Strafrecht overig
Doodslag door in 2022 in Groningen slachtoffer met vuurwapen in buik te schieten (art. 287 Sr). Vordering…
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1722 · Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1722
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/02231
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1722
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Doodslag door in 2022 in Groningen slachtoffer met vuurwapen in buik te schieten (art. 287 Sr). Vordering benadeelde partij t.a.v. vergoeding van affectieschade. Kan b.p. (uitwonende stiefzoon van slachtoffer) worden aangemerkt als ‘naaste’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW?
HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2026:33 m.b.t. kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, waaronder ‘andere persoon’ die in zodanig nauwe persoonlijke relatie tot slachtoffer staat, dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade.
Schriftelijke onderbouwing van verzoek tot schadevergoeding en daarbij gevoegde brief van b.p. houden o.m. in dat b.p. in 2015 heeft kennisgemaakt met slachtoffer en dat slachtoffer vervolgens in weekend kwam logeren bij b.p. en zijn moeder. Later is slachtoffer bij hen komen wonen. B.p., van wie biologische vader al lange tijd niet meer in beeld was, zag slachtoffer als zijn vader. Slachtoffer was er altijd voor hem en was zijn steun en toeverlaat. Zo heeft slachtoffer hem geholpen tijdens moeilijke periode in zijn leven, waarin b.p. te kampen had met problemen op school, mentale problemen en problemen met drugsgebruik. Door slachtoffer is hij weer op rechte pad gekomen. Nadat b.p. lange tijd had samengewoond met zijn moeder en slachtoffer, is hij 2 maanden voor bewezenverklaard feit op zichzelf gaan wonen. Slachtoffer heeft grote rol gespeeld bij zoeken naar woning door b.p. Nadat hij op zichzelf was gaan wonen, had b.p. veel appcontact met slachtoffer en ging hij in weekend op bezoek bij zijn moeder en slachtoffer. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van b.p. zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op ‘hardheidsclausule’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW en tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 juni 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:3357Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:830Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1722
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/02231
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 juni 2025, nummer 21-005320-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat R. Spoelstra een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van affectieschade van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel wegens het onder 1 bewezenverklaarde. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 9 juli 2022, te Groningen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, voornoemde [slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in de buik geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Aan dit verzoek is een schriftelijke onderbouwing gehecht die onder meer inhoudt:
“Stiefzoon
[benadeelde 1] is de, ten tijde van het ongeval uitwonende en meerderjarige, stiefzoon van het slachtoffer. Ten aanzien van de affectieschade is relevant dat hij ten tijde van het overlijden van zijn stiefvader niet meer viel onder één van de categorieën van naasten als omschreven in art. 6:108 lid 4 sub a t/m f BW.
[benadeelde 1] meent dat hij op grond van het navolgende ten tijde van het overlijden wel in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot zijn stiefvader stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt. Hij vordert vergoeding van affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 sub g BW, de hardheidsclausule. Hij onderbouwt het beroep op de hardheidsclausule als volgt.
Bedoeling wetgever en rechtspraak
De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting bij de invoering van de affectieschade, voor zover hier relevant in zijn algemeenheid, het volgende overwogen.
- ‘Bij de vormgeving van het wetsvoorstel geldt voor mij als belangrijk uitgangspunt dat zo veel mogelijk vermeden moet worden dat de vaststelling van de vergoeding van affectieschade leidt tot langdurige en pijnlijke discussies over de intensiteit van het leed.’
- ‘Bij de vaststelling van de omvang van de bedragen wordt voorts betekenis toegekend aan de aard van de relatie. Het is te rechtvaardigen hogere bedragen toe te kennen indien de gekwetste en de naaste echtgenoten, partners, levensgezellen, ouders en minderjarige of meerderjarige thuiswonende kinderen zijn. In deze (gezins-)gevallen mag een zodanig hechte band worden aangenomen dat voor deze naasten een hoger bedrag op zijn plaats is in vergelijking met de andere tot de kring van gerechtigden behorende naasten. Een dergelijke hogere vergoeding ligt eveneens in de rede indien een naaste een pleegkind is of een persoon die de verzorging en opvoeding van een dergelijk pleegkind op zich heeft genomen.’
