Bestuursrecht overig

Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat besloten dat de…

Raad van State, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
202501996/1/A2
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6488
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat besloten dat de woning van [appellant] niet voldoet aan de veiligheidsnorm en versterkt moet worden. Een bij de woning behorende schuur (een ligboxenstal voor melkrundvee) hoeft niet versterkt te worden. [appellant] is eigenaar van de woning met bijbehorende schuren aan de [locatie] in Wagenborgen, een gebied waar aardbevingen voorkomen. Tussen partijen is in geschil of de ligboxenstal voor melkrundvee uit 1995, aangeduid als bijgebouw B met industriefunctie (hierna: de schuur), moet worden versterkt. De schuur heeft een hoofddraagconstructie van stalen spanten waarop golfplaten zijn bevestigd. Volgens [appellant] is de schuur aan een kant ernstig verzakt (20 tot 30 cm) en daardoor onveilig omdat de dakconstructie haar functie heeft verloren. Volgens [appellant] is de schade ontstaan door verweking van de ondergrond onder de kelder als gevolg van bodembeweging door mijnbouw. De minister stelt dat de schuur voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden.

Uitspraak

202501996/1/A2.

Datum uitspraak: 4 november 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Wagenborgen, gemeente Eemsdelta,

appellant,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat besloten dat de woning van [appellant] niet voldoet aan de veiligheidsnorm en versterkt moet worden. Een bij de woning behorende schuur (een ligboxenstal voor melkrundvee) hoeft niet versterkt te worden.

Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de staatssecretaris Herstel Groningen, na bezwaar van [appellant], de conclusie gehandhaafd dat de schuur geen versterking behoeft.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers en mr. D.J. Meijer, advocaten in Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H. Poort-van Drempt en A. Snippe, vergezeld door ing. R. Kamer en ir. J. Voermans, deskundigen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Onder de minister worden hierna ook zijn rechtsvoorgangers verstaan.

2.       [appellant] is eigenaar van de woning met bijbehorende schuren aan de [locatie] in Wagenborgen, een gebied waar aardbevingen voorkomen.

3.       Tussen partijen is in geschil of de ligboxenstal voor melkrundvee uit 1995, aangeduid als bijgebouw B met industriefunctie (hierna: de schuur), moet worden versterkt. De schuur heeft een hoofddraagconstructie van stalen spanten waarop golfplaten zijn bevestigd.

4.       Volgens [appellant] is de schuur aan een kant ernstig verzakt (20 tot 30 cm) en daardoor onveilig omdat de dakconstructie haar functie heeft verloren. Volgens [appellant] is de schade ontstaan door verweking van de ondergrond onder de kelder als gevolg van bodembeweging door mijnbouw.

5.       De minister stelt dat de schuur voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden. De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) heeft het ingenieursbureau W2N de opdracht gegeven om te onderzoeken of de schuur voldoet aan de veiligheidsnorm voor gebouwen in het aardbevingsgebied als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen (TwG). Deze zogenoemde Meijdam-norm bepaalt de constructieve veiligheid van gebouwen waar mensen verblijven door te toetsen aan de maximaal aanvaardbare kans dat iemand bij een aardbeving komt te overlijden door instorting van een gebouw. De kans dat iemand overlijdt door het bezwijken van (een deel van) een bouwwerk door een aardbeving mag niet groter zijn dan 1 op de 100.000. Dit is gelijk aan de landelijke veiligheidsnorm die voor alle gebouwen in Nederland geldt.

6.       W2N heeft de schuur aan de hand van de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) beoordeeld en is daarbij uitgegaan van de opname van de schuur op 18 december 2019. De NPR beschrijft uitgangspunten en rekenmethodes waarmee kan worden bepaald of nieuwe en bestaande gebouwen bestand zijn tegen aardbevingen in het gebied van het Groningengasveld. Constructeurs kunnen met deze richtlijn berekenen hoe sterk een gebouw moet zijn om te voldoen aan de veiligheidsnorm. De schuur van [appellant] is beoordeeld met de NPR 9998:2018 (T2).

7.       De NCG heeft aan het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) de vraag gesteld in welke gevolgklasse volgens de NPR 9998:2018 een Groninger schuur moet worden ingedeeld. De werkgroep aardbevingen van de NEN heeft hierop de notitie Gevolgklasse Groninger schuur volgens de NPR 9998 van mei 2020, geactualiseerd op januari 2021, opgesteld.

