Strafrecht overig
Onderzoek Messina. Medeplegen drijven van groothandel in ketamine (art. 38.1 Geneesmiddelenwet) en…
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1753 · Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1753
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00521
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1753
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Messina. Medeplegen drijven van groothandel in ketamine (art. 38.1 Geneesmiddelenwet) en voorbereidingshandelingen handel in harddrugs (art. 10a Opiumwet). 1. Bewijsklacht drijven van groothandel in ketamine. Kon hof oordelen dat ketamine kan worden aangemerkt als “werkzame stof” a.b.i. art. 38 Geneesmiddelenwet? 2. Bewijsklachten drijven van groothandel in ketamine. Kon hof oordelen dat bewezenverklaarde gedragingen “opzettelijk zonder registratie in ketamine een groothandel drijven” opleveren? 3. Bewijsklachten drijven van groothandel in ketamine t.a.v. “drijven van groothandel in werkzame stoffen” a.b.i. art. 38 Geneesmiddelenwet en pleegperiode. Zijn gedragingen van verdachte (“enkel aantal keren afgeleverd krijgen/in ontvangst nemen van (grotere) hoeveelheden ketamine”) voldoende voor bewezenverklaring van “drijven van groothandel”? 4. Kwalificatieklacht drijven van groothandel in ketamine. Kan bewezenverklaarde worden gekwalificeerd als “overtreding van voorschrift, gesteld bij art. 38.1 Geneesmiddelenwet”, nu bestanddeel “werkzame stof(fen)” niet bewezen is verklaard? 5. Strafmotivering (gevangenisstraf van 21 maanden). Is strafoplegging begrijpelijk gelet op de door Rb opgelegde straf en door AG gevorderde straf (gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk)?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00337, 25/00383 P, 25/00384, 25/00386, 25/00460 E, 25/00461 P en 25/00521 en met 25/00436 P en 25/00520 P (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, betrokkene n-o).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 30 januari 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:256Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:795Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1753
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00521
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2025, nummer 23-001362-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.