Strafrecht overig

Moord op zakenpartner, art. 289 Sr. 1. Vordering benadeelde partij t.z.v. materiële schade wegens gederfd…

Hoge Raad, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
25/02378
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1752
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Moord op zakenpartner, art. 289 Sr. 1. Vordering benadeelde partij t.z.v. materiële schade wegens gederfd levensonderhoud en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Kon hof oordelen dat vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud toewijsbaar is tot € 278.3452? 2. Vordering b.p. t.z.v. materiële schade wegens “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” (art. 6:96.2.b BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2009:BG8781 over verplichting tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud. In geval als dit, waarin het gaat om vordering van echtgenote van slachtoffer tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, komt het bij beoordeling van vraag welk inkomen het slachtoffer in hypothetische situatie zonder zijn overlijden in toekomst zou hebben verdiend, aan op wat redelijkerwijs te verwachten is over toekomstige ontwikkelingen m.b.t. inkomen zoals slachtoffer dat op moment van zijn overlijden genoot.

Aan vordering b.p. tot vergoeding van gederfd levensonderhoud ligt door belastingconsulent van b.p. opgestelde berekening ten grondslag die tot uitgangspunt neemt dat slachtoffer in hypothetische situatie zonder zijn overlijden, nog gedurende 12 jaren tot aan zijn pensioen jaarlijks eenzelfde inkomen uit onderneming zou hebben gehaald als in jaar voor zijn overlijden. Namens verdachte is betwist dat inkomen dat slachtoffer laatstelijk met onderneming heeft verdiend, ook in toekomst had kunnen worden uitbetaald, waarbij o.m. erop is gewezen dat (i) onderneming in jaren voor overlijden van slachtoffer verlies maakte, (ii) omzetprognose over 2018 daling liet zien t.o.v. jaren ervoor, en (iii) ontwikkelingen op AI-gebied de omzetprognose van onderneming verder zouden hebben verslechterd. Daarbij is betoogd dat, met het oog op beoordeling van vraag welk inkomen in het licht van deze omstandigheden het slachtoffer in hypothetische situatie zonder zijn overlijden in toekomst zou hebben verdiend, nader onderzoek nodig is naar levensvatbaarheid van onderneming.

Hof heeft geoordeeld dat, wat betreft gederfd inkomen uit onderneming, ervan moet worden uitgegaan dat slachtoffer in hypothetische situatie zonder zijn overlijden, tot aan zijn pensionering jaarlijks eenzelfde inkomen zou hebben gehaald als in jaar voor zijn overlijden. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat het gaat om “relatief beperkte periode van 12 jaar” en dat verdachte, b.p. en belastingconsulent van onderneming zich optimistisch hebben getoond wat betreft levensvatbaarheid van onderneming. Hof heeft daarmee oordeel over gederfde inkomsten uit onderneming ontoereikend gemotiveerd, gelet op wat door verdediging is aangevoerd over meerdere onzekere factoren t.a.v. stabiliteit van inkomsten van onderneming over volledige periode van 12 jaren. ’s Hofs daarop voortbouwende oordeel dat, uitgaande van jaarlijks gelijkblijvend inkomen uit onderneming, vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud toewijsbaar is tot € 278.345, is daarmee niet z.m. begrijpelijk. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901).

Ad 2. Door b.p. gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid komen o.g.v. art. 6:96.2.b BW voor vergoeding in aanmerking v.zv.: (i) “condicio sine qua non-verband” bestaat tussen onrechtmatige gedraging van verdachte en kosten; (ii) kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien aard van aansprakelijkheid en van schade, aan verdachte kunnen worden toegerekend; (iii) het in gegeven geval redelijk was om, i.v.m. onderzoek naar mogelijke gevolgen van die gebeurtenis, deskundige bijstand in te roepen; en (iv) daartoe gemaakte kosten redelijk zijn (vgl. HR:2025:1681).

’s Hofs oordeel dat het gaat om kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid a.b.i. art. 6:96.2.b BW is in het licht van betwisting namens verdachte niet z.m. begrijpelijk, nu niet uit omschrijving op facturen en ook niet uit toelichting van b.p. kan worden afgeleid dat t.a.v. totaalbedrag van die facturen van dergelijke kosten sprake is. Daarom kan ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand blijven.

Volgt (partiële) vernietiging en verwijzing t.a.v. vordering b.p. t.z.v. gederfd levensonderhoud en “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” en oplegging van schadevergoedingsmaatregel. CAG: anders t.a.v. gederfd levensonderhoud. Vervolg op HR:2024:644.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:557
  2. Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1752

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/02378

Datum 27 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 mei 2025, nummer 22-001511-24, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat P.G.J.M. Boonen een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd:

- tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 302.448,83 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer is opgelegd en (ii) wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan deze schadevergoedingsmaatregel;

- tot bepaling dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 296.227,60 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de staat is opgelegd voor dat bedrag;

- tot bepaling dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van ten hoogste 350 dagen kan worden toegepast;

- tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij van een bedrag van € 6.221,23 voor “Kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” opnieuw wordt berecht en afgedaan en

- tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Wat aan deze uitspraak voorafging

De verdachte is bij arrest van 21 april 2022 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor de moord op 3 augustus 2018 op [slachtoffer] , de zakenpartner van de verdachte. Het hof heeft toen de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , de echtgenote van het slachtoffer, toegewezen ten aanzien van onder meer de post gederfd levensonderhoud (€ 339.345) en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

In zijn arrest van 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof onder meer wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak in zoverre teruggewezen.

