Strafrecht overig

Medeplegen (voorbereidingshandelingen) invoer van cocaïne (art. 2.A en 10a Opiumwet), medeplegen…

Hoge Raad, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
25/00643
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1735
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen (voorbereidingshandelingen) invoer van cocaïne (art. 2.A en 10a Opiumwet), medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr), deelneming aan criminele drugsorganisatie (art. 11b Opiumwet) en medeplegen bedreiging (art. 285.1 Sr). 1. Art. 63 Sr en Unierecht, niet analoog toepassen van art. 63 Sr op eerdere veroordeling in België. Kon hof oordelen dat art. 63 Sr niet van toepassing is op buitenlandse vonnissen? 2. Verzoek om prejudiciële vraag te stellen aan HvJ EU over uitleg van art. 3.5 Kaderbesluit 2008/675/JBZ.

Ad 1. Uit art. 63 (oud) en 57.2 Sr volgt dat als iemand, nadat hem in eerdere procedure een gevangenisstraf is opgelegd voor strafbaar feit, in volgende procedure schuldig wordt verklaard aan ander strafbaar feit dat hij vóór eerdere strafoplegging heeft gepleegd, rechter in elk geval niet langere gevangenisstraf kan opleggen dan wanneer feiten gezamenlijk zouden zijn behandeld en dus tot 1 rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid. In zoverre wordt rechter in tweede procedure in zijn straftoemetingsvrijheid beperkt.

Als bij buitenlandse rechterlijke beslissing aan verdachte straf is opgelegd, levert die strafoplegging niet veroordeling op a.b.i. art. 63 Sr. Rechter hoeft voor toepassing van art. 63 Sr dus alleen acht te slaan op eerdere strafoplegging door Nederlandse strafrechter. Totstandkoming van Kaderbesluit en implementatie daarvan in Nederlandse wetgeving heeft daarin geen verandering gebracht. Aan Kaderbesluit ligt als uitgangspunt ten grondslag dat gevolgen die aan veroordelingen uit andere lidstaten worden verbonden, gelijkwaardig moeten zijn aan gevolgen die (overeenkomstig nationaal recht) aan eerdere nationale veroordelingen verbonden worden. O.g.v. uitzonderingsbepaling van art. 3.5 Kaderbesluit zijn lidstaten echter niet ertoe verplicht nationale voorschriften over opleggen van straffen toe te passen wanneer toepassing op in andere lidstaat uitgesproken veroordelingen voor rechter een beperking zou inhouden bij opleggen van straf in nieuwe procedure. Dat hangt ermee samen dat Kaderbesluit niet harmonisatie tot stand beoogt te brengen wat betreft gevolgen die door verschillende nationale wetgevingen van lidstaten aan bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden. Met Kaderbesluit wordt verscheidenheid aan nationale oplossingen en procedures geëerbiedigd die nodig is om rekening te kunnen houden met eerdere veroordeling in andere lidstaat.

Daarom is het niet onverenigbaar met Kaderbesluit dat art. 63 Sr Nederlandse rechter niet verplicht om op de in die bepaling aangegeven manier rekening te houden met veroordelingen uit andere lidstaten. Bij implementatie van Kaderbesluit is daarvoor ook niet gekozen. Daaraan ligt mede overweging ten grondslag dat er verschillen bestaan tussen lidstaten in strafklimaat en tussen de in lidstaten geldende regelingen voor vervroegde en/of voorwaardelijke invrijheidstelling. Om die reden is (gevangenis)straf die in andere lidstaat wordt opgelegd, niet z.m. gelijk te stellen met (gevangenis)straf die in vergelijkbare situatie en voor eenzelfde duur door Nederlandse rechter zou zijn opgelegd.