- ‘In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend.’
- Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.
Met de formulering van deze hardheidsclausule heeft de wetgever het aan de rechter willen overlaten om in geval tot geval te bepalen of een beroep daarop moet worden gehonoreerd. Op 1 januari 2019 is art. 6:108 in werking getreden en dat betekent dat er inmiddels zo’n vierenhalf jaar aan jurisprudentie voor handen is.
In een artikel in het Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade werd in 2022 een tussentijdse balans opgemaakt aan de hand van die jurisprudentie. Over de hardheidsclausule schrijft de auteur dat daarop met name door broers en zussen een beroep wordt gedaan. Omdat de wetgever die categorie bewust heeft uitgesloten van de kring van gerechtigden, wordt een dergelijk beroep in die gevallen meestal afgewezen.
Dat ligt anders in verhoudingen tussen stiefouders/-kinderen. Wonen zij samen onder één dak ten tijde van de gebeurtenis, dan kan de aanspraak volgens de auteur worden gebaseerd op de e- of f-grond: zorg in duurzaam gezinsverband. Is dat niet meer het geval, dan is alleen nog een beroep op de hardheidsclausule mogelijk.
Voorbeelden van een succesvolle aanspraak op affectieschade in een stiefouder/-kindrelatie vond ik in:
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4640; de rechtbank wees affectieschade toe aan de stiefvader die ‘feitelijk de vader van het slachtoffer was’. Zo zorgde hij, ook financieel, voor het slachtoffer vanaf diens vierde jaar. Uit de hoogte van de affectieschadevergoeding die in deze zaak aan de moeder (BP 1) is toegewezen, concludeer ik dat het slachtoffer c.q. stiefkind reeds uitwonend was ten tijde van het delict.
- ECLI:NL:RBAMS:2021:362; de rechtbank wijst op basis van de hardheidsclausule affectieschade toe aan de stiefvader die ‘haar heeft grootgebracht en opgevoed’. In dezelfde uitspraak wordt de affectieschadeclaim van de (altijd afwezige) biologische vader om die reden afgewezen.
- ECLI:NL:RBGEL:2021:3987; zonder nadere motivering wordt op grond van de hardheidsclausule affectieschade toegewezen aan de stiefvader van het slachtoffer.
- ECLI:NL:RBAMS:2021:909; naast de biologische moeder, vordert ook de stiefmoeder van het slachtoffer met succes vergoeding van affectieschade. De rechtbank benoemt dat het slachtoffer ‘de laatste jaren’ bij stiefmoeder woonde. Op de e-grond (zorg in gezinsverband) wordt affectieschade toegewezen.
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5549; op de e-grond wordt affectieschade toegewezen aan de stiefvader.
Omstandigheden van het geval
Ten tijde van het delict woonde [benadeelde 1] net twee maanden (sinds 1 mei 2023 (de Hoge Raad begrijpt, ook hierna: 1 mei 2022)) op zichzelf. Dat betekent dat [benadeelde 1] geen beroep meer kan doen op de e-grond. Zijn affectieschadeclaim moet worden beoordeeld op basis van de hardheidsclausule.
Daarbij is een hechte affectieve relatie nodig, aldus de wetgever. Uit bovengenoemde rechtspraak kan worden afgeleid dat veel gewicht wordt toegekend aan de rol die een stiefouder heeft gehad in de opvoeding van het stiefkind.
[benadeelde 1] heeft een brief geschreven over de wijze waarop [slachtoffer] in zijn leven is gekomen en de rol die hij door de jaren heen, tot aan zijn overleden, in het leven van [benadeelde 1] heeft gespeeld (bijlage 9).
- In 2015 heeft [benadeelde 1] kennis gemaakt met zijn stiefvader. Nadat deze een relatie kreeg met de moeder van [benadeelde 1] , kwam hij geleidelijk aan meer in het leven van [benadeelde 1] . Op enig moment zijn moeder en stiefvader gaan samenwonen. [benadeelde 1] woonde in die tijd bij zijn moeder.
