Bestuursrecht overig
Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Ede het bestemmingsplan "Lunteren…
Raad van State, 4 november 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6496 · Raad van State · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2026-6496
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 202500517/1/R4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6496
Samenvatting
Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Ede het bestemmingsplan "Lunteren, Molenparkweg Oost ongenummerd" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een bouwvlak voor een vrijstaande woning op het perceel van [partij] aan de Molenparkweg Oost in Lunteren. [appellant] is eigenaar van het naburige perceel. Hij komt op tegen het plan, omdat hij ook een bouwvlak op zijn perceel wenst. [appellant] betoogt dat hij als eigenaar van het naastgelegen perceel ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte is gesteld van het ontwerpplan. [appellant] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen bouwvlak is toegekend zodat op dat perceel een woning kan worden gebouwd. [appellant] voert aan dat met een wethouder van de gemeente een mondelinge afspraak is gemaakt dat hij op zijn perceel een woning mag bouwen en dat die afspraak schriftelijk is bevestigd. [appellant] verzoekt de Afdeling om uit te spreken dat er gebouwd mag worden op zijn perceel, zonder dat vooraf diverse onderzoeken hoeven te worden uitgevoerd en kosten in rekening worden gebracht.
Uitspraak
202500517/1/R4.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de raad van de gemeente Ede,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Lunteren, Molenparkweg Oost ongenummerd" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 oktober 2026, waar [appellant], bijgestaan door [persoon A], en de raad, vertegenwoordigd door J. Stieber en D. Reincke, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door [persoon B], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 7 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in een bouwvlak voor een vrijstaande woning op het perceel van [partij] aan de Molenparkweg Oost in Lunteren. [appellant] is eigenaar van het naburige perceel. Hij komt op tegen het plan, omdat hij ook een bouwvlak op zijn perceel wenst.
Toetsingskader
2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Niet persoonlijk informeren
3. [appellant] betoogt dat hij als eigenaar van het naastgelegen perceel ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte is gesteld van het ontwerpplan.
3.1. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wro of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan.
Het betoog slaagt niet.
Perceel [appellant]
4. [appellant] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen bouwvlak is toegekend zodat op dat perceel een woning kan worden gebouwd. [appellant] voert aan dat met een wethouder van de gemeente een mondelinge afspraak is gemaakt dat hij op zijn perceel een woning mag bouwen en dat die afspraak schriftelijk is bevestigd. [appellant] verzoekt de Afdeling om uit te spreken dat er gebouwd mag worden op zijn perceel, zonder dat vooraf diverse onderzoeken hoeven te worden uitgevoerd en kosten in rekening worden gebracht.
4.1. De Afdeling stelt vast dat het betoog van [appellant] niet ziet op de ontwikkeling die met het plan wordt mogelijk gemaakt. Desgevraagd heeft [appellant] op de zitting ook aangegeven dat hij niet de vernietiging van het bestemmingsplan beoogt, maar dat hij op zijn eigen perceel eenzelfde soort ontwikkeling wenst. Deze procedure ziet echter op het bestemmingsplan en het perceel van [appellant] maakt geen deel uit van het plangebied.
Voor zover het betoog van [appellant] zo moet worden opgevat dat hij zich niet kan verenigen met de begrenzing van het plan, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken van een zodanige ruimtelijke samenhang tussen het perceel van [appellant] en het plangebied, dat de raad dit perceel in het plan had moeten betrekken. Het plan ziet op de realisatie van één woning in het plangebied en deze ontwikkeling vindt niet plaats op het perceel van [appellant].
Aangezien het perceel van [appellant] geen deel uitmaakt van het plangebied en - gelet op het vorenstaande - daarvan ook geen deel behoeft uit te maken, is de vraag of op dat perceel de door [appellant] gewenste ontwikkeling moet worden toegestaan in deze procedure niet aan de orde.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Es
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
826-1216