Na terugwijzing van de zaak heeft het hof bij arrest van 14 mei 2025 de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk – ten aanzien van onder meer de post gederfd levensonderhoud (€ 278.345) – toegewezen en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van materiële schade van de benadeelde partij wegens gederfd levensonderhoud en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

3.2.1

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij van 23 oktober 2019 met bijlagen. Dat verzoek houdt onder meer in:

“Materiële schade
(…)

Gederfd levensonderhoud [Bedrag] 339.345 [Bijlage] 1 t/m 8.”

3.2.2

De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde toelichting houdt onder meer in:

“Materiele schade
Wijlen [slachtoffer] was de kostwinner thuis. De holding van [slachtoffer] was gezond. Jaarlijks werd een salaris van 90.000,-- (bruto) uitgekeerd. Hij had een goede naam binnen de vertaalwereld en hij had alle mogelijkheden om in de toekomst een goede onderneming te drijven. Als bijlage 1 wordt een schematisch overzicht gegeven van de structuur van [B] en de onderliggende holdings alsmede het management fee en het salaris. Als bijlage 2 worden de jaarrekening van [A] B.V. over het jaar 2017 alsmede de jaarrekening van [B] B.V. 2017 overgelegd. Als bijlage 3 wordt de jaaropgave alsmede enkele salarisspecificaties van wijlen [slachtoffer] overgelegd. Als bijlage 4 wordt de stamrecht (lijfrente) overeenkomst overgelegd.
(...)
Gederfd levensonderhoud (op grond van artikel 51f lid 2 Sv jo artikel 6:108 lid 1 BW)
Als bijlage 6 wordt een door fiscalist [naam 1] opgestelde berekening (met onderliggende bijlagen 6 a) van het inkomensverlies, ontstaan door het overlijden van [slachtoffer] , overgelegd. Bij de berekening van de overlijdensschade is aansluiting gezocht bij de rekenmethode van de letselschade raad (bijlage 7), gebaseerd op de notitie Denktank overlijdensschade.
Bij de berekening van het gederfd levensonderhoud wordt als uitgangspunt genomen het netto gezinsinkomen zonder overlijden. Vervolgens wordt rekening gehouden met de ‘besparing’ van kosten op dit gezinsinkomen door het wegvallen van een volwassene.
Op basis van onderzoek verricht door het NIBUD naar het verbruik van een volwassene binnen het gezin, en daaraan gekoppeld welke uitgaven voor het gezin (dus) wegvallen als een volwassene overlijdt, is een tabel opgesteld om deze Weggevallen Normatieve Uitgaven vast te stellen. Dit onderzoek wordt periodiek herhaald en geactualiseerd. De betreffende tabel wordt weergegeven op pagina 9 van de letselschade richtlijn Rekenmodel overlijdensschade (bijlage 7).
Door het overlijden weggevallen uitgaven van de overledene komen in mindering op het netto besteedbare gezinsinkomen ter bepaling van de behoefte aan levensonderhoud.

In het kort ziet de rekenmethode er als volgt uit:

1. Het netto gezinsinkomen zonder overlijden (ZO) wordt verminderd met een vastgesteld percentage dat afhankelijk is van het gezinsinkomen, het aantal gezinsleden en de leeftijd van de kinderen zonder overlijden (weggevallen normatieve uitgaven WNU).
2. Het netto gezinsinkomen met overlijden wordt verhoogd met andere weggevallen uitgaven (WU) en wordt verminderd met bijgekomen uitgaven (BU).
3. Het verschil tussen uitkomst van 1 en van 2 vormt de jaarschade.

Bij de berekening is voorts rekening gehouden met de gemiddelde leeftijd van de Nederlandse man aan de hand van de cijfers van het CBS. Tevens is bij de begroting van de toekomstschade gekapitaliseerd overeenkomstig de gangbare praktijk, rekening houdend met rendement en inflatie (bijlage 8).
Conform de berekeningen van de fiscalist (bijlage 6) komt het gederfd levensonderhoud op een bedrag van € 339.345,-- (in de berekening worden de uitgangspunten vermeld).”

3.2.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2025 houdt onder meer in:

“De voorzitter deelt mede dat na de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden het thans alleen nog gaat om een beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij. (...)

De voorzitter vat de beslissing van de Hoge Raad samen en stelt de vordering van de benadeelde partij aan de orde.

De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Er is een management fee uitgekeerd, de afspraak was om het gelijk te houden. Het betrof een bedrag van € 9.000,-. De management fee ging vanuit de werkonderneming naar de holding.

Op een vraag van de voorzitter deelt de benadeelde partij mede dat zij geen uitkering uit de stamrechtovereenkomst heeft ontvangen.

De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

U vraagt of uit de stamrechtverplichting een uitkering gedaan is. Daar werd zojuist nee op gezegd, maar ik leg uit hoe dat in elkaar zit. We zijn begonnen als VOF. In 2001 werd ons geadviseerd om dat om te zetten naar een BV-structuur. Normaal moet je dan een fors bedrag aan de belastingdienst betalen, maar dat kun je voorkomen door er een stamrechtverplichting van te maken. De verplichting is dan om maandelijks aan de leden een uitkering te doen. Dat vond plaats van 2001 tot 2018. Ook daarna heeft deze verplichting nog bestaan, zeker nog anderhalf jaar, ondanks dat de bedrijfsactiviteiten waren gestopt. Er zijn afspraken gemaakt met [naam 1] , de fiscalist van [benadeelde] , en met de belastingdienst. De uitkering bleef totdat het saldo 0 (nul) was. Daarna kan je de BV opheffen. Tot die tijd is de betaling doorgegaan.

