Bestuursrecht overig

Bij beslissing van 27 januari 2026 heeft het college van bestuur van ArtEZ University of the Arts (ArtEZ)…

Raad van State, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
202602227/1/A2
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6482
E-mail

Samenvatting

Bij beslissing van 27 januari 2026 heeft het college van bestuur van ArtEZ University of the Arts (ArtEZ) [appellante] met terugwerkende kracht per 1 september 2025 ingeschreven als student voor het studiejaar 2025/2026, tegen een tarief dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld. [appellante] was per 1 september 2017 ingeschreven als student bij ArtEZ. Zij volgde de bachelor Muziek, met de afstudeerrichting Klassieke muziek. [appellante] heeft vanaf het einde van het jaar 2021 ook onderwijs gevolgd binnen de afstudeerrichting Jazz & Pop. Aan het einde van het studiejaar 2024/2025 heeft [appellante] de bachelor Muziek, met de afstudeerrichting Klassieke muziek, afgerond en daarvoor het diploma ontvangen. [appellante] wilde in het studiejaar 2025/2026 het onderwijs binnen de afstudeerrichting Jazz & Pop blijven volgen. Daarvoor zijn aan haar twee opties in overweging gegeven: inschrijving als student, tegen het tarief van het instellingscollegegeld; of inschrijving voor contractonderwijs, tegen een tarief dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld. [appellante] heeft voor die laatste optie gekozen.

Uitspraak

202602227/1/A2.

Datum uitspraak: 4 november 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

het college van bestuur van ArtEZ University of the Arts (ArtEZ),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 27 januari 2026 heeft het college [appellante] met terugwerkende kracht per 1 september 2025 ingeschreven als student voor het studiejaar 2025/2026, tegen een tarief dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld.

Bij beslissing van 2 juni 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2026, waar [appellante], bijgestaan door L. Hoogendoorn, rechtsbijstandsverlener in Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.C. Bindels, advocaat in Utrecht, vergezeld door E.M. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] was per 1 september 2017 ingeschreven als student bij ArtEZ. Zij volgde de bachelor Muziek, met de afstudeerrichting Klassieke muziek. [appellante] heeft vanaf het einde van het jaar 2021 ook onderwijs gevolgd binnen de afstudeerrichting Jazz & Pop. Aan het einde van het studiejaar 2024/2025 heeft [appellante] de bachelor Muziek, met de afstudeerrichting Klassieke muziek, afgerond en daarvoor het diploma ontvangen.

2.       [appellante] wilde in het studiejaar 2025/2026 het onderwijs binnen de afstudeerrichting Jazz & Pop blijven volgen. Daarvoor zijn aan haar twee opties in overweging gegeven: inschrijving als student, tegen het tarief van het instellingscollegegeld; of inschrijving voor contractonderwijs, tegen een tarief dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld. [appellante] heeft voor die laatste optie gekozen.

3.       [appellante] heeft bij brief aan het college van 16 oktober 2025 naar voren gebracht dat zij de uitschrijving als student onterecht vindt en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Omdat [appellante] niet meer is ingeschreven als student, kan zij geen beroep doen op het Studentenondersteuningsfonds. Zij heeft daarom het college verzocht om de inschrijving als student te herstellen per 1 september 2025, het bedrag van € 2.601,00 dat zij heeft betaald voor het contractonderwijs aan haar terug te betalen, te bepalen dat zij voor het studiejaar 2025/2026 uitsluitend het wettelijk collegegeld is verschuldigd, de toegang tot het Studentenondersteuningsfonds te herstellen en de rechtsbijstandskosten ter hoogte van € 693,00 te vergoeden.

4.       Het college heeft bij de beslissing van 27 januari 2026 bij wijze van uitzondering [appellante] ingeschreven als student voor het studiejaar 2025/2026, met terugwerkende kracht per 1 september 2025, tegen een tarief dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld. Daartoe heeft het college besloten gelet op persoonlijke omstandigheden van [appellante]. Daarnaast heeft het college opgemerkt dat de inschrijving van [appellante] op 31 augustus 2025 is verlopen en dat geen sprake is geweest van een uitschrijving. Verder is het diploma voor de bachelor Muziek, met de afstudeerrichting Klassieke muziek, al afgegeven. Per opleiding kan maar één getuigschrift worden afgegeven. Voor de tweede afstudeerrichting kan een certificaat worden uitgereikt. Het college heeft verder naar voren gebracht dat het de gestelde schade niet vergoedt. [appellante] heeft destijds geen zorg gedragen voor een inschrijving voor de afstudeerrichting Jazz & Pop en heeft ook bij de vaststelling en de ondertekening van het diploma niet ingegrepen. Verder heeft het college opgemerkt dat, vooruitlopend op een eventueel beroep op het Studentenondersteuningsfonds, een beurs alleen wordt toegewezen bij een eerste studie en dat het inwinnen van juridisch advies een eigen keuze is geweest.

