Strafrecht overig

HR: Een klaagschrift ex art. 552a Sv is niet-ontvankelijk als het wordt ingediend meer dan drie maanden nadat…

Hoge Raad, 24 augustus 2004

Zaakgegevens

Op 24 augustus 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 augustus 2004
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
02503/03 B
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AP1482
E-mail

Samenvatting

HR: Een klaagschrift ex art. 552a Sv is niet-ontvankelijk als het wordt ingediend meer dan drie maanden nadat de vervolgde zaak is geëindigd.

A-G bespreekt ten overvloede het middel betreffende de gebondenheid van de rechter aan het oordeel van de OvJ dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 24 augustus 2004deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2004:AP1482

  2. Conclusie A-G · 24 augustus 2004

    ECLI:NL:PHR:2004:AP1482

Uitspraak

24 augustus 2004

Strafkamer

nr. 02503/03 B

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Zwolle, zitting houdende te Lelystad, van 17 juli 2003, nummer RK 03/407, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager], geboren [te geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven geldbedrag.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beklag.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 7 maart 2002 is onder [betrokkene 1], broer van de klager, een geldbedrag inbeslaggenomen. Tegen [betrokkene 1] is een vervolging ingesteld. Bij het op tegenspraak gewezen vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 2 juli 2002 is [betrokkene 1] veroordeeld en bij datzelfde vonnis heeft de Rechtbank de bewaring van het vorenbedoelde geldbedrag ten laste van de rechthebbende gelast. Tegen bedoeld vonnis is blijkens door de Advocaat-Generaal ingewonnen informatie geen rechtsmiddel aangewend. Op 26 mei 2003 is namens de klager op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend.

3.2. De Rechtbank heeft miskend dat een ingevolge het tweede lid van art. 552a Sv ingediend klaagschrift niet-ontvankelijk is, ingeval het wordt ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Nu de zaak tegen de broer van de klager is geëindigd op 16 juli 2002 en het klaagschrift is ingediend op 26 mei 2003, had de Rechtbank de klager niet-ontvankelijk behoren te verklaren in zijn beklag. De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

4. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking;

Verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 2004.