De voorzitter merkt op dat de verdachte blijk geeft er verstand van te hebben en dat dat ook in de lijn van de verwachting lag, nu hij immers belast was met de administratieve en boekhoudkundige taken.

De verdachte reageert dat hij de commerciële man was.

De voorzitter stelt vervolgens de berekening van het gederfde levensonderhoud, bijlage 6 bij de vordering benadeelde partij, aan de orde en merkt op dat bepaalde bedragen worden betwist door de verdediging.

De voorzitter deelt mede dat het hof – in het licht van de betwisting door de verdediging – op de volgende posten een nadere toelichting van de (advocaat van de) benadeelde partij wenst:

a. Verdiencapaciteit: hoe aannemelijk is het dat tot de pensioendatum jaarlijks een bedrag van € 19.000 zou zijn uitgekeerd, in aanmerking genomen dat er over 2016 en 2017 een negatief resultaat was?

b. Wat zou de verdiencapaciteit van het slachtoffer zijn geweest indien de BV zou ophouden te bestaan en hij ander werk zou hebben moeten zoeken?

De raadsman van de verdachte deelt mede:

Op die vragen wil ik ook graag een antwoord. Daar komt nog het volgende bij. Bij de berekening van het netto consumptief inkomen zonder overlijden is de winst uit de B&B op 0 (nul) gesteld. De B&B was net geopend. Op basis van internetbronnen heb ik gezien dat deze nog bestaat. In de situatie na overlijden zie ik die post niet terugkeren. Mijn stelling is, zo zal ik bij pleidooi toelichten, dat van belang is om te weten wat het inkomen is uit de B&B. Verder heb ik gesignaleerd dat het AOW-pensioen van [benadeelde] in de berekening zowel voor als na overlijden op hetzelfde bedrag is gesteld, terwijl een alleenstaande een hogere AOW-uitkering ontvangt. De oudste raadsheer vraagt mij of ik nog andere cijfers betwist. Ik zal bij pleidooi de gestelde levensverwachting betwisten.

(...)

De advocaat van de benadeelde partij deelt mede:

Wat betreft de verdiencapaciteit: Uit het resultaat over 2016 en 2017 blijkt dat dat minder goede jaren waren. Er waren wel vaker schommelingen. Vertalers hebben het nu zwaar gelet op de vergoedingen die er zijn. Er bestond geen reden om te betwijfelen dat het uiteindelijk weer goed zou gaan. [slachtoffer] had een goed netwerk en was een goede vertaler. Er was geen reden om te denken dat hij niet een salaris om en nabij, misschien hetzelfde, zou hebben als waar in de berekening van wordt uitgegaan. Als de BV was gestopt en hij weer vertaler was geworden of gebleven, was er geen reden om te betwijfelen dat hij dat inkomen kon genereren. Wat betreft de B&B: De vraag is of het uitmaakt wat [benadeelde] verdient met de B&B. [benadeelde] zegt dat ze op dit moment veel meer moet doen in de B&B dan ze ooit had gedacht en zou willen. Nu werkt ze 70-80 uur in de week tegen € 8.000 bruto per jaar. Ik hoor de raadsman van de verdachte vragen of het inkomen uit de B&B met stukken kan worden onderbouwd. Dat kan ik, met de jaarrekeningen van de B&B over de afgesloten boekjaren 2021 en 2022.

Wat betreft de AOW: Die vraag kan ik niet beantwoorden. Het zou hooguit een paar honderd euro per maand schelen.

De voorzitter stelt de advocaat van de benadeelde partij in de gelegenheid de vordering toe te lichten. Hij voert het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling op zijn pleitnotities deelt hij mede:

De verdediging stelt dat wij geen deskundige mogen inschakelen, maar het staat een ieder vrij om informatie te verzamelen. De fiscalist is geen deskundige in de zin van het Wetboek van Strafvordering, maar iemand die wij hebben ingeschakeld ons te helpen. Dat heeft [benadeelde] geld gekost, want dat valt buiten de toevoeging. Ik ben weliswaar gespecialiseerd slachtofferadvocaat, maar maak niet zelf de berekening die aan de vordering ten grondslag ligt. Ik ken ook maar weinig slachtofferadvocaten die zo’n berekening zelf maken. In bijna alle zaken schakelen wij daarvoor mensen in en daarvoor worden kosten gemaakt. Ik heb de verdediging aangeboden om vragen te stellen en die door onze fiscalist te laten beantwoorden, maar de verdediging wenste hier geen gebruik van te maken. (...)

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling op de pleitnotities deelt hij mede:

(...) De advocaat van de benadeelde partij zegt dat ik geen gebruik heb gemaakt van zijn aanbod om hun fiscalist eventuele vragen te laten beantwoorden. Ik heb inderdaad bedankt voor dat aanbod; het stellen van vragen aan een door de benadeelde partij ingeschakelde fiscalist biedt onvoldoende waarborgen. De verdediging wil een eigen deskundige kunnen raadplegen voor een tegenonderzoek.

De verwachtingen rondom de bestaanszekerheid van een vertaalbureau staan onder druk van de ontwikkelingen op het gebied van AI. Met de vervanging van vertalers door AI zouden de veronderstelde verdiensten van de onderneming lager moeten worden ingeschat. Vertalers krijgen tegenwoordig ook een lagere vergoeding dan vroeger.