Uit arrest HvJ EU (EU:C:2023:5) volgt niet dat uitzonderingsbepaling van art. 3.5 Kaderbesluit alleen geldt als bij toepassing van art. 63 Sr in aanmerking nemen van de in andere lidstaat opgelegde straf ertoe zou leiden dat geen “uitvoerbare” straf kan worden opgelegd. Strekking en tekst van Kaderbesluit geven ook geen steun aan die opvatting. Wel moet nationale rechter o.g.v. art. 3.5 (tweede alinea) Kaderbesluit de mogelijkheid worden geboden om eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen in aanmerking te nemen, zonder dat concreet manier waarop dat gebeurt wordt voorgeschreven. In dit opzicht bestaat er voor Nederlandse rechter ook geen beperking, nu hij (zonder dat hij is gebonden aan art. 63 Sr) bij strafoplegging rekening kan houden met in buitenland opgelegde straffen. Als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen dat ertoe strekt dat rechter, met het oog op evenredige straftoemeting, rekening zou moeten houden met een in buitenland aan verdachte opgelegde straf, moet rechter als hij hiervan afwijkt dit motiveren. Die motivering kan in cassatie op begrijpelijkheid worden getoetst.

’s Hofs oordeel dat art. 63 Sr “niet van toepassing is in geval van buitenlandse vonnissen”, getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting. Hof heeft vervolgens in de in buitenland voor soortgelijke feiten aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geen aanleiding gezien tot matiging van de aan verdachte op te leggen straf, omdat daaruit eerdere betrokkenheid van verdachte bij drugsfeiten blijkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Nu al o.g.v. hiervoor genoemde rechtspraak van HvJ EU kan worden bepaald wat betekenis is van art. 3.1 en 3.5 Kaderbesluit voor toepassing van art. 63 Sr en mogelijkheid van betrekken van de in andere lidstaat uitgesproken veroordeling voor straftoemeting, ziet HR geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vraag.

Volgt verwerping. Samenhang met 25/00711.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 februari 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:446
  2. Conclusie A-G · 18 augustus 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:751
  3. Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1735

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/00643

Datum 27 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 februari 2025, nummer 20-000603-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet van toepassing is op buitenlandse vonnissen. In dat verband doet het cassatiemiddel een beroep op artikel 3 van het Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PbEU 2008, L 220/32, hierna: het Kaderbesluit).

3.2

Het hof heeft over de straftoemeting onder meer overwogen:

“Door de raadsman is naar voren gebracht dat het feit dat de verdachte in België een lange gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen straf mitigerend zou moeten werken op de bestraffing in de voorliggende zaak in het licht van artikel 63 Sr. Het hof volgt deze redenering niet. Het hof merkt op dat artikel 63 Sr niet van toepassing is in het geval van buitenlandse vonnissen. Het feit dat de verdachte in het buitenland eveneens voor soortgelijke feiten is bestraft tot een lange gevangenisstraf duidt erop dat de verdachte niet alleen in Nederland betrokken is bij ernstige drugsfeiten. Dit gegeven leidt naar het oordeel van het hof niet tot strafvermindering in deze zaak. Integendeel, het bevestigt het beeld dat de verdachte zich internationaal bezig houdt met drugsfeiten. Het hof heeft dit aspect derhalve niet in straf verhogende of straf verminderende zin meegenomen bij de beoordeling van de hoogte van de straf.”

3.3

Artikel 3 lid 1 en 5 Kaderbesluit luidt:

“1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf.

5. Indien het strafbare feit waarover de nieuwe procedure wordt gevoerd, gepleegd is voordat de eerdere veroordeling is uitgesproken of volledig ten uitvoer is gelegd, hebben de leden 1 en 2 niet tot gevolg dat vereist wordt dat lidstaten hun nationale voorschriften betreffende het opleggen van straffen toepassen, wanneer het toepassen van die voorschriften op in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen voor de rechter een beperking zou inhouden bij het opleggen van een straf in de nieuwe procedure.

De lidstaten zien er evenwel op toe dat eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen door rechters in dergelijke gevallen anderszins in aanmerking kunnen worden genomen.”