8.       Volgens de NEN moet een landbouwschuur in een gevolgklasse conform NEN-EN 1990 oftewel NEN 8700 ingedeeld worden afhankelijk van het feitelijk gebruik. W2N heeft de schuur op grond van de notitie ingedeeld in gevolgklasse CC1B voor bestaande bouw, omdat in de schuur een aantal mensen voor werkzaamheden langere tijd aanwezig is. De werkgroep aardbevingen adviseert voor de bepaling van de rekenwaarde van de aardbevingsbelasting aan de hand van de NEN-webtool een herhalingstijd van 95 jaar overeenkomstig tabel 2.3 van NPR 9998:2018 (T2) te hanteren. Deze herhalingstijd betreft alleen die delen van de constructie die de stabiliteit van de landbouwschuur verzekeren.

Adviezen en het besluit van 24 februari 2025

9.       W2N heeft naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 26 augustus 2021, waarin aan de hand van de zogenoemde Validatiechecklist schuren is aangenomen dat de schuur voldoet aan de NPR 9998:2018 (T2), een advies van 28 april 2022 uitgebracht. [appellant] heeft daarop een tegenadvies van Adviesburo F.T.V. BV (verder: FTV) van 24 oktober 2022 uitgebracht met een aantal bijlagen. W2N heeft vervolgens op 5 april 2023 een nader advies uitgebracht.

10.     W2N heeft in het advies van 5 april 2023, opgesteld door ir. R. Wiersum, vooropgesteld dat een beoordeling nodig is van de seismische belasting en de capaciteit van de schuur om te controleren of er maatregelen nodig zijn om de schuur te versterken. In de bijlage van het advies is de windbelasting vergeleken met de aardbevingsbelasting zoals berekend op grond van de NPR 9998:2018 (T2). Hierbij zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als bij de berekening opgesteld door FTV. De laagste windbelasting in één richting is ongeveer 113,51 kN. De gevolgklasse van de schuur is bepaald op CC1B. De maatgevende aardbevingsbelasting is ongeveer 21,6 kN. W2N concludeert dat de aardbevingsbelasting dusdanig laag is dat de constructie van de schuur (onderbouw en bovenbouw) berekend op windbelasting hieraan ruim voldoet. De horizontale belasting vanuit de kelderwanden is volgens W2N eveneens lager dan de horizontale belasting door windbelastingen. Instabiliteit van de kelderwanden als gevolg van een aardbeving is dan volgens W2N ook niet mogelijk.

Volgens W2N kan de grond onder de fundering niet verweken. Volgens de NPR kunnen alleen niet-cohesieve grondsoorten verweken (zandgronden). De grond op de plaats van de schuur bestaat uit cohesieve grondlagen. De kans op verweking van zandgronden is eveneens gecontroleerd met de webtool behorende bij de NPR. Ook in het geval van zandgronden is er in de buurt van Wagenborgen geen kans op verweking.

11.     [appellant] heeft daarop een nader tegenadvies met berekeningen van FTV van 9 januari 2024 ingebracht en een geologische analyse van de schade van Holland Innovation Team BV (HIT) van juli 2017, opgesteld door [persoon]. Volgens FTV voldoen de spanten van de schuur door de opgetreden verzakking niet meer. FTV heeft rekenkundig bepaald dat de schuur hierdoor niet aan de veiligheidsnorm voldoet.

12.     In het nader advies van 22 maart 2024 heeft W2N uiteengezet dat volgens de berekeningen van FTV de constructie niet voldoet ten aanzien van sneeuw- en windbelastingen. Dat er sprake is van mankementen aan de constructie geeft aanleiding om te twijfelen of is voldaan aan de NEN8700. Hieruit valt niet te concluderen dat de constructie versterkt moet worden vanwege aardbevingsbelastingen, omdat de aardbevingsbelasting ongeveer gelijk is aan 20% van de maatgevende windbelasting. De constructie, zoals deze is getoetst volgens de berekeningen van FTV zou tijdens een zware aardbeving ruimschoots voldoen. W2N heeft verder uiteengezet dat de piekgrondversnelling van 0,0390g die bij de berekening door W2N is gebruikt, hoort bij een herhalingstijd van 95 jaar in tijdvak 2.

Verder wordt in de NEN-webtool uitgegaan van de maatgevende grondsoort in een bepaald gebied. De grond op de plaats van de schuur bestaat uit cohesieve grondlagen (klei). Dat er op deze locatie grond kan worden aangetroffen met negatievere gevolgen voor de constructie is nagenoeg uitgesloten. De berekening is gebaseerd op de NPR en de bijbehorende webtool en er zijn op deze locatie geen constateringen gedaan waardoor daarvan afgeweken moet worden. Daarnaast is berekend dat ook in het geval van zandgronden er geen kans is op verweking. Ook dit is bepaald met de webtool behorende bij de NPR.