Wat betreft de inkomsten uit de B&B geldt dat hoe hoger deze zijn, hoe lager de gederfde inkomsten zijn, omdat het in de berekening gaat om het gezinsinkomen.

(...)

De advocaat van de benadeelde partij deelt op vragen van het hof mede:

De ontwikkelingen op het gebied van AI betekenen misschien dat er minder behoefte is aan vertalers, maar biedt misschien ook kansen aan bedrijven die AI- vertaalapplicaties kunnen bouwen. De verwachting was dat de onderneming in 2018 een wat zwaardere periode zou hebben, maar er was vertrouwen dat het over één tot twee jaar weer beter zou gaan. Daar was geen aanwijsbare reden voor, het ging altijd een beetje op en neer.

De advocaat van de benadeelde partij wordt door de voorzitter in gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Hij deelt mede:

Er heeft vandaag voldoende partijdebat plaatsgevonden. We kunnen vertrouwen op de rekenmethode, waarbij over bepaalde posten discussie bestaat. Subsidiair verzoek ik het hof schattenderwijs twee derde van het gevorderde bedrag toe te kennen.

De verdachte verklaart op vragen van de jongste raadsheer:

U vraagt mij of ik wil reageren op hetgeen mr. Boonen zojuist heeft gezegd. Er zijn altijd ongrijpbare factoren op economisch en personeel gebied die maken dat het met een onderneming minder kan gaan. We hebben het heel lang heel erg goed gehad. Een aantal jaren ging het wat minder, dat had sterk te maken met één grote cliënt die besloot zijn werk in het buitenland onder te brengen. We zijn een poosje bezig geweest dat te compenseren. Wat er nu gebeurt met AI is wel een ding.”

3.2.4

De in dat proces-verbaal bedoelde pleitnotities van de raadsman van de verdachte houden onder meer in:

“Duiding jurisprudentie Hoge Raad

7. Want ‘rechtsbescherming’ is toch wel de rode draad die loopt door de bedoelde arrestenreeks waarvan het arrest in de onderhavige zaak deel uitmaakt.

8. De Hoge Raad wijst daarin in de eerste plaats meer algemeen op het ontbreken van de civielrechtelijke proceswaarborgen bij de beoordeling van vorderingen BP in de strafprocedure (r.o.v. 3.3.2). Wegens de strafrechtelijke context van de procedure is immers het niet mogelijk om het geheel aan civielrechtelijke proceswaarborgen in te passen, bijvoorbeeld die op het gebied van hoor en wederhoor (artikel 19 Rv), het partijdebat en het leveren van bewijs en tegenbewijs (artikel 149 en 150 Rv).

9. Voor dit aspect was ook in onze cassatieschriftuur aandacht gevraagd. Het bepaalde in artikel 334 lid 1 Sv brengt immers met zich mee dat de verdachte in de strafprocedure geen getuigen of deskundigen kan aanbrengen ter betwisting van de vordering BP. Dat staat op gespannen voet met artikel 6 lid 1 EVRM. Deze beperking van de mogelijkheden die de civiele procedure wél biedt, dwingt er dan ook toe dat de strafrechter zeker moet zijn dat beide partijen – desondanks – in de gelegenheid zijn geweest om hun standpunten over de toewijsbaarheid en de toelaatbaarheid van de vordering benadeelde partij afdoende naar voren te brengen, zeker wanneer het gaat om substantiële vorderingen van complexe aard. Meer concreet verwoord: vastgesteld zal moeten kunnen worden dat de verwerende partij ook zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van het horen van getuigen of het raadplegen van deskundigen, voldoende mogelijkheden heeft gehad om de vordering genoegzaam te betwisten.

10. Dat klemt volgens de Hoge Raad temeer bij vorderingen van nabestaanden tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 BW (r.o.v. 3.3.3). Hiervoor geldt immers dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, is het voor de verdediging in de regel moeilijk om haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing (bijvoorbeeld dus door nader onderzoek door een onpartijdige deskundige).

11. Dit perspectief van de Hoge Raad op de verdedigingsrechten wordt niet alleen ingegeven door de aldus bestaande disbalans tussen het straf- en civiele proces, maar ook door de ingrijpende consequenties die hoge schadevorderingen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen voor de verdachte kunnen hebben. Dat zien we terug in r.o.v. 3.3.4 van het arrest in de onderhavige zaak.

12. Die consequenties zijn overigens niet alleen financieel van aard. Bij niet of niet tijdig betalen, kan immers de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling ten uitvoer worden gelegd. Juist bij dit soort hoge vorderingen – gedaan in zaken waarin niet zelden ook lange gevangenisstraffen zijn opgelegd – is niet ondenkbeeldig dat de veroordeelde niet (volledig) kan betalen en dus het risico op extra vrijheidsbeneming met zich meedraagt. Die potentiële, ingrijpende consequenties, mogen niet uit het oog worden verloren als het gaat om een adequate vaststelling van de werkelijke schade van een benadeelde partij.

De vordering

13. In het licht van het voorgaande verzoek ik uw Hof om de vordering van de benadeelde partij strekkende tot vergoeding van gederfd levensonderhoud niet-ontvankelijk te verklaren. Vastgesteld moet worden dat deze vordering teveel leunt op onzekere factoren die nader onderzoek behoeven. Bovendien geeft de vordering er blijk van onvoldoende rekenschap te hebben gegeven van andere factoren die van invloed zijn op de (verwachte) inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande in de toekomst zouden hebben genoten. Dit laatste brengt met zich mee dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, terwijl [verdachte] voor het overige in staat moet worden gesteld om via getuigen- en deskundigenbewijs de vordering nader te betwisten. Behandeling van de vordering door de civiele rechter is daarom aangewezen. Daarbij is in het bijzonder het volgende van belang.

