Strafrecht overig

Geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar raadsman, art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv. Kan…

Zaakgegevens

Op 15 mei 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 mei 2018
Datum publicatie
15 mei 2018
Zaaknummer
16/06229
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:715
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar raadsman, art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv. Kan rechtsbijstand worden afgeleid uit indienen van appelschriftuur? Bij de stukken bevindt zich een appelschriftuur van mr. A, terwijl niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding aan hem is gezonden. Ttz. in h.b. is noch verdachte noch diens raadsman verschenen. Uit het voorgaande vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift vervat in tweede volzin van art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv, niet is nageleefd. Niet-nakoming ervan moet worden geacht aan geldige behandeling van de zaak ttz. buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 17 april 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:366
  2. Hoge Raad · 15 mei 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:715

Uitspraak

Inhoudsopgave

15 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/06229

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 oktober 2016, nummer 22/000514-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv, niet is nageleefd doordat is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte te zenden.

2.2.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een appelschriftuur van mr. J.J.A. Bosch, voornoemd.

Bij de stukken bevindt zich tevens het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan mr. Bosch is gezonden.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen.

2.3.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv, niet is nageleefd.

Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.

2.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.