Strafrecht overig
Voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (art. 26.1 WWM) en aanwezig hebben van amfetamine en GHB (art…
ECLI:NL:HR:2026:954 · Hoge Raad · 23 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-954
Zaakgegevens
Op 23 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/04414
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:954
Samenvatting
Voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (art. 26.1 WWM) en aanwezig hebben van amfetamine en GHB (art. 2.C Opiumwet). Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.c Sv. Kan uit mededeling van niet gemachtigde raadsman worden afgeleid dat verdachte tevoren bekend was met dag van tz.?
In art. 432.1.c Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak als zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van tz. of van nadere tz. verdachte tevoren bekend was. Volgens p-v van tz. in hoger beroep van 11-7-2024 heeft raadsman van verdachte daar medegedeeld dat hij verdachte dag voor die tz. heeft gesproken, dat verdachte groot belang heeft bij behandeling van zijn strafzaak, maar dat verdachte werkt als steigerbouwer en geen vrij kan krijgen van zijn werk. Daaruit moet worden afgeleid dat verdachte met dag van tz. van hof van 11-7-2024 tevoren bekend was. Daarom had o.g.v. art. 432.1.c Sv cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak van hof van 25-7-2024. Beroep is echter pas ingesteld op 4-12-2024. Dit brengt mee dat HR het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
Verdachte n-o.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 juli 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:2643Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:634Hoge Raad · 23 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:954
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04414
Datum 23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2024, nummer 20-001303-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang.
- Een akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van 11 juli 2024 tweemaal – op 21 mei 2024 en op 4 juni 2024 – is aangeboden aan het BRP-adres van de verdachte, maar dat telkens niemand aanwezig of bereid was om de dagvaarding aan te nemen. Een andere akte van uitreiking houdt in dat die dagvaarding op 19 juni 2024 is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat een afschrift is verzonden aan het BRP-adres van de verdachte.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte (...)
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.M.H.J. Colen, advocaat te Terneuzen, die verklaart niet uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
De raadsman geeft te kennen:
Ik ben niet door cliënt gemachtigd om de verdediging te voeren. Ik heb gisteren met cliënt gesproken. Hij heeft een groot belang bij de behandeling van zijn strafzaak, maar cliënt werkt als steigerbouwer en hij kan geen vrij krijgen van zijn werk.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
- Het arrest van het hof is uitgesproken op 25 juli 2024.
- Namens de verdachte is op 4 december 2024 cassatieberoep ingesteld.
In artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Volgens het onder 2.1 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar medegedeeld dat hij de verdachte de dag voor die terechtzitting heeft gesproken, dat de verdachte een groot belang heeft bij de behandeling van zijn strafzaak, maar dat de verdachte werkt als steigerbouwer en geen vrij kan krijgen van zijn werk. Daaruit moet worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 11 juli 2024 tevoren bekend was. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 25 juli 2024. Het beroep is echter pas ingesteld op 4 december 2024. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.