Onzekere factoren waarvan nader onderzoek noodzakelijk is

14. In de vordering wordt bij de berekening tot uitgangspunt genomen het jaarsalaris dat [slachtoffer] laatstelijk uit zijn holding haalde. Die holding werd echter gevoed door omzet uit [B] B.V. (hierna: ‘ [B] ’). Vaststaat dat [B] reeds in de jaren vóór 2018 verlies maakte. Uit de jaarrekening 2017 blijkt dat [B] in 2016 een negatief resultaat noteerde van ruim € 17.000; in 2017 was het negatieve resultaat opgelopen naar bijna € 20.000. Ook uit bevindingen van de recherche in het strafdossier blijkt dat de financiële situatie van [B] deplorabel was. Zelfs ondanks het vertrek van een loondienstwerker was sprake van een sterke afname van de liquiditeit van [B] . De omzetprognose over 2018 liet voorts een verdere daling zien ten opzichte van de jaren daarvoor, zodat – in de woorden van de recherche – “de financiële problemen alleen maar groter waren geworden”.

15. Terecht oordeelde de rechtbank in eerste aanleg dan ook dat gelet hierop “onzeker is of het inkomen dat deze vennootschap via [A] B.V. aan het slachtoffer uitbetaalde, ook in de toekomst zou kunnen worden uitbetaald” en dat "[d]e beantwoording van onder meer die vraag (...) nader (deskundigen)onderzoek [vergt] dat het bestek van deze strafprocedure te buiten gaat”.

16. Daar komt bij dat moet worden aangenomen dat de ontwikkelingen op AI-gebied, de reeds slechte financiële situatie van [B] – en daarmee die van [A] B.V. – al snel de definitieve nekslag zouden hebben gegeven. Wellicht was deze ontwikkeling ten tijde van het opstellen van de vordering nog niet goed te bevroeden, maar met de kennis van nu is dit aspect in ieder geval ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Niet alleen de opdrachten, maar ook de tarieven binnen de vertaalsector zijn sinds 2022 flink gekelderd als gevolg van de snelle opkomst van AI. In 2024 leidde dit tot een hausse aan faillissementen.

17. Het is dus een utopische gedachte dat [slachtoffer] ook in 2018, laat staan in de jaren daarna, bijna een ton aan inkomsten uit [B] zou hebben kunnen halen. Veel meer in de rede ligt dat [B] binnen afzienbare tijd failliet zou zijn gegaan en dat [slachtoffer] een andere bron van inkomsten had moeten vinden. Naar de ‘levensverwachting’ van [B] zal dus ook nader onderzoek moeten worden gedaan, alsook naar de vraag wat omscholing van [slachtoffer] (op zijn leeftijd) had betekend voor zijn baankansen en verdiencapaciteiten.

(...)

Uitleiding

29. Nog enkele opmerkingen ter uitleiding. De aanvaardbaarheid van een rekenmethode brengt nog niet mee dat ook de uitkomsten daarvan aanvaardbaar zijn als niet is vastgesteld dat de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn, zo verwoordde de Hoge Raad het treffend. De onderhavige casus bewijst inderdaad het gelijk van die overweging.

30. In aanvulling op die overweging past de vaststelling dat ook de opstellers van Letselschade Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade, waarop de benadeelde partij zich baseert, niet pretenderen dat hun eigen methode onfeilbaar is. Weliswaar achten zij deze Richtlijn toepasbaar op een groot deel van de overlijdensschadezaken, maar zij onderkennen tegelijkertijd dat in geval van bijzondere omstandigheden, de schade concreet zal moeten worden vastgesteld. Die concrete toepassing moet in deze zaak, met alle onzekerheden waarover thans geen uitsluitsel kan worden geboden, dus aan de civiele rechter worden overgelaten.”

3.2.5

Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij wegens gederfd levensonderhoud onder meer overwogen:

“De benadeelde partij vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 339.345,00.

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de berekening van het gederfde levensonderhoud te complex is en dat de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 23 april 2024 aandachtspunten geformuleerd voor de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding in het strafproces in het algemeen, en tot vergoeding van gederfd levensonderhoud in het bijzonder. Deze luiden als volgt. (...)

