Strafrecht overig

Een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis terzake Medeplegen van opzettelijk…

Zaakgegevens

Op 4 februari 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 februari 2026
Datum publicatie
12 maart 2026
Zaaknummer
20-000704-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:684
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis terzake Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

feit 1

Naar het oordeel van het hof kan het gelet op de in het arrest genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, niet anders dan dat de verdachte wetenschap had van de hennep en hasjiesj die in het pand zijn aangetroffen en dat die zich in zijn machtssfeer bevonden.

feit 2

Het gaat erom of het een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. De enkele omstandigheid dat een voorwerp mogelijk niet een zodanige stof bevat, brengt niet met zich dat die bestemming ontbreekt.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000704-25

Uitspraak : 4 februari 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-320976-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1974,

wonende te [adres 1]

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II’ (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de inbeslaggenomen goederen, te weten verdovende middelen en pepperspray, onttrokken aan het verkeer.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren (waarbij de advocaat-generaal uitgaat van het ‘opzettelijk voorhanden hebben’) en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van het beslag gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen goederen zal onttrekken aan het verkeer.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 27 oktober 2023 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 471,49 gram, van een materiaal bevattende hennep, en/of,

- ongeveer 134 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 27 oktober 2023 te Bergen op Zoom, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 27 oktober 2023 te Bergen op Zoom, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 470,33 gram, van een materiaal bevattende hennep, en

- ongeveer 83 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 27 oktober 2023 te Bergen op Zoom, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van feit 1:

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 1 is tenlastegelegd. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte – kort weergegeven – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op 27 oktober 2023 de tenlastegelegde verdovende middelen voorhanden heeft gehad. De verdachte was weliswaar de eigenaar van het pand, maar hij was vaak weg. Er waren regelmatig andere personen in het pand aanwezig. Op 27 oktober 2023 werd medeverdachte [medeverdachte] , in het bezit van een sleutel en met verdovende middelen op zak, in het pand aangetroffen. De verdachte was die dag ook niet aanwezig en is ook niet aangetroffen in het pand. De verdachte heeft verklaard in die periode niet in het [bedrijf] aanwezig te zijn geweest.

Het hof overweegt als volgt.

Wettelijk kader

Het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt als misdrijf indien wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Als dat opzet niet wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard, of als de situatie van artikel 11 lid 6 of lid 7 Opiumwet zich voordoet, levert het handelen in strijd met artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet een overtreding op.

Voor “opzettelijk aanwezig hebben” is in de eerste plaats vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die middelen aanwezig zijn in een bepaalde ruimte onder deze wetenschap kan worden geschaard. Van aanwezig hebben in de zin van art. 3 onder C Opiumwet is echter niet zonder meer sprake indien slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte (al dan niet samen met anderen) in een pand verbleef of gedurende langere tijd de (hoofd)gebruiker of -bewoner is en toegang had tot de plaatsen waar de verdovende middelen worden aangetroffen. (vgl. o.a. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1263; HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).

Volgens bestendige jurisprudentie is voor het “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet ten tweede vereist dat de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945 en HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622).

Kort samengevat is voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen vereist: a) dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en

b) dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden.

Feiten

Op 27 oktober 2023 heeft er naar aanleiding van meerdere MMA-meldingen een doorzoeking plaatsgevonden bij [bedrijf] , gevestigd aan [adres 2] . De verdachte is daarvan de eigenaar. Tijdens de doorzoeking in het pand werden op verschillende plekken (te weten: de keuken, het loungedeelte en de tuin) verdovende middelen aangetroffen. In totaal troffen de verbalisanten 470,33 gram hennep, 83 gram hasjiesj en 0,04 gram cocaïne in het pand aan.

a. Wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen

De vraag die ten eerste beantwoord moet worden, is of de verdachte wetenschap had van de aangetroffen verdovende middelen.