Beroep en verzoek om schadevergoeding

5.       [appellante] voert aan dat zij belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen en de besluiten van ArtEZ, omdat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Er is een schijn van een rechtsgeldige inschrijving voor de afstudeerrichting Jazz & Pop gecreëerd en in stand gehouden, waarbij de nadelige gevolgen daarvan zijn afgewenteld op [appellante]. Met de beslissing om haar met terugwerkende kracht als student in te schrijven per 1 september 2025, heeft het college erkend dat zij vanaf die datum al als student ingeschreven had moeten zijn. [appellante] heeft geen aanspraak kunnen maken op financiële ondersteuning uit het Studentenondersteuningsfonds voor het studiejaar 2025/2026, waardoor zij een bedrag van € 2.574,00 is misgelopen. Verder heeft zij voorafgaand aan het bezwaar tegen de beslissing van 27 januari 2026 kosten voor rechtsbijstand gemaakt ter hoogte van € 3.125,00. Zonder die rechtsbijstand was het herstel dat bij die beslissing is gegeven er niet gekomen. Ook heeft zij immateriële schade geleden ten bedrage van € 1.000,00, als gevolg van het verlies van haar status als student en de daarmee gepaarde onzekerheid over de voortzetting van haar studie. [appellante] verzoekt de Afdeling om het college te veroordelen tot vergoeding van de hiervoor genoemde misgelopen financiële ondersteuning, de kosten voor juridische bijstand en de immateriële schade.

Oordeel Afdeling

Nadere stukken

6.       [appellante] heeft buiten de gestelde termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op 6 en 12 oktober 2026 nadere stukken toegestuurd. Op de zitting van 13 oktober 2026 is met partijen besproken of de nadere stukken van 6 oktober 2026 meegenomen worden in de procedure, waarop bevestigend is beslist. Op dat moment wist de Afdeling niet dat [appellante] ook op 12 oktober 2026 stukken had toegestuurd. [appellante] heeft daar op de zitting niet op gewezen. Die stukken zijn ook niet (voorafgaand aan de zitting) door de Afdeling doorgestuurd naar het college. Het college heeft daar dus ook niet op kunnen reageren.

7.       Gelet op het voorgaande, laat de Afdeling de te laat ingebrachte stukken van 12 oktober 2026 buiten beschouwing.

Beoordeling beroep

8.       De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat het verzoek van [appellante] van 16 oktober 2025 om met terugwerkende kracht als student te worden ingeschreven tegen een tarief gelijk aan het wettelijk collegegeld is gehonoreerd in de beslissing van 27 januari 2026. Zij heeft het onderwijs van de richting Jazz & Pop gevolgd en die inmiddels met goed gevolg afgesloten. Haar is daarvoor een certificaat in het vooruitzicht gesteld. Uit wat [appellante] heeft aangevoerd volgt dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat haar belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep is gelegen in de vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van 2 juni 2026, waarmee de beslissing van 27 januari 2026 is gehandhaafd. Voor het aannemen van procesbelang moet daarom tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van de beslissing van 27 januari 2026, of een handeling ter voorbereiding daarvan.

9.       Uit wat [appellante] heeft aangevoerd volgt dat zij schade stelt te hebben geleden, omdat zij niet vanaf het begin van het studiejaar 2025/2026 als student was ingeschreven op dezelfde wijze en met gelijke rechten zoals zij daarvoor was ingeschreven. Na de aanvang van het studiejaar 2025/2026 heeft zij de eerdergenoemde brief van 16 oktober 2026 naar het college gestuurd, die aanleiding heeft gegeven tot het nemen van de beslissing van 27 januari 2026. Nog daargelaten of, zoals [appellante] heeft gesteld, de beslissing van 27 januari 2026 meer omvat dan de hierboven genoemde inschrijving als student per 1 september 2025, kan, alleen al vanwege de voorgeschiedenis en de datum van die beslissing, de gestelde schade niet het gevolg zijn van (een handeling ter voorbereiding) van die beslissing. Ten tijde van de beslissing van 27 januari 2026 was de door [appellante] gestelde schade immers al veroorzaakt. Dat betekent dat [appellante] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

10.     Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beoordeling verzoek om schadevergoeding

11.     [appellante] heeft uitvoerig naar voren gebracht wat het college volgens haar verkeerd heeft gedaan. Zij heeft daarbij aangevoerd dat het geheel van handelingen en beslissingen van het college als onrechtmatig moet worden aangemerkt, wat heeft geleid tot schade. Op de zitting heeft de Afdeling het in het nadere stuk van 6 oktober 2026 genoemde verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb aan de orde gesteld. De Afdeling heeft daarbij aan [appellante] gevraagd om een onrechtmatig besluit aan te wijzen, dat volgens haar heeft geleid tot de gestelde schade. [appellante] heeft daarop toegelicht dat het samenstel van handelen en nalaten van het college, dat heeft geleid tot uitreiking van een diploma aan het einde van het studiejaar 2024/2025 en het per 1 september 2025 niet meer ingeschreven zijn als student, onrechtmatig is. Zij wijst erop dat zij niet is gewaarschuwd voor de gevolgen van het in ontvangst nemen van het diploma. Ook stelt zij dat de e-mail van 22 augustus 2025, waarin haar is bericht dat zij niet meer officieel kon worden ingeschreven voor de bachelor Muziek, richting Jazz & Pop, onrechtmatig is. Daarmee heeft [appellante] geen onrechtmatig besluit ten grondslag gelegd aan haar verzoek om schadevergoeding. De Afdeling stelt vast dat [appellante] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen enig door het college in dat kader genomen besluit. Van erkenning van onrechtmatigheid door het college is evenmin sprake. De Afdeling leidt daaruit af dat het verzoek van [appellante] niet onder het bereik van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb valt. Als [appellante] wil dat een rechter het college veroordeelt tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van het college, kan zij daarvoor uitsluitend bij de civiele rechter een vordering instellen.

12.     De Afdeling is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

Proceskosten

13.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II.       verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Riet

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026

994