Met inachtneming van deze door de Hoge Raad geformuleerde aandachtspunten, heeft het hof de vordering van de benadeelde partij uitvoerig besproken op de terechtzitting van 14 april 2025. Daarbij heeft het hof eigen onderzoek verricht, in die zin dat het de (advocaat van de) benadeelde partij heeft bevraagd over diverse aspecten van de vordering. Ook de verdediging is daartoe in de gelegenheid gesteld. Er heeft vervolgens uitgebreid partijdebat plaatsgevonden, in twee termijnen. Het hof is van oordeel dat zowel de verdediging als de benadeelde partij in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van de vordering genoegzaam naar voren te brengen. Van belang daarbij is dat de aan de berekening van de vordering (hierna: de berekening) ten grondslag gelegde gegevens voornamelijk de jaarrekeningen van de onderneming [B] B.V. betreffen. Dat zijn gegevens die zich óók in het domein van de verdachte bevinden. [B] B.V. was immers de gezamenlijke onderneming van het slachtoffer en de verdachte, zodat deze gegevens voor de verdachte beschikbaar en bekend waren. In zoverre was er dus geen beletsel voor de verdediging om inhoudelijk op de vordering te reageren. Dat dat beletsel er ook overigens niet was, blijkt uit de wijze waarop de verdediging de toewijsbaarheid van de vordering heeft betwist; namelijk op detailniveau en met eigen berekeningen. Ook de verdachte zelf heeft er door hetgeen hij ter terechtzitting in reactie op de stellingen van de advocaat van de benadeelde partij naar voren heeft gebracht, blijk van gegeven goed te begrijpen waarover het gaat en zich daartegen te kunnen verweren. Daarbij komt nog het volgende. Uit ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde e-mailcommunicatie blijkt dat de advocaat van de benadeelde partij op 28 februari 2025 de verdediging heeft aangeboden om vragen over de berekening te stellen aan de door de benadeelde partij ingeschakelde fiscalist en desgewenst nadere informatie te versturen “om een beter c.q. completer beeld te krijgen van de (onderbouwing van de) vordering”. De verdediging heeft te kennen gegeven van dit aanbod geen gebruik te hebben willen maken. Voor zover de berekening voor de verdediging onduidelijkheden bevatte, of voor zover de verdediging vragen had over de daarbij gemaakte keuzes, had zij dus de mogelijkheid om de door de benadeelde partij ingeschakelde fiscalist daarover vragen te stellen. De verdediging heeft tegengeworpen daarvan geen gebruik te hebben willen maken omdat die fiscalist geen onafhankelijke deskundige is. Wat daarvan ook zij, het stond de verdediging evenzeer vrij om een eigen fiscalist aan te zoeken. Dat zou buiten het bereik van gefinancierde rechtsbijstand vallen, maar daarin verschilt de positie van de verdachte niet van die van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan weliswaar aanspraak maken op gefinancierde en gespecialiseerde rechtsbijstand, maar het door een fiscalist doen opstellen van een dergelijke berekening valt daar buiten.

Het voorgaande betekent dat de benadeelde partij in beginsel in dit deel van de vordering kan worden ontvangen.

Het hof zal vervolgens dit deel van de vordering inhoudelijk beoordelen, in het licht van hetgeen daartegen door de verdediging als subsidiair standpunt ter betwisting is gesteld.

Het hof stelt daarbij voorop dat de verdediging de aanvaardbaarheid van de bij de berekening gebruikte rekenmethode niet - gemotiveerd - heeft betwist. Gebruik is gemaakt van de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade, een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Wel heeft de verdediging de aanvaardbaarheid van meerdere aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens betwist, te weten ten aanzien van de levensverwachting en de verdiencapaciteit van het slachtoffer, de winst uit onderneming “ [C] ” en de AOW-bedragen.

(...)

Verdiencapaciteit, meer specifiek inkomsten uit dienstbetrekking

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de berekening tot uitgangspunt is genomen het jaarsalaris dat het slachtoffer uit zijn holding haalde en dat deze holding werd gevoed door omzet uit [B] B.V. (hierna [B] ). Nu [B] in de jaren vóór 2018 verlies maakte en het te verwachten was dat deze inkomsten in de jaren die zouden volgen alleen maar zouden dalen, mede onder invloed van de opkomst van artificiële intelligentie, dient volgens de verdediging nader onderzoek te worden gedaan naar de ‘commerciële levensverwachting’ van [B] , alsook naar de vraag wat eventuele omscholing van het slachtoffer (op zijn leeftijd) had betekend voor zijn baankansen en verdiencapaciteiten.

Het hof verwerpt dit standpunt en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de aan de berekening ten grondslag gelegde jaarstukken blijkt inderdaad dat de resultaten van [B] in de jaren 2016 en 2017 slechter waren dan in de jaren daarvoor. Dat enkele feit impliceert echter niet de verwachting dat [B] vóór 2030, het jaar waarin het slachtoffer zijn pensioenleeftijd zou bereiken, failliet zou gaan of dat de financiële situatie van [B] zo penibel zou zijn, dat het jaarsalaris van zowel het slachtoffer als zijn compagnon niet meer uitgekeerd zou kunnen worden. Het hof betrekt hierbij het volgende.

De verdachte heeft zelf tijdens zijn verhoor bij de politie op 30 april 2019, over [B] verklaard: “we hebben periodes gehad waarin het minder ging en we hebben ook jaren gehad dat we veel slechter gedraaid hadden. (...) We hebben altijd gedacht... we trekken het uiteindelijk weer vlot en dat is toen ook gebeurd”. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte gezegd dat een eerdere moeilijke periode, toen een grote opdrachtgever vertrok, in de jaren daarna voldoende gecompenseerd werd.

[benadeelde] heeft tijdens haar verhoor bij de politie op 1 november 2018 verklaard dat zij weliswaar wist dat “de vertaalwereld niet florissant gaat op dit moment, (...) maar het ging nog wel”. Zij stelde dat [B] medische, technische en juridische takken had, die goed liepen. Omdat dit specialistische vertaalwerk “een zaak van leven of dood” kon zijn, zag zij geautomatiseerde vertalingen hierbij niet als bedreiging voor een beëdigd vertaler, zoals haar man.

