Strafrecht overig

Witwassen van geldbedrag van € 18.950, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting…

Zaakgegevens

Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
12 december 2025
Zaaknummer
23/03006
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1921
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Witwassen van geldbedrag van € 18.950, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatig binnentreden. Verweer dat onvoldoende verdenking bestond om woning binnen te treden o.g.v. art. 96 Sv, art. 359a Sv.

HR: Om redenen vermeld in CAG is verwerping van verweer door hof toereikend gemotiveerd. CAG: Verweer voldoet niet aan eisen die aan art. 359a Sv-verweer worden gesteld, zodat hof niet gehouden was daarop te reageren. Hof heeft verweer ook inhoudelijk op toereikende gronden verworpen. O.g.v. de door hof vastgestelde feiten en omstandigheden is machtiging tot binnentreden ter inbeslagneming o.g.v. art. 96 Sv afgegeven.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 24 juli 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:3019
  2. Conclusie A-G · 4 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1131
  3. Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1921

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03006

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 juli 2023, nummer 22-001780-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat onvoldoende verdenking bestond om de woning binnen te treden op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering.

2.2

De bewezenverklaring, de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, het in het cassatiemiddel bedoelde verweer en de motivering van de verwerping van dat verweer door het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2-3.5.

2.3

De verwerping van het verweer door het hof is – om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9 en 3.10 zijn vermeld – toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt daarom.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van acht weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.