13.     In het besluit van 24 februari 2025 heeft de minister besloten dat de schuur voldoet aan de veiligheidsnorm en dus niet hoeft te worden versterkt.

Beoordeling van het beroep van [appellant]

Ingetrokken beroepsgronden

14.     Op de zitting heeft [appellant] desgevraagd gesteld dat de voor de schuur gehanteerde gevolgklasse, CC1B, niet langer in geschil is. [appellant] heeft ook de gronden die zien op de Validatiechecklist Groninger schuren ingetrokken.

De aardbevingsbelasting

15.     [appellant] betoogt dat W2N ten onrechte concludeert dat de aardbevingsbelasting zodanig laag is dat de constructie van de schuur aan de normen voldoet. Volgens [appellant] heeft FTV de berekeningen op een juiste manier uitgevoerd en deze leiden tot de conclusie dat de schuur niet voldoet aan de veiligheidsnorm en moet worden versterkt.

16.     De Afdeling volgt dit betoog niet. W2N heeft in de adviezen uiteengezet dat de berekeningen van FTV aantonen dat de constructie niet voldoet ten aanzien van sneeuw- en windbelastingen. FTV heeft in de berekeningen geen aardbevingsbelasting getoetst. W2N heeft berekend dat de aardbevingsbelasting, zoals die is gebaseerd op een herhalingstijd van 95 jaar in tijdvak 2, op de locatie van de schuur zo laag is (0,039g) dat de hogere, berekende windbelasting maatgevend moet worden geacht. Hieraan verbindt W2N de conclusie dat de aardbevingsbelasting dusdanig laag is dat de constructie van de schuur voldoet. Het uitvoeren van een aanvullende berekening heeft geen toegevoegde waarde en leidt niet tot andere inzichten.

17.     Op de zitting hebben de deskundigen van de minister toegelicht dat wind- en aardbevingsbelasting bij landbouwschuren - lichte constructies met een groot oppervlak - met elkaar kunnen worden vergeleken omdat beide type belastingen de schuur horizontaal opzij trekken of drukken. Omdat een schuur een lage massa heeft, zijn de gevolgen van de opgewekte aardbevingskracht minimaal. De windbelasting op het grote oppervlak van de schuur is dan ook vrijwel altijd vele malen groter dan de aardbevingsbelasting. Als de schuur is berekend op zware windstoten, is hij ook sterk genoeg om een aardbeving te doorstaan. Gelet hierop volstaat een eenvoudigere berekening op grond van de windbelasting en is een volledige, complexe toets aan de NPR 9998 niet nodig.

17.1.  De Afdeling ziet gelet op de door de minister gegeven toelichting geen grond voor het oordeel dat in dit geval niet mocht worden volstaan met een eenvoudiger berekening van de seismische draagkracht en dat de windbelasting niet maatgevend mocht worden geacht voor de beantwoording van de vraag of de schuur aan de veiligheidsnorm voldoet. De deskundigen hebben gemotiveerd uitgelegd dat een verdergaande berekening op grond van de NPR geen toegevoegde waarde heeft. [appellant] heeft hier te weinig tegenover gesteld. Daarbij betrekt de Afdeling ook hetgeen hieronder wordt overwogen over de piekgrondversnelling en de gestelde verweking van de ondergrond.

17.2.  Het betoog slaagt niet.

Piekgrondversnelling

18.     [appellant] betoogt dat W2N heeft erkend dat het mogelijk is van een hogere piekgrondversnelling uit te gaan in het geval wordt uitgegaan van een herhalingstijd van 475 jaar. Volgens [appellant] moet worden uitgegaan van de piekgrondversnelling 0,12g in plaats van 0,039g en is daarom een verdere doorrekening op grond van de NPR noodzakelijk. Hij wijst in dit verband op de piekgrondversnelling die voor de berekeningen van zijn woning is gehanteerd.

