Strafrecht overig
Mishandeling (art. 300.1 Sr) en niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184.1 Sr). 1. Bewijsklacht…
Hoge Raad, 3 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1767 · Hoge Raad · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1767
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/04349
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1767
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mishandeling (art. 300.1 Sr) en niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184.1 Sr). 1. Bewijsklacht mishandeling. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat bij aangeefster geconstateerd letsel door toedoen van verdachte is ontstaan, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht niet voldoen aan ambtelijk bevel. Is voor rechtsgeldig bevel tot medewerking aan (nader) onderzoek a.b.i. van art. 55e.1 Sv vereist dat er aanwijzingen bestaan dat verdachte het geweldsmisdrijf onder invloed van alcohol heeft gepleegd? 3. Bewijsklacht niet voldoen aan ambtelijk bevel. Uos dat gelet op tijdsverloop aan verdachte geen bevel a.b.i. art. 55e.1 Sv had mogen worden gegeven, art. 359.2 Sv.
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:800Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1767
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04349
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 november 2024, nummer 22-001216-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.E. Kötter en J.L. LʼHomme bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.