikt. De relevante belanghebbenden worden geraadpleegd gedurende de ontwikkelingsfase van de webdienst. Bij de vaststelling van de technische specificaties voor toegang tot de webdienst voor vervoerders moeten de gevolgen voor passagiersverkeer en vervoerders zo veel mogelijk worden beperkt. Daartoe moet passende integratie met relevante systemen worden overwogen.
(...)
Artikel 13
Webdienst
1. Om onderdanen van derde landen in staat te stellen op elk moment de resterende toegestane verblijfsduur na te gaan, wordt hun via internet beveiligde toegang geboden tot een door eu-LISA op zijn technische locaties gehoste webdienst door middel waarvan zij de overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder b), vereiste gegevens alsmede de voorgenomen inreis- of uitreisdatum, of beide, kunnen opgeven. Op die basis verstrekt de webdienst onderdanen van derde landen het antwoord OK/NIET OK, en informatie over de resterende toegestane verblijfsduur.
2. Wat betreft een voorgenomen verblijf in een lidstaat die het Schengenacquis nog niet volledig toepast maar het EES gebruikt, verstrekt de webdienst, in afwijking van lid 1, geen informatie over het toegestane verblijf op basis van een visum voor kort verblijf of van een nationaal visum voor kort verblijf.
In de in de eerste alinea bedoelde gevallen biedt de webdienst onderdanen van derde landen de mogelijkheid om na te gaan of het algemene maximum van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen is nageleefd en om informatie over de resterende toegestane verblijfsduur binnen dat maximum te ontvangen. Deze informatie wordt verstrekt voor verblijven die hebben plaatsgevonden binnen de periode van 180 dagen vóór de raadpleging van de webdienst of een voorgenomen inreis- of uitreisdatum, of beide.
3. Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, onder b), van de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen maken vervoerders gebruik van de in lid 5 van dit artikel bedoelde webdienst om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt. De vervoerders verstrekken de in artikel 16, lid 1, onder a), b) en c), van deze verordening vermelde gegevens. Op die basis verstrekt de webdienst vervoerders het antwoord OK/NIET OK. Vervoerders mogen de door hen verstuurde informatie en het door hen ontvangen antwoord opslaan in overeenstemming met het toepasselijke recht. Vervoerders stellen een authenticatieprocedure vast om te waarborgen dat enkel gemachtigde personeels-leden toegang hebben tot de webdienst. Het antwoord OK/NIET OK kan niet worden beschouwd als een beslissing om toegang te verlenen of te weigeren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399.
(...)
6. De webdienst stelt vervoerders niet in staat na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een nationaal visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt.”
(...)
Artikel 22
Overgangsperiode en overgangsmaatregelen
1. Gedurende een periode van 180 dagen vanaf de ingebruikneming van het EES houden de bevoegde grensautoriteiten rekening met de verblijven op het grondgebied van de lidstaten in de periode van 180 dagen voorafgaand aan de inreis of uitreis, door naast de in het EES opgeslagen inreis- en uitreisgegevens ook de stempels in de reisdocumenten te controleren, teneinde bij inreis en uitreis te verifiëren of voor een kort verblijf toegelaten onderdanen van derde landen de maximale duur van het toegestane verblijf niet hebben overschreden en, in voorkomend geval, om bij inreis te verifiëren of de onderdaan van een derde land het aantal inreizen dat is toegestaan door het visum voor een of twee inreizen niet heeft overschreden.
2. (...)
De Vreemdelingencirculaire 2000 (A) is op 12 oktober 2025 onder meer als volgt gewijzigd (Stcrt. 2025, 32763, onderstreping hof):
"Onderdeel E
Paragraaf A1/9 Vreemdelingencirculaire 2000 is gewijzigd en komt te luiden:
9. Verplichtingen voor vervoerders
Zorgplicht
Een vervoerder moet zijn personeel zodanig instrueren, dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland. Onder het personeel van de vervoerder valt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht. Het personeel van de vervoerder moet bij de controle van de reisdocumenten vaststellen of een document voor grensoverschrijding geldig is.
De vervoerder moet ten minste controleren of:
• de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden document voor grensoverschrijding zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van het document voor grensoverschrijding;
• het aangeboden document voor grensoverschrijding voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming);
• de geldigheidsduur van het aangeboden document voor grensoverschrijding en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;
• het aangeboden document voor grensoverschrijding is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit.
De vervoerder verstrekt via de webdienst (artikel 13 EES-verordening) de noodzakelijk gegevens aan het EES systeem om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt. Op die basis verstrekt de webdienst vervoerders het antwoord OK/NIET OK.
De vervoerder moet door middel van een kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.
Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, moet de vervoerder deze apparatuur voor de controle van documenten voor grensoverschrijding gebruiken.
