Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit bedrijfsmatige hennepteelt van 886 hennepplanten in periode van 22-11-2016 t/m…

Zaakgegevens

Op 23 januari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2024
Datum publicatie
17 januari 2024
Zaaknummer
22/00005
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:43
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit bedrijfsmatige hennepteelt van 886 hennepplanten in periode van 22-11-2016 t/m 12-12-2016 en uit andere strafbare feiten. Maximale duur van gijzeling als 1 strafzaak heeft geleid tot 2 ontnemingsuitspraken. Kon hof de maximale duur van gijzeling bepalen op tezamen 1.698 dagen of had het deze maximale duur moeten beperken tot hooguit 1.080 dagen? HR: Middel slaagt om redenen vermeld in HR:2024:42. HR zal zaak zelf afdoen en duur van gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 982 dagen. In ontnemingszaak met nr. 22/00007 P zal duur van gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, worden bepaald op 98 dagen.

HR bepaalt duur van gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 982 dagen. Samenhang met 22/00007 P en HR:2023:1826 (strafzaak).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 28 november 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:1079
  2. Hoge Raad · 23 januari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:43

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00005 P

Datum 23 januari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2021, nummer 21-002292-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het de duur van de gijzeling betreft, waarbij de Hoge Raad de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, kan bepalen op 982 dagen.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de totale duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in deze ontnemingszaak en in een andere ontnemingszaak, die allebei voortvloeien uit één strafzaak tegen de betrokkene, ten onrechte heeft bepaald op meer dan 1.080 dagen.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/00007 P, ECLI:NL:HR:2024:42.

2.3

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 982 dagen. In de ontnemingszaak die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 22/00007 P zal de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd, worden bepaald op 98 dagen.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen is bepaald;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 982 dagen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2024.