- In mei 2023 ging [benadeelde 1] voor het eerst op zichzelf wonen. Zijn stiefvader heeft hierin een grote rol gespeeld, zo zocht hij mee naar een passende woning en het op orde krijgen van financiën en een inboedel. Nadat [benadeelde 1] op zichzelf woonde was er nog veel contact via de app en ging hij in het weekend nog vaak op bezoek bij moeder en stiefvader.
- In het verleden heeft [benadeelde 1] de nodige problemen gekend (op school, psychisch, middelengebruik). Stiefvader heeft hem in die tijd geholpen om zijn financiën op orde te krijgen en een vaste baan te bemachtigen.
- De biologische vader van [benadeelde 1] is na zijn derde of vierde levensjaar nooit in beeld geweest. [slachtoffer] heeft die vaderrol wel vervuld, zo schrijft [benadeelde 1] .
Had [benadeelde 1] ten tijde van het incident nog bij moeder en stiefvader gewoond, dan was zijn affectieschadeclaim gegrond op de e-grond. De hechte relatie was dan gegeven. Die nauwe affectieve relatie is niet in twee maanden (na de verhuizing) verdwenen. Dat blijkt wel uit de brief die [benadeelde 1] heeft geschreven.
Er zijn daarmee voldoende concrete omstandigheden om de affectieschade op basis van de hardheidsclausule toe te wijzen. Conform besluit vordert cliënt € 17.500.”
De bij de schriftelijke onderbouwing gevoegde bijlage 9 houdt in:
“in 2015 kwam ik [slachtoffer] voor t eerst te zien.
Ik weet nog wel dat mijn moeder mij toen mee nam naar zijn huis om mij te voorstellen en hij aan mij. ook werd [betrokkene 2] toen voor het eerst aan mij voorgesteld.
In 2015 heb ik voor het eerst contact gehad met [slachtoffer] en vervolgens kwam hij in het begin weekends langs om te logeren bij mijn moeder en mij en naar een wat langere tijd logeren kwam hij uit eindelijk bij ons in wonen
2015 - tot het overlijden in 2022.
Na een lange tijd samen te hebben gewoond met mijn ouders (Moeders, [slachtoffer] ) heb ik de stap gemaakt om op 01-05-2023 op mij zelf te gaan.
Vanaf het begin al hielp de familie mij met zaken op orde krijgen zoals financien en inboedel. [slachtoffer] heeft lang met mij gezocht naar woningen en heeft hierin een grote rol gespeeld. Ik was een langere tijd opzoek naar iets voor mij zelf.
En ik herinner mij nog goed dat [slachtoffer] altijd advertenties door stuurde of wanneer ik thuis kwam met mij praatte over woningen.
Hierbij heeft hij mij aangestuurd en geholpen op betrekking voor het op mij zelf wonen.
De relatie die vervolgens tussen ons speelde was veel contact via app en weekends op bezoek bij mij ouders.
Ik was nog maar even op mij zelf aan het wonen toen het incident in Groningen plaats vondt.
Ik heb in het verleden veel problemen gehad op school, ook opleidingen niet afmaken door mentale problemen.
Dit was een hele moeilijke periode in mijn leven waarbij het niet goed met mij ging. Ik was depressief, (boos en soms agressief). Ook had ik problemen met drugsgebruik.
Hij heeft mij hierbij veel geholpen door veel met mij te praten en zoals helpen met zorgvuldig opleiding kiezen, mijn werk, waardoor ik nu bijna een vaste baan heb en bij mijn financien. [slachtoffer] was er voor altijd voor mij, door [slachtoffer] ben ik weer op het rechte pad gekomen. [slachtoffer] was mijn steun en toe verlaat.
En nu door alles wat ik nu heb mee gemaakt heb ik hem weer harder nodig en dit is niet meer mogelijk. Niet alleen ik lijd hier onder maar de hele familie we steunen elkaar zoveel mogelijk maar ook hier heb ik nu weer een mentale klap van gekregen. Momenteel is alles lastig en werkdagen duren erg lang ook zie ik nu opnieuw weer een psyholoog om dit allemaal te verwerken.