Het hof stelt daartoe voorop dat de verdachte, als eigenaar en enige medewerker van het bedrijf, te weten een [bedrijf] , behoudens contra-indicaties voor het tegendeel, geacht mag worden weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de activiteiten binnen het bedrijf en de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen. Daarbij neemt het hof ten eerste in aanmerking dat uit de observaties van de politie van het [bedrijf] op verschillende dagen en de door de politie ondervraagde klanten naar voren komt dat er op structurele basis vanuit het [bedrijf] hennep werd verkocht. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist wat er aan de hand was in zijn eigen onderneming acht het hof daarom volstrekt onaannemelijk. Voorts neemt het hof in aanmerking dat tijdens de doorzoeking van het pand is gebleken dat de tuin was afgesloten met een hek en voorzien was van een afgesloten poort. Tevens bleek de keuken een afgesloten ruimte te zijn die slechts geopend kon worden middels een sleutel. Anders dan de verdachte heeft verklaard, waren de ruimtes waar een deel van de verdovende middelen werden aangetroffen derhalve niet vrij toegankelijk, maar betroffen het ruimtes die enkel betreden konden worden met een daartoe behorende sleutel. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat een ander persoon, kennelijk zonder medeweten van de verdachte, in het bezit zou zijn van een sleutel van het pand en in de (afgesloten) ruimtes onopgemerkt verdovende middelen zou hebben verborgen en bovendien die ook nog, zonder medeweten van de verdachte, aan diens klanten zou hebben verkocht. De verklaring van de verdachte schuift het hof, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, dan ook terzijde.

Beschikkingsmacht over de verdovende middelen

Ten aanzien van het tweede vereiste, inhoudende dat de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden, stelt het hof vast dat de verdachte, als eigenaar van het pand, in het bezit was van een sleutel van het pand en derhalve de toegang had tot alle (afgesloten) ruimtes waar de drugs zijn aangetroffen. Hierdoor heeft de verdachte een zodanige macht kunnen uitoefenen over de verdovende middelen dat hij geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Dat de verdachte stelt op en omstreeks 27 oktober 2023 niet in het pand aanwezig te zijn geweest, doet hier naar oordeel van het hof, mede gelet op het hiervoor genoemde structurele karakter van de drugsverkoop in het [bedrijf] , niets aan af.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof kan het gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, niet anders dan dat de verdachte wetenschap had van de hennep en hasjiesj die in het pand zijn aangetroffen en dat die zich in zijn machtssfeer bevonden.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.

Ten aanzien van feit 2:

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 is tenlastegelegd. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte – kort weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat dat de inhoud van het busje een giftige, verstikkende, weerloosmakende of traanverwekkende stof bevatte. De verbalisant heeft enkel doormiddel van schudden en luisteren vastgesteld dat er vloeistof in het busje aanwezig was. Op grond hiervan kan echter niet worden vastgesteld dat deze vloeistof ook bestemd is voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stoffen. De verbalisanten hadden met het busje moeten spuiten om zo te zien wat voor reactie het spuiten teweeg bracht, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op het etiket van het in beslag genomen spuitbusje staat dat het een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof betreft.

De Hoge Raad heeft zich bij arrest van 2 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1624) over dit onderwerp uitgelaten en het volgende overwogen:

“Het gaat erom of het een voorwerp betreft dat naar zijn aard bestemd is om personen te treffen met een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. De enkele omstandigheid dat een voorwerp mogelijk niet een zodanige stof bevat, brengt niet met zich dat die bestemming ontbreekt.”

Het verweer berust op een opvatting die geen steun vindt in het recht en wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij opzettelijk een hoeveelheid hennep en hasjiesj aanwezig heeft gehad. Dit bewezenverklaarde handelen van de verdachte staat in relatie tot de handel in softdrugs, welke handel vaak allerlei maatschappelijke ongewenste effecten bevordert en – naar de ervaring leert – andere vormen van criminaliteit in de hand werkt. Bovendien kan frequent gebruik van softdrugs de gezondheid schaden. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van pepperspray. Het onbevoegd voorhanden hebben van wapens, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens kunnen gebruikt worden voor allerlei bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof, met de politierechter, een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis passend en geboden.

Beslag

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat tijdens het vooronderzoek onder de verdachte verdovende middelen (te weten: hennep, hasjiesj en cocaïne) en pepperspray zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen.

Naar het oordeel van het hof zijn deze voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze aan de verdachte toebehoren en/of met betrekking tot welke het feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Het hof zal daarom de onttrekking aan het verkeer bevelen van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

7 GR Hennep;

1. STK Hennep ;

149 GR Hennep;

313 GR Hennep;

65 GR Hashish;

18 GR Hashish;

1. STK Cocaine;

1. BUS Pepperspray.

Aldus gewezen door:

mr. J.C. Gillesse, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,

en op 4 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.