18.1.  De Afdeling volgt dit betoog niet. De minister heeft uiteengezet dat de notitie ‘Gevolgklasse Groninger schuur volgens de NPR 9998’ adviseert de te hanteren herhalingstijd te bepalen overeenkomstig tabel 2.3 van de NPR 9998:2018 (T2). De gevolgklasse van de schuur is aan de hand van de notitie bepaald op CC1B en daarbij hoort volgens de tabel opgenomen in de notitie een herhalingstijd van 95 jaar. In dit geval is immers sprake van een situatie van normaal gebruik van de schuur en niet van een situatie waarin meer dan 20 personen gelijktijdig gedurende langere tijd in de schuur verblijven. De constructeur berekent aan de hand van de NEN-webtool de seismische belasting bij een herhalingstijd van 95 jaar. Dit levert een piekgrondversnelling van 0,039g op. Dat voor de woning een langere herhalingstijd van 475 jaar is gehanteerd, maakt de piekgrondversnelling waarmee voor de schuur rekening is gehouden dus niet onjuist, zoals de minister terecht betoogt. Het risico op instorting wordt op basis van een kortere herhalingstijd bij schuren, waarin bij normaal gebruik weliswaar enkele mensen verblijven, maar waarin zich geen woonvertrekken bevinden lichter genormeerd dan bij woningen het geval is en dat vertaalt zich in een lagere piekgrondversnelling waarmee te rekenen is. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister zich in navolging van W2N niet mocht baseren op de notitie ‘Gevolgklasse Groninger schuur volgens de NPR 9998’ voor de berekening van de piekgrondversnelling.

18.2.  Het betoog slaagt niet.

Verweking van de ondergrond

19.     [appellant] betoogt dat de kans op verweking van de ondergrond door W2N niet juist is beoordeeld. Uit de overgelegde tegenadviezen volgt dat de grondsamenstelling op de plaats van de schuur anders is dan W2N stelt op basis van gegevens uit het Dinoloket. [appellant] wijst er in dit verband ook op dat de stal is scheefgezakt, het proces van verzakking doorgaat, er veel scheuren in de muren zitten en dat dit niet los kan worden gezien van trillingen door aardbevingen.

19.1.  W2N heeft in de adviezen van 5 april 2023 en 22 maart 2024 uiteengezet dat er geen kans is op verweking van de grond onder de fundering of rondom de kelderbak. Uit de NPR volgt dat alleen niet-cohesieve grondsoorten kunnen verweken (bijvoorbeeld zandgronden). De NEN-webtool die behoort bij de NPR 9998:2018 gaat uit van de maatgevende grondsoort in een bepaald gebied. In dit geval is op basis daarvan vastgesteld dat de grond onder de schuur bestaat uit cohesieve grondlagen (klei). Ook in het geval van zandgronden in de buurt van Wagenborgen is er geen kans op verweking, dit is eveneens gecontroleerd met de webtool. Er hoeft geen verdere analyse te worden uitgevoerd; de kans op verweking en daarmee van verandering van de draagkracht van de ondergrond is verwaarloosbaar. Dit is niet de oorzaak van de gestelde verzakking van de schuur.

19.2.  [appellant] heeft hier te weinig tegenover gesteld. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat W2N is uitgegaan van een onjuiste grondsoort en dat de kans op verweking niet aan de hand van de NEN-webtool mag worden bepaald.

19.3.  De Afdeling volgt ook niet het betoog van [appellant] dat de scheefstand van de schuur en het proces van verdere verzakking moeten worden gezien als bewijs van verweking als gevolg van trillingen door aardbevingen. Een gebouw kan door allerlei oorzaken zodanig beschadigd zijn dat het niet meer voldoet aan de minimale kwaliteitseisen. De eigenaar van het gebouw is hiervoor verantwoordelijk. NEN 8700 en de NPR zijn verschillende methoden waarmee een gebouw op verschillende manieren wordt beoordeeld. Daarmee is het ook goed mogelijk dat een gebouw niet voldoet aan de NEN 8700, maar wel voldoet aan de NPR. Er zijn veel andere krachten die ervoor kunnen zorgen dat een gebouw bezwijkt die veel sterker zijn dan de berekende grondversnelling van 0,039g. Met de NEN 8700 kan het gebouw worden getoetst op deze krachten. Maar dit is geen beoordeling die wordt uitgevoerd in het kader van de vraag of een woning voldoet aan de veiligheidsnorm en of bewoners een gebouw veilig kunnen verlaten bij een zware aardbeving. Als de schuur schade heeft waarvan [appellant] vermoedt dat deze is ontstaan door bodembeweging, dan kan deze schade gemeld worden bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3351, onder 40.

19.4.  Het betoog slaagt niet.

Conclusie

20.     Het beroep is ongegrond.

21.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Planken

Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026

299-1160