Mijn biologische vader is nooit in beeld geweest na mijn 3e of 4e voor zolang ik mij herinner ben ik opgegroeid met mijn moeders kant van de familie en uit eindelijk heeft [slachtoffer] de vader rol overgenomen.
En ik zag hem ook als mijn vader.
[slachtoffer] was er altijd voor mij en heeft mij met veel dingen gesteund. Ook school, auto en mentale problemen stond [slachtoffer] altijd voor mij klaar.
Ik heb de verhuizing van ons nog samen met hem veel stenen gelegd en opgeruimd. Ook hielp ik [slachtoffer] soms met Taxi spelen en hulp voor digitale dingen.
Er is een langere periode ging het super leuk als familie en hebben wij zelfs een vakantie mogen ervaren in Turkije we waren een familie en dat is nu kapot.
Op dit moment mis ik [slachtoffer] ontzettend.
Mijn moeder was gelukkig en daarom kon ik met een gerust hart des tijds het huis verlaten om de stap te zetten om op mij zelf te gaan.
Kort nadat ik op mijzelf ben gaan wonen heeft [slachtoffer] mij nog met werk, woning, en advies geholpen.
Kort hierna is [slachtoffer] overleden door het incident in Groningen en mis hem nog altijd heel veel.
Het had nooit mogen gebeuren en nu niet alleen mis ik mijn vader figuur maar is mijn moeder ook weer alleen.
Dit zorgt op dit moment ook voor veel stress en problemen aan de mentaliteit.”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 13 mei 2025 hebben de raadslieden van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Niet ontvankelijkheid wegens onevenredige belasting van het rechtsgeding ex artikel 361 lid 3 Sv jo. artikel 6 lid 1 EVRM
Subsidiair verzoeken wij Uw Hof om alle vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding.
Volgens het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 over de behandeling van vorderingen van benadeelde partijen in het strafproces moet de bepaling van art. 361 lid 3 Sv, mede in het licht van art. 6 lid 1 EVRM aldus worden uitgelegd ‘dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering.
In deze zaak hebben we te maken met verschillende benadeelde partijen die zich allen op het standpunt stellen dat zij schade hebben geleden en daartoe ook schadeposten hebben ingediend.
Maar er zijn een aantal factoren die de vordering complex maken. (...)
Bovendien wordt er (affectie)schade gevorderd door personen die op grond van de wet daarvoor strikt genomen niet in aanmerking komen en waarbij een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 6:108 BW wordt gedaan. Maar ook de beoordeling daarvan gaat te ver in dit strafproces. Er dient dan namelijk in kaart te worden gebracht in hoeverre die persoon ten tijde van het overlijden een zodanige nauwe persoonlijke relatie heeft tot de overledene, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 3 als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade wordt aangemerkt. De beoordeling daarvan gaat in dit strafproces te ver en levert een onevenredige belasting voor het strafgedicht op.
Gelet op het voorgaande verzoeken wij u om alle vorderingen benadeelde partij vanwege de individuele complexiteit en omvangrijkheid maar ook de complexiteit van het geheel aan vorderingen, niet-ontvankelijk te verklaren.
(...)
[benadeelde 1] (stiefzoon)
De stiefzoon van client heeft een bedrag van 17.500 euro gevorderd aan affectieschade. Wij verzoeken u om ook deze vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat stiefzonen niet vallen onder één van de categorieën die aanspraak kunnen maken op affectieschade conform artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Daar kunnen we kort over zijn. Dan is het de vraag of de hardheidsclausule van toepassing is. De onderbouwing daarvan is onze ogen te summier om aan te nemen dat er sprake is van een nauwe affectieve relatie. Uit bijlage 9 volgt dat de benadeelde in 2015 kennis heeft gemaakt met [slachtoffer] en dat hij “op enig moment” bij hen in huis kwam wonen. Wanneer dat is geweest en in hoeverre die periode dan heeft bijgedragen aan het ontstaan van een nauwe en affectieve relatie, is niet beschreven.”