3.4.1

Uit artikel 63 (oud) Sr – welke bepaling op het hier aan de orde zijnde punt niet verschilt van het huidige artikel 63 Sr – en artikel 57 lid 2 Sr volgt dat als iemand, nadat hem in een eerdere procedure een gevangenisstraf is opgelegd voor een strafbaar feit, in een volgende procedure schuldig wordt verklaard aan een ander strafbaar feit dat hij vóór die eerdere strafoplegging heeft gepleegd, de rechter in elk geval niet een langere gevangenisstraf kan opleggen dan wanneer de feiten gezamenlijk in één procedure zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid. De maximaal nog op te leggen gevangenisstraf wordt daardoor in die tweede procedure begrensd door de duur van de gevangenisstraf die in de eerdere procedure is opgelegd. In zoverre wordt de rechter in die tweede procedure in zijn straftoemetingsvrijheid beperkt.
Als bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan de verdachte straf is opgelegd, levert die strafoplegging niet een veroordeling op als bedoeld in artikel 63 Sr. De rechter hoeft voor de toepassing van artikel 63 Sr dus alleen acht te slaan op eerdere strafoplegging door de Nederlandse strafrechter. De totstandkoming van het Kaderbesluit – en de implementatie daarvan in de Nederlandse wetgeving – hebben daarin geen verandering gebracht. Dat houdt verband met het volgende.

3.4.2

Aan het Kaderbesluit ligt als uitgangspunt ten grondslag dat de gevolgen die aan veroordelingen uit andere lidstaten worden verbonden, gelijkwaardig moeten zijn aan de gevolgen die – overeenkomstig het nationale recht – aan eerdere nationale veroordelingen verbonden worden. Dat uitgangspunt komt onder meer tot uitdrukking in artikel 3 lid 1 Kaderbesluit. Op grond van de uitzonderingsbepaling van artikel 3 lid 5 Kaderbesluit zijn de lidstaten echter niet ertoe verplicht hun nationale voorschriften over het opleggen van straffen toe te passen wanneer die toepassing op in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen voor de rechter een beperking zou inhouden bij het opleggen van een straf in een nieuwe procedure. Dat niet zo’n verplichting in het Kaderbesluit is opgenomen, hangt ermee samen dat het Kaderbesluit niet een harmonisatie tot stand beoogt te brengen wat betreft de gevolgen die door de verschillende nationale wetgevingen van de lidstaten aan het bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden. Met het Kaderbesluit wordt de verscheidenheid aan nationale oplossingen en procedures geëerbiedigd die nodig is om rekening te kunnen houden met een eerdere veroordeling in een andere lidstaat.
Gelet op het vorenstaande is het niet onverenigbaar met het Kaderbesluit dat artikel 63 Sr de Nederlandse rechter niet verplicht om op de in die bepaling aangegeven manier rekening te houden met veroordelingen uit andere lidstaten. Bij de implementatie van het Kaderbesluit is door de Nederlandse wetgever ook niet gekozen voor zo’n verplichting. Daaraan ligt – in lijn met de hiervoor weergegeven strekking van artikel 3 lid 5 Kaderbesluit – mede de overweging ten grondslag dat er verschillen bestaan tussen de lidstaten in strafklimaat en, daarmee verbonden, tussen de in de lidstaten geldende regelingen voor vervroegde en/of voorwaardelijke invrijheidstelling. Om die reden is een (gevangenis)straf die in een andere lidstaat wordt opgelegd, niet zonder meer gelijk te stellen met een (gevangenis)straf die in een vergelijkbare situatie en voor eenzelfde duur door een Nederlandse rechter zou zijn opgelegd.