Ook de belastingconsulent van [B] , [naam 2] , is in zijn verhoor bij de politie op 23 augustus 2018 positief over [B] . Hij heeft [B] “een goed draaiend bedrijf” genoemd: “er waren natuurlijk debiteuren en crediteuren, maar het was gewoon van een gezonde situatie.” [A] B.V, de holding van het slachtoffer, heeft hij “heel liquide, een super gezond bedrijf” genoemd. Het slachtoffer kreeg inkomen uit [A] B.V. en zou pensioen krijgen uit [B] . Volgens [naam 2] was het slachtoffer “bezig met een wat grotere klant die was binnengehaald. Gezien de terugval in omzet was dit prettig”.

Uit bovengenoemde opinies leidt het hof af dat [B] eerder mindere periodes had gekend, dat de onderneming deze te boven was gekomen en dat meerdere betrokkenen optimistisch waren over de levensvatbaarheid van [B] , mede in aanmerking genomen dat [B] specialistisch vertaalwerk deed. In het licht daarvan is hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende voor de conclusie dat het salaris dat het slachtoffer - via zijn holding - uit [B] haalde, niet aan de berekening ten grondslag had mogen worden gelegd. Het hof betrekt daarbij ook dat de berekening (wat betreft het salaris) ziet op een relatief beperkte periode van twaalf jaar.

(...)

Conclusie

Het voorgaande voert het hof tot de volgende conclusie.

Het verdisconteren van de inkomsten uit de B&B in de berekening leidt tot een vermindering van het schadebedrag met € 11.000,00. Het verdisconteren van de AOW-uitkering naar de norm voor een alleenstaande leidt tot een vermindering van het schadebedrag met € 50.000,00. Het hof maakt hierbij gebruik van zijn schattingsbevoegdheid. Artikel 6:97 BW bepaalt immers dat de rechter de schade begroot “op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat”. In aanmerking genomen dat het hier gaat om toekomstige schade die per definitie niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, acht het hof het passend om schattenderwijs een correctie op de berekening aan te brengen. Daarbij heeft het hof gekozen voor afgeronde bedragen, in het voordeel van de verdachte. Ook heeft het hof de in mindering te brengen bedragen niet gekapitaliseerd, nu dit een te complexe berekening zou vergen. Het achterwege laten van kapitalisatie is eveneens in het voordeel van de verdachte.

Het hof zal dus een bedrag van € 278.345,00 aan gederfd levensonderhoud toewijzen aan de benadeelde partij, zijnde rechtstreekse schade. Hetgeen meer is gevorderd zal het hof afwijzen.”

3.3.1

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8781 over – kort gezegd – de verplichting tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud onder meer overwogen:

“3.3.1 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel dient tot uitgangspunt dat ingevolge art. 6:108 lid 1, aanhef en onder a, BW, degene die aansprakelijk is voor een gebeurtenis ten gevolge waarvan iemand overlijdt, verplicht is tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan (onder anderen) de achterblijvende echtgenoot tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud.

3.3.2

Deze verplichting tot schadevergoeding heeft een gemengd karakter. Enerzijds dient, zoals in het algemeen gebruikelijk is bij het bepalen van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, de omvang van die plicht – die in beginsel strekt tot volledige schadevergoeding – te worden bepaald door de bijdrage die de overleden echtgenoot zou hebben geleverd in het levensonderhoud van de achterblijvende partij te vergelijken met de positie waarin de nabestaande door dat overlijden daadwerkelijk is komen te verkeren (afgezien van nu niet terzake dienende gevallen waarin de schade abstract dient te worden berekend). Daarbij dient in beginsel de gehele financiële positie van de nabestaande in aanmerking te worden genomen (vgl. HR 4 februari 2000, nr. R98/132, NJ 2000, 600). Voor de vaststelling van het schadebedrag dient te worden uitgegaan van hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken, met dien verstande dat in dit verband mede de wijzigingen dienen te worden verdisconteerd – zowel wat betreft de omvang van de bijdrage van de overledene, als van de behoefte van de nabestaande – die op het moment van het overlijden redelijkerwijs waren te verwachten (vgl. de MvA II bij art. 6:108, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 397).

Anderzijds heeft deze verplichting mede een – kort gezegd – alimentatierechtelijk karakter. Hieruit volgt onder meer dat de nabestaande aan art. 6:108 slechts een vordering kan ontlenen voor zover bij deze sprake is van behoeftigheid, gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten (HR 16 december 2005, nr. C04/276, NJ 2008, 186).”

3.3.2

In een geval als dit, waarin het gaat om een vordering van de echtgenote van het slachtoffer tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, komt het bij de beoordeling van de vraag welk inkomen het slachtoffer in de hypothetische situatie zonder zijn overlijden in de toekomst zou hebben verdiend, aan op wat redelijkerwijs te verwachten is over toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot het inkomen zoals het slachtoffer dat op het moment van zijn overlijden genoot.

3.4.1

Aan de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van gederfd levensonderhoud ligt een door de belastingconsulent van de benadeelde partij opgestelde berekening ten grondslag die tot uitgangspunt neemt dat het slachtoffer in de hypothetische situatie zonder zijn overlijden, nog gedurende de twaalf jaren tot aan zijn pensioen (via zijn persoonlijke holdingvennootschap) jaarlijks eenzelfde inkomen uit de onderneming [B] BV (hierna: [B] ) zou hebben gehaald als in het jaar voor zijn overlijden. Namens de verdachte is betwist dat het inkomen dat het slachtoffer laatstelijk met de onderneming heeft verdiend, ook in de toekomst – dus in de twaalf jaren tot dat pensioen – had kunnen worden uitbetaald, waarbij onder meer erop is gewezen dat (i) [B] in de jaren voor het overlijden van het slachtoffer verlies maakte, (ii) de omzetprognose over 2018 een daling liet zien ten opzichte van de jaren ervoor, en (iii) de ontwikkelingen op AI-gebied de omzetprognose van [B] verder zouden hebben verslechterd. Daarbij is betoogd dat, met het oog op de beoordeling van de vraag welk inkomen in het licht van deze omstandigheden het slachtoffer in de hypothetische situatie zonder zijn overlijden in de toekomst zou hebben verdiend, nader onderzoek nodig is naar de levensvatbaarheid van [B] .