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade (in verband met een geslaagd beroep van de verdachte op “eigen schuld” van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 BW:) gedeeltelijk toegewezen en daartoe overwogen:
“Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde hebben de volgende personen zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
(...)
5. [benadeelde 1] (stiefzoon van [slachtoffer] )
De vordering bedraagt een bedrag van € 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
(...)
5. [benadeelde 1] (stiefzoon van [slachtoffer] )
Immateriële schade
In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt een beperkte limitatief opgesomde kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Een stiefzoon maakt geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komt dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij de stiefzoon ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek als naaste wordt aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek, de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
De advocaat van de benadeelde partij heeft concreet gesteld en onderbouwd dat sprake was van een hechte affectieve relatie tussen de overledene en de stiefzoon. Het hof is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de verdediging het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van de relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen.
Het voorgaande betekent dat de vordering van [benadeelde 1] wordt toegewezen tot het bedrag van € 17.500,00 x 90% = € 15.750,00. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Het hof zal het overige deel van de vordering afwijzen.”
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 lid 1 en 2 en artikel 6:108 lid 1, 3 en 4 BW:
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:
a. (...)
b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.
2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;
b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;
f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
(...)
3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.
4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;
b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;
f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”
De geschiedenis van de hiervoor genoemde wet van 11 april 2018 houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“4. Affectieschade
(...)
Met de vastlegging van het recht in de wet kan uitdrukking worden gegeven aan het feit dat ernstig letsel of het overlijden van een naaste door de verwanten als een ernstig verlies wordt ervaren. De affectieve relatie tussen naasten brengt mee dat deze naasten niet slechts hun verdriet moeten dragen, maar ook moeten meemaken dat zij hun leven opnieuw moeten inrichten. De introductie van het recht op vergoeding van affectieschade heeft in de eerste plaats tot doel erkenning te verschaffen van het door naasten ondervonden leed. (...)
Het tweede lid [van artikel 6:107 BW] bepaalt de kring van personen die recht op vergoeding van affectieschade hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat die kring wordt beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer voor deze personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is. In dat geval zou, gelet op de primaire functie van het recht op vergoeding van affectieschade, de waarde van de daarin gelegen erkenning van het geleden verlies door het recht in de praktijk sterk kunnen devalueren.
(...)
De categorieën in de onderdelen e en f betreffen gevallen waarin een zorgrelatie in gezinsverband bestaat, waarbij eveneens met het oog op het verzekeren van een voldoende nauwe band wordt vereist dat deze zorgrelatie een duurzaam karakter heeft. In die gevallen kan ervan worden uitgegaan dat de feitelijke situatie en de intensiteit van de persoonlijke betrekking dermate vergelijkbaar zijn met die in de gevallen genoemd in de onderdelen a tot en met d, dat gelijkstelling in het kader van deze bepaling op haar plaats is. Te denken valt aan gevallen waarin de zorg voor een kleinkind duurzaam in het gezin van een grootouder plaatsvindt en gevallen van duurzame zorg voor een kind door pleegouders. Ook hier geldt dat er bewust van is afgezien een vaste, in een aantal jaren of maanden uitgedrukte termijn te bepalen. Of sprake is van zorg in gezinsverband zal in het algemeen eenvoudig uit de feitelijke situatie van betrokkenen kunnen worden afgeleid, zodat de toepassing van de bepaling in de praktijk niet tot grote problemen zal leiden. (...)
In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. (...) Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”
(Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3, p. 3 en 13-15.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Stief- en pleegkinderen zijn te begrijpen onder «degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft» (onderdeel f van de artikelen 6:107, tweede lid (nieuw) en artikel 6:108, vierde lid (nieuw)). Betreft het stief- en pleegkinderen die niet langer in gezinsverband met de gekwetste leven, dan komt hen mogelijk een beroep toe op onderdeel g van voornoemde artikelleden: uit de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat zij als naaste respectievelijk nabestaande in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt. Te denken is aan meerderjarige stief- en pleegkinderen die een relatie hebben met de gekwetste die vergelijkbaar is met de relatie van de gekwetste tot zijn andere kinderen.”