De Nederlandse overheid is bevoegd de vervoerder aanwijzingen te geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.
De Nederlandse overheid mag een vervoerder verzoeken, op grond van de daartoe strekkende internationale regelgeving, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het zeeschip of vliegtuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag deze bevoegdheid uitoefenen als daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.
De Nederlandse overheid houdt, om vervoerders in staat te stellen de controle op reisdocumenten zo goed mogelijk te verrichten, vervoerders regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. De Nederlandse overheid geeft aanwijzingen aan de vervoerder die een effectievere en efficiëntere controle kunnen bewerkstelligen.
De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt een proces-verbaal op als de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling aanvoert zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten.
Deze wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt toegelicht (Strcrt. 2025, 32763):
ALGEMEEN
Op 30 november 2017 hebben de Europese Raad en het Europese Parlement in het kader van het Entry en Exit System (EES) de volgende verordening aangenomen:
• Verordening (EU) 2017/2226 van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011.
In deze toelichting wordt met lidstaten bedoeld: de landen van de EU (zonder Cyprus en Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland.
Eén van de doelstellingen van deze verordening is het beheer van de buitengrenzen te verbeteren. Dit gebeurt door het verifiëren van de toegestane verblijfsduur op het grondgebied van de lidstaten. Hiertoe dient een EES te worden ingesteld dat op elektronische wijze het tijdstip en de plaats van inreis en uitreis registreert van onderdanen van derde landen die voor een kort verblijf tot het grondgebied van de lidstaten zijn toegelaten, en dat de toegestane verblijfsduur berekent. Dit systeem komt in de plaats van de verplichting om paspoorten van onderdanen van derde landen af te stempelen.
Het EES is van toepassing op onderdanen van derde landen die voor een kort verblijf tot het grondgebied van de lidstaten worden toegelaten. Het is eveneens van toepassing op onderdanen van derde landen aan wie de toegang tot het grondgebied voor een kort verblijf is geweigerd.
Er is één EES. De autoriteiten van een lidstaat raadplegen, registreren, verwijderen of wijzigen gegevens in een nationaal systeem bij in- en uitreis. Dat systeem zorgt voor registratie in EES door middel van berichtenverkeer. In de Vc-tekst staat voor de leesbaarheid dat een ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast het met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen een handeling verricht in EES. Echter, dit gebeurt dus digitaal na het verrichten van deze handeling in het nationale systeem.
De berekening door de automatische calculator werkt als volgt. De automatische calculator moet voor de berekening van het algemene maximum van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen rekening houden met de verblijven op het grondgebied van de lidstaten die het EES gebruiken. Alle verlengingen van de toegestane verblijfsduur moeten in aanmerking worden genomen bij de berekening van dat algemene maximum wanneer de onderdaan van een derde land het grondgebied van de lidstaten binnenkomt. Verblijven op het grondgebied van lidstaten die het EES nog niet gebruiken, moeten afzonderlijk worden geteld op basis van de in de reisdocumenten van onderdanen van derde landen aangebrachte stempels.
Het EES wordt vanaf 12 oktober 2025 gefaseerd in gebruik genomen. Dit betekent dat aan steeds meer grensdoorlaatposten gegevens worden verzameld totdat het systeem op 10 april 2026 volledig in gebruik is genomen.
Bovenstaande leidt tot aanpassing van de vreemdelingencirculaire in de volgende paragrafen: de afkortingenlijst, A1/1, A1/6, A1/7.2, A1/7.3, A1/9, A2/2.1 en A2/3 Vc. Hieronder zal per paragraaf worden toegelicht wat er is aangepast. Daarnaast is een model aangepast: M17. Hieronder zal eveneens per model worden toegelicht wat er is aangepast.
(...)
E
In A1/9 Vc is toegevoegd dat de vervoerder EES raadpleegt bij het vertrek naar Nederland."
Overwegingen hof
Het hiervoor weergegeven juridisch kader komt kort gezegd op het volgende neer.
In artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw 2000) wordt geregeld dat een vervoerder de nodige maatregelen moet nemen om te voorkomen dat een door hem vervoerde vreemdeling niet voldoet aan artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000 en aan artikel 6, eerste lid onder a, van de Schengengrenscode. Welke maatregelen dit zijn, is terug te vinden in A1/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De vervoerder moet zodanige voorzorgsmaatregelen nemen dat de komst van niet of niet juist gedocumenteerde vreemdelingen wordt voorkomen. Maatregelen die de vervoerder in dat kader moet nemen, houden minimaal in een controle van de juistheid en geldigheid van het reisdocumenten en de benodigde visa.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis en rechtspraak volgt dat de thans in artikel 4, eerste lid, Vw 2000 vervatte zorgplicht aan de vervoerder een inspanningsverplichting oplegt. Ook volgt daaruit dat de wetgever ervan is uitgegaan dat voor een veroordeling ter zake van de niet-naleving van de in artikel 4, eerste lid, Vw 2000 vervatte zorgplicht nalatigheid van de vervoerder vereist is. Die nalatigheid mag als aanwezig worden verondersteld wanneer door tussenkomst van een vervoerder een vreemdeling onjuist gedocumenteerd, dat wil zeggen zonder het vereiste visum, Nederland wordt binnengebracht, tenzij bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel leiden (vgl. HR 11 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6456, NJ 2002/373, rov. 3.4 en 4.7, herhaald in HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:40).
