Strafrecht overig

Doodslag door in 2020 in Haarlem na conflict in loods een ander in zijn hartstreek te schieten (art. 287 Sr)…

Hoge Raad, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
25/00931
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1769
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Doodslag door in 2020 in Haarlem na conflict in loods een ander in zijn hartstreek te schieten (art. 287 Sr), medeplegen wegmaken van lijk (art. 151 Sr), aanwezig hebben van cocaïne, MDMA en GHB (art. 2 C Opiumwet) en voorhanden hebben van machinegeweer (art. 26.1 WWM). 1. Noodweer, art. 41.1. Kon hof oordelen dat met vuurwapen schieten op ongewapende tegenstander disproportioneel is? 2. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. Kon hof oordelen dat het “niet aannemelijk is geworden” dat dreigende aanranding bij verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt? 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 12 jaren). Verweer dat bij strafoplegging in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met reeks door verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. 4. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep. Is 16-maandentermijn of 2-jaarstermijn van toepassing, nu verdachte zich i.v.m. met zaak in voorlopige hechtenis bevond?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/04266 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, verdachte n-o).

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 13 december 2021

    ECLI:NL:RBNHO:2021:11425
  2. Gerechtshof Amsterdam · 11 maart 2025

    ECLI:NL:GHAMS:2025:593

    Overig

  3. Conclusie A-G · 6 oktober 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:969
  4. Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1769

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/00931

Datum 3 november 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2025, nummer 23-003371-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel en ambtshalve

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en negen maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.