3.4.2

Het hof heeft geoordeeld dat, wat betreft het gederfde inkomen uit [B] , ervan moet worden uitgegaan dat het slachtoffer in de hypothetische situatie zonder zijn overlijden, tot aan zijn pensionering jaarlijks eenzelfde inkomen zou hebben gehaald als in het jaar voor zijn overlijden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het gaat om “een relatief beperkte periode van twaalf jaar” en – onder verwijzing naar passages uit verklaringen daarover – dat de verdachte, de benadeelde partij en de belastingconsulent van [B] zich optimistisch hebben getoond wat betreft de levensvatbaarheid van de onderneming. Het hof heeft daarmee het oordeel over de gederfde inkomsten uit [B] ontoereikend gemotiveerd, gelet op wat door de verdediging is aangevoerd over meerdere onzekere factoren ten aanzien van de stabiliteit van de inkomsten van [B] over de volledige periode van twaalf jaren. Het daarop voortbouwende oordeel van het hof dat, uitgaande van een jaarlijks gelijkblijvend inkomen uit de onderneming, de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud toewijsbaar is tot een bedrag van € 278.345, is daarmee niet zonder meer begrijpelijk.

3.5

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

4.2.1

Het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij houdt onder meer in:

“Materiële schade
(…)

kosten financieel adviseur [Bedrag] 6.221,23 [Bijlage] 11.”

4.2.2

De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde toelichting houdt onder meer in:

“Cliënte heeft, onder andere in verband met de eigen onderneming van haar echtgenoot, een financieel adviseur in moeten schakelen. Buiten het opmaken van de jaarrekeningen en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting, heeft de betreffende adviseur ook een berekening gemaakt ten behoeve van onderhavige vordering benadeelde partij (gederfd levensonderhoud). Als bijlage 11 worden de facturen ad € 6.221,23 van de fiscalist overgelegd.”

4.2.3

Bijlage 11 bij het verzoek tot schadevergoeding is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.3 en betreft een brief van 15 oktober 2019 met een overzicht van elf door de adviseur gefactureerde en nog te factureren bedragen, voor een totaalbedrag van € 6.221,23. Als omschrijving is op de facturen steeds opgenomen “Divers advies”.

4.2.4

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2025 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“26. Wat betreft de gevorderde kosten van de fiscalist merk ik op dat in de toelichting op de vordering wordt aangegeven dat het gevorderde bedrag (grotendeels) ziet op ‘het opmaken van de jaarrekeningen en het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en de erfbelasting’. In zoverre betreffen dit – evenals de gevorderde notariskosten – geen kosten zijn als bedoeld in artikel 6:108 BW. Het ontbreekt ook aan een andere wettelijke grondslag om deze kosten toe te wijzen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:829).

27. Uit de vordering kan voorts niet worden afgeleid hoeveel tijd er door de fiscalist is besteed aan de rapportage die ten grondslag ligt aan de berekening ten behoeve van de vordering ‘gederfd levensonderhoud’.

28. Dit alles brengt met zich mee dat de vordering op dit punt, onafhankelijk van hetgeen Uw Hof beslist ten aanzien van de post ‘gederfd levensonderhoud’, bij gebrek aan voldoende specificatie en onderbouwing, geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.”

4.2.5

Het hof heeft over dit deel van de vordering overwogen:

“De verdediging meent dat de vordering op dit punt, onafhankelijk van de beslissing van het hof omtrent de post gederfd levensonderhoud, bij gebrek aan voldoende specificatie en onderbouwing, geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof oordeelt dat de kosten ter hoogte van € 6.221,23 aan fiscalist en financieel adviseur [naam 1] zoals daarvan blijkt in de brief van 15 oktober 2019 toewijsbaar zijn als vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW. In de gegeven omstandigheden waren de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk. Ook zijn de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. Het hof zal dan ook het gevorderde bedrag van € 6.221,23 toewijzen.”

4.3.1

Artikel 6:96 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:

“1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.

2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:

a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.”

4.3.2

Door de benadeelde partij gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid komen op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking voor zover: (i) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging van de verdachte en de kosten; (ii) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de verdachte kunnen worden toegerekend; (iii) het in het gegeven geval redelijk was om, in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis, deskundige bijstand in te roepen; en (iv) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn (vgl. HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1681, rechtsoverweging 3.6.1).

4.4

Het oordeel van het hof dat het gaat om kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW is in het licht van de onder 4.2.4 weergegeven betwisting namens de verdachte niet zonder meer begrijpelijk nu niet uit de omschrijving op de facturen en ook niet uit de toelichting van de benadeelde partij kan worden afgeleid dat ten aanzien van het totaalbedrag van die facturen van dergelijke kosten sprake is.

4.5

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Ook daarom kan de oplegging van de in artikel 36f Sr voorziene maatregel niet in stand blijven.

5 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] met betrekking tot “gederfd levensonderhoud” en “kosten advies en rapport fiscalist/financieel adviseur” en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.