Strafrecht overig
Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig
ECLI:NL:HR:2003:AF5094 · Hoge Raad · 8 april 2003
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2003-af5094
Zaakgegevens
Op 8 april 2003 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2003
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 01415/02 P
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2003:AF5094
Procesgang
Hoge Raad · 8 april 2003deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2003:AF5094
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 april 2003
ECLI:NL:PHR:2003:AF5094
Uitspraak
8 april 2003
Strafkamer
nr. 01415/02 P
IV/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 april 2002, nummer 24/000494-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv verblijvende in het Daghuis van bewaring te Arnhem.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 23 mei 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 384.805,--, subsidiair 28 maanden hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij brief van 30 januari 2003 heeft de raadsman het eerste middel en de toelichting op het tweede middel ingetrokken en een nieuwe toelichting gegeven op het tweede middel. De schriftuur en voormelde brief zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, bevat de klacht dat het Hof ten onrechte de bespreking van het verweer dat bepaalde kosten in mindering dienen te worden gebracht bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, niet heeft opgenomen in het verkorte arrest.
3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2002 is aldaar door de raadsman gemotiveerd en gespecificeerd aangevoerd dat door de betrokkene gemaakte kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dienen te worden gebracht.
3.2.2. Genoemd proces-verbaal van de terechtzitting van 28 februari 2002, alwaar het onderzoek opnieuw is aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof, houdt echter tevens in dat de betrokkene niet is verschenen, dat als raadsman aanwezig is mr. R.P.Snorn, advocaat te Heerenveen en voorts dat de raadsman verklaart dat hem door zijn cliënt is medegedeeld dat deze op de hoogte is van de terechtzitting, maar dat hij aldaar niet wenst te verschijnen.
3.2.3. Het proces-verbaal houdt niet als verklaring van de raadsman in dat deze door de niet verschenen betrokkene bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging.
3.3. In een procedure als de onderhavige is art. 279 Sv van overeenkomstige toepassing. Het in die bepaling besloten liggende stelsel moet aldus worden verstaan:
(1) dat de raadsman die
(a) de ter terechtzitting aanwezige betrokkene bijstaat,
(b) ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen betrokkene bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, alle hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, dus met inbegrip van de bevoegdheden bedoeld in art. 331, eerste lid, Sv; in deze gevallen geldt de behandeling van de zaak als een procedure op tegenspraak;
(2) dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen betrokkene bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de betrokkene en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van diens aanwezigheidsrecht of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld; bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek.
Niet uitgesloten is dat op grond van art. 6 EVRM in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld.
3.4. Nu, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, het er in cassatie voor moet worden gehouden dat de raadsman niet bepaaldelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging, terwijl evenmin blijkt van een uitzonderlijk geval als hiervoor onder 3.3 bedoeld, was de raadsman niet bevoegd het woord ter verdediging te voeren en was het Hof niet gehouden op het in het middel bedoelde verweer een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 12 november 2002, LJN AE 9028).
Het middel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 8 april 2003.