3.4.3

In het cassatiemiddel wordt, met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een hoofdstraf)), betoogd dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3 lid 5 Kaderbesluit alleen dan geldt als bij de toepassing van artikel 63 Sr het in aanmerking nemen van de in een andere lidstaat opgelegde straf ertoe zou leiden dat geen ‘uitvoerbare’ straf kan worden opgelegd. Het genoemde arrest van het Hof van Justitie geeft echter geen steun aan die opvatting. Het ging in de betreffende zaak om een verdachte die in 2022 in Duitsland terechtstond voor een feit dat was gepleegd op 10 oktober 2003, terwijl de verdachte daarna in Frankrijk meermaals was veroordeeld voor andere feiten tot in totaal meer dan vijftien jaren gevangenisstraf. Als die tussentijdse veroordelingen niet door een Franse, maar door een Duitse rechter zouden zijn uitgesproken, zou dit – in het Duitse rechtssysteem – hebben betekend dat aan de verdachte voor het feit van 10 oktober 2003 nog wel een straf had kunnen worden opgelegd, maar dat die straf niet meer in een nog ‘uitvoerbare’ strafoplegging had geresulteerd omdat het in Duitsland geldende strafmaximum van vijftien jaren gevangenisstraf al was tenuitvoergelegd. Tegen die achtergrond overwoog het Hof van Justitie dat artikel 3 Kaderbesluit niet verplicht om aan de veroordelingen die eerder in een andere lidstaat wegens andere feiten tegen een verdachte zijn uitgesproken rechtsgevolgen te verbinden die gelijkwaardig zijn aan de rechtsgevolgen van eerdere nationale veroordelingen, als, kort gezegd, dit ertoe zou leiden dat het de nationale rechter bij wie die procedure aanhangig is gemaakt, verhindert aan de betrokkene een ‘uitvoerbare’ straf op te leggen. Uit deze uitspraak volgt dus niet dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3 lid 5 Kaderbesluit slechts geldt als anders (in het geheel) geen ‘uitvoerbare’ straf kan worden opgelegd. De strekking en de tekst van het Kaderbesluit geven ook geen steun aan die opvatting.

3.4.4

Het voorgaande doet er niet aan af dat op grond van artikel 3 lid 5, tweede alinea, Kaderbesluit de nationale rechter de mogelijkheid moet worden geboden om eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen in aanmerking te nemen, zonder dat concreet de manier waarop dat gebeurt wordt voorgeschreven. In dit opzicht bestaat er voor de Nederlandse rechter ook geen beperking, nu hij – zonder dat hij is gebonden aan artikel 63 Sr – bij de strafoplegging rekening kan houden met in het buitenland opgelegde straffen. Als in feitelijke instantie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen dat ertoe strekt dat de rechter, met het oog op een evenredige straftoemeting, rekening zou moeten houden met een in het buitenland aan de verdachte opgelegde straf, moet de rechter als hij hiervan afwijkt dit motiveren. Die motivering kan in cassatie op begrijpelijkheid worden getoetst.

3.5

Het oordeel van het hof dat artikel 63 Sr “niet van toepassing is in het geval van buitenlandse vonnissen”, getuigt – gelet op wat onder 3.4.1 en 3.4.2 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft vervolgens in de in het buitenland voor soortgelijke feiten aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf geen aanleiding gezien tot matiging van de aan de verdachte op te leggen straf, omdat daaruit eerdere betrokkenheid van de verdachte bij drugsfeiten blijkt. Dat oordeel is – ook gelet op wat onder 3.4.4 is overwogen – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.6

De toelichting op het cassatiemiddel bevat het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 3 lid 5 Kaderbesluit. Nu al op grond van de onder 3.4 aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie kan worden bepaald wat de betekenis is van artikel 3 lid 1 en 5 Kaderbesluit voor de toepassing van artikel 63 Sr en de mogelijkheid van het betrekken van de in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling voor de straftoemeting, ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor het stellen van een prejudiciële vraag.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en acht maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.

Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, overweging 3.6. Vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198, overweging 3.2. Vgl. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306, overweging 2.5. HvJ EU 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 50-51. Vgl. HvJ EU 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 55. Vgl. HvJ EU 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 64-66 en 70. Vgl. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306, overweging 2.4. HvJ 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 10-15. HvJ 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 22-24. HvJ 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 72. HvJ 12 januari 2023, C-583/22, ECLI:EU:C:2023:5 (MV (Vaststelling van een totaalstraf)), overweging 71, 76-77 en 79. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:306, overweging 2.5.