Bestuursrecht overig
Bij beslissing van 22 december 2025 heeft de examencommissie van de opleiding Human Resource Management…
Raad van State, 4 november 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6512 · Raad van State · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2026-6512
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 202602055/2/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6512
Samenvatting
Bij beslissing van 22 december 2025 heeft de examencommissie van de opleiding Human Resource Management voltijd van de Hogeschool van Amsterdam (de examencommissie) het verzoek van [verzoekster] om een vervangende opdracht voor het studieonderdeel ‘Strategisch HRM jaar 2’ (het studieonderdeel) toegewezen. Bij beslissing van 29 mei 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam het door [verzoekster] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [verzoekster] volgt de opleiding Human Resource Management voltijd aan de Hogeschool van Amsterdam. Bij beslissing van 14 oktober 2025 is zij voor de duur van zes maanden uitgesloten van deelname aan tentamens. [verzoekster] heeft de examencommissie verzocht om een vervangende opdracht voor het studieonderdeel. Bij beslissing van 22 december 2025 heeft de examencommissie dat verzoek onder drie voorwaarden toegewezen.
Uitspraak
202602055/2/A2.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het beroep.
Procesverloop
Bij beslissing van 22 december 2025 heeft de examencommissie van de opleiding Human Resource Management voltijd van de Hogeschool van Amsterdam (de examencommissie) het verzoek van [verzoekster] om een vervangende opdracht voor het studieonderdeel ‘Strategisch HRM jaar 2’ (het studieonderdeel) toegewezen.
Bij beslissing van 29 mei 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam (CBE) het door [verzoekster] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] beroep ingesteld.
[verzoekster] heeft het beroep ingetrokken en de Afdeling gevraagd het CBE te veroordelen in haar proceskosten.
Bij brief van 24 september 2026 heeft de Afdeling het CBE in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Van die gelegenheid heeft het CBE geen gebruik gemaakt.
Overwegingen
Inleiding
1. [verzoekster] volgt de opleiding Human Resource Management voltijd aan de Hogeschool van Amsterdam. Bij beslissing van 14 oktober 2025 is zij voor de duur van zes maanden uitgesloten van deelname aan tentamens.
2. [verzoekster] heeft de examencommissie verzocht om een vervangende opdracht voor het studieonderdeel. Bij beslissing van 22 december 2025 heeft de examencommissie dat verzoek onder drie voorwaarden toegewezen. Hiertegen heeft [verzoekster] administratief beroep ingesteld. [verzoekster] is het niet eens met de voorwaarde dat zij na 14 april 2026 mag starten met de vervangende opdracht.
3. De examencommissie heeft vervolgens de beslissing van 22 december 2025 ingetrokken. De examencommissie heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een vervangende opdracht niet langer als voldoende betrouwbare toetsvorm kan worden beschouwd, omdat zich ontwikkelingen hebben voorgedaan binnen het onderwijs en het toetsbeleid, met name rondom het gebruik van Artificial Intelligence. De examencommissie heeft in plaats daarvan aan [verzoekster] een extra schriftelijke toetsmogelijkheid op 14 april 2026 aangeboden.
4. Bij e-mail van 1 april 2026 heeft [verzoekster] dat voorstel afgewezen en aangegeven alsnog de vervangende opdracht te willen uitvoeren en daarmee vóór 14 april 2026 te willen starten.
5. Bij beslissing van 29 mei 2026 heeft het CBE geconcludeerd dat de examencommissie in redelijkheid en op goede gronden tot de beslissing van 22 december 2025 en de intrekking daarvan heeft kunnen komen.
6. Bij e-mail van 18 augustus 2026 heeft het CBE aan [verzoekster] aangeboden dat zij binnen twee weken alsnog een vervangende opdracht voor het studieonderdeel mag maken.
7. Op 18 augustus 2026 heeft [verzoekster] het schikkingsvoorstel geaccepteerd en het beroep ingetrokken. Zij heeft de Afdeling verzocht om het CBE te veroordelen in de proceskosten.
Beoordeling
8. De bepalingen van de Awb die in deze zaak van toepassing zijn, luiden:
"Artikel 8:41, zevende lid: "Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, vergoedt het bestuursorgaan aan de indiener het door deze betaalde griffierecht."
"Artikel 8:75a, eerste lid: "In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard."
9. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE met de getroffen schikking op 18 augustus 2026, anders dan in de beslissing van 29 mei 2026 is gedaan, aan [verzoekster] toegekend waar zij om heeft verzocht, namelijk het mogen maken van een vervangende opdracht voor het studieonderdeel. Het CBE is tegemoet gekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De Afdeling komt daarom tot het oordeel dat het CBE de proceskosten van [verzoekster] moet vergoeden.
10. Het verzoek dient als kennelijk gegrond op na te melden wijze te worden toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het beroep ontstane proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
II. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
1033