Vreemdelingen afkomstig uit een derde land die niet aan de visumplicht zijn onderworpen, mogen zich voor de duur van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, gerekend vanaf de datum van eerste binnenkomst in het Schengengebied vrij verplaatsen, voorzover zij voldoen aan de volgende voorwaarden (artikel 20 jo artikel 5 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord). Zij moeten:
-
in het bezit zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument of van de geldige grensoverschrijdingsdocumenten, aangewezen door het Uitvoerend Comité;
-
zo nodig documenten overleggen ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden;
-
alsmede het beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde staat, waar de toelating is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;
-
niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan.
Met Verordening (EU) 2017/2226 is een inreis-uitreissysteem (EES) ingesteld. Dit is een geautomatiseerd IT-systeem dat wordt gebruikt door 29 Schengenlanden (25 EU-lidstaten plus IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland). Het registreert inreizen, uitreizen en toegangsweigeringen van onderdanen van derde landen (onderdanen van landen buiten Schengen of buiten de Europese Unie (EU)) die de buitengrenzen van het Schengengebied overschrijden voor een kort verblijf (90 dagen binnen een periode van 180 dagen). Het registreert gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder paspoortinformatie, vingerafdrukken en gezichtsopnamen. Het EES vervangt de handmatige stempeling van paspoorten en stelt de autoriteiten in staat automatisch vast te stellen welke reizigers de toegestane verblijfsduur hebben overschreden.
De feitelijke werking van het centrale IT-systeem is op 12 oktober 2025 ingegaan. Sindsdien wordt het systeem in de praktijk gefaseerd wordt uitgerold. Aan A1/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is op 12 oktober 2025 toegevoegd dat de vervoerder via de webdienst (artikel 13 EES-verordening) de noodzakelijke gegevens aan het EES systeem verstrekt om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt.
Conclusie
Het hof is, tegen de achtergrond van het voorgaande, van oordeel dat de zorgplicht van de vervoerder niet zo ver reikt dat bij niet-visumplichtige derdelanders aan de hand van de stempels in een reisdocument moet worden gecontroleerd of eerder verblijf in het Schengengebied in de laatste 180 dagen aanleiding geeft tot de conclusie dat de vrije termijn is verstreken en om die reden inreis in het Schengengebied niet is toegestaan. Die controle gaat naar het oordeel verder dan ‘het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd’ als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dat de zorgplicht voor de vervoerder ten tijde van het tenlastegelegde niet zo ver reikte, leidt het hof ook af uit het gegeven dat in de destijds geldende Vreemdelingencirculaire 2000 het controleren van in- en uitreisstempels in een paspoort van een niet-visumplichtige derdelander niet was opgenomen in de opsomming van zaken die de vervoerder ten minste moest controleren en voorts dat onlangs de Vreemdelingencirculaire 2000 is aangepast. Eerst op 12 oktober 2025 is hieraan toegevoegd dat de vervoerder via de bovengenoemde EES-webdienst (artikel 13 EES-verordening) gegevens verstrekt om na te gaan of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf voor één of twee binnenkomsten al dan niet het aantal binnenkomsten waarop hun visum recht geeft, hebben opgebruikt. Voorts geldt, blijkens de overgangsbepaling uit artikel 22 van de EES-verordening, dat gedurende de eerste 180 dagen na de invoering van de EES-webdienst de bevoegde grensautoriteiten (en niet de vervoerders) de stempels in de paspoorten zullen blijven controleren.
Het hof begrijpt hieruit – in samenhang met de achtergrond van en toelichting op deze wijziging – dat de vervoerder thans, anders dan ten tijde van het tenlastegelegde, middels raadpleging van de EES-webdienst nadrukkelijk een rol heeft gekregen om te controleren of een derdelander met een visum kortverblijf of een niet-visumplichtige derdelander vanwege een overschrijding van het aantal toegestane binnenkomsten of eerdere verblijfsduur in het Schengengebied mag worden vervoerd en dat die controle past bij ‘het toezicht dat redelijkerwijs van de vervoerder kan worden gevorderd’.
Het hof concludeert dat [verdachte] de zorgplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in dit geval niet heeft geschonden. Daarom zal het hof de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 21 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.