(Kamerstukken II 2015/16, 34257, nr. 6, p. 27.)
- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «nauwe persoonlijke relatie» (artikel 6:107 lid 2, onder g en artikel 6:108 lid 4, onder g, van het wetsvoorstel). Zij vragen of halfbroers en -zussen hiertoe bijvoorbeeld ook behoren.
In voornoemde voorgestelde artikelonderdelen is kort gezegd opgenomen dat de persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overleden persoon, gerechtigd is tot de vergoeding van affectieschade. Dit betreft een hardheidsclausule, waarop in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.
(...)
Het wetsvoorstel bevat een «gesloten regeling». Het gaat uit van een vaste groep van gerechtigden en van vaste bedragen. Dat voorkomt dat eenvoudig tot een oprekking van de regeling kan worden overgegaan. In een bijzonder geval kan evenwel beroep worden gedaan op een hardheidsclausule: een persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overledene kan op grond van de redelijkheid en billijkheid als naaste in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt, en daarmee als gerechtigde tot de vergoeding van affectieschade (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals deze komen te luiden ingevolge het wetsvoorstel). Hierdoor kan in een uitzonderlijk geval een andere naaste voor de vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De desbetreffende nauwe persoonlijke relatie moet worden aangetoond door de naaste. In voorkomende gevallen oordeelt de rechter uiteindelijk of aan die voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht daarom in dit geval geen eenvoudige oprekking van de regeling.”
(Kamerstukken I 2016/17, 34257, C, p. 6-7.)
- de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“In uitzonderlijke gevallen kan een nauwe persoonlijke relatie met de gekwetste ook rechtvaardigen dat een naaste recht heeft op de vergoeding van affectieschade op grond van de hardheidsclausule (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g BW zoals voorgesteld). Het is aan de naaste om deze nauwe persoonlijke betrekking aannemelijk te maken. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking is biologische verwantschap niet vereist. Biologische verwantschap kan bij de vraag of hiervan sprake is wel van belang zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden te wegen en te beslissen op de aanspraak op vergoeding van affectieschade. Een voorbeeld van een beroep op de hardheidsclausule van voornoemde artikelonderdelen is de situatie van twee broers die hun leven lang samenwonen en voor elkaar zorgen. Wordt één van hen het slachtoffer van een ongeval, dan kan de ander aanspraak maken op de vergoeding van affectieschade, omdat hun nauwe persoonlijke relatie dat rechtvaardigt.”
(Kamerstukken I 2017/18, 34257, E, p. 5.)
Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies.
Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
(Vgl. HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.)
De schriftelijke onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en de daarbij gevoegde brief van de benadeelde partij houden onder meer het volgende in. De benadeelde partij heeft in 2015 kennisgemaakt met het slachtoffer en vervolgens kwam het slachtoffer in het weekend logeren bij de benadeelde partij en zijn moeder. Later is het slachtoffer bij hen komen wonen. De benadeelde partij, van wie de biologische vader al lange tijd niet meer in beeld was, zag het slachtoffer als zijn vader. Het slachtoffer was er altijd voor hem en was zijn steun en toeverlaat. Zo heeft het slachtoffer hem geholpen tijdens een moeilijke periode in zijn leven, waarin de benadeelde partij te kampen had met problemen op school, mentale problemen en problemen met drugsgebruik. Door het slachtoffer is hij weer op het rechte pad gekomen. Nadat de benadeelde partij een lange tijd had samengewoond met zijn moeder en het slachtoffer, is hij twee maanden voor het bewezenverklaarde feit op zichzelf gaan wonen. Het slachtoffer heeft een grote rol gespeeld bij het zoeken naar een woning door de benadeelde partij. Nadat hij op zichzelf was gaan wonen, had de benadeelde partij veel appcontact met het slachtoffer en ging hij in het weekend op bezoek bij zijn moeder en het slachtoffer.
Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de ‘hardheidsclausule’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW rechtvaardigen. In het licht van de onder 3.3 weergegeven wetsgeschiedenis en tegen de achtergrond van wat onder 3.4 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt.
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.