202601412/1/R4.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 12 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 23 april 2026 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 12 december 2025 door een toezichthouder is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de kartonnen doos staan.
2. [appellant] voert aan dat het bedrag van € 199,57 niet de kosten zijn die het college daadwerkelijk heeft moeten maken voor het opruimen van de kartonnen doos. Hij heeft daarom verzocht om een onderbouwing van de kosten die in zijn geval zijn gemaakt.
2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de kosten die zijn gemaakt, extra kosten zijn voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van de gevonden kartonnen doos. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan in dit geval zou moeten worden afgezien van kostenverhaal, aldus het college.
2.2. [appellant] heeft niet betwist dat hij de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden. Het college kon er dan ook van uitgaan dat [appellant] degene was die de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft kosten moeten maken voor het verwijderen van de kartonnen doos. Die kosten behoren op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb in beginsel voor rekening van de overtreder te komen en niet voor de gemeenschap. Het college heeft in zijn verweerschrift een uiteenzetting gegeven van de gemaakte kosten voor het verwijderen van de verkeerd aangeboden kartonnen doos. Die uiteenzetting is door de Afdeling bij brief van 28 juli 2026 aan [appellant] toegezonden. Het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht, betreft een deel van de extra kosten die het college heeft moeten maken doordat de kartonnen doos verkeerd is aangeboden. [appellant] heeft niet met concrete argumenten betoogd dat het college deze kosten niet heeft gemaakt of redelijkerwijs niet had hoeven maken. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten te hoog zijn.
Het betoog slaagt niet.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
195-1089