Bestuursrecht overig
Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo ten behoeve van…
Raad van State, 4 november 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6509 · Raad van State · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rvs-2026-6509
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 202303345/1/R3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6509
Samenvatting
Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo ten behoeve van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai van de Henriëtte Roland Holstlaan. Bij besluit van 12 januari 2021 heeft het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouw- en tuinmarkt met afhaalcentrum, parkeerplaatsen en toebehoren op het perceel aan de Henriëtte Roland Holstlaan 70 (het perceel) in Almelo. Aan het grootste deel van de gronden is de bestemming "Detailhandel" toegekend. Hornbach is initiatiefnemer van het plan. Ten behoeve van dat plan zijn hogere waarden vastgesteld voor enkele omliggende woningen. Hornbach heeft op basis van het vastgestelde plan een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend gekregen voor de bouw van onder meer een bouw- en tuinmarkt met afhaalcentrum. Beter Bed B.V. en andere kunnen zich niet verenigen met de verschillende besluiten die de ontwikkeling mogelijk maken. Zij brengen verschillende beroepsgronden naar voren, onder meer over geluidhinder, verkeersproblematiek en gevolgen voor leegstand ter plaatse van de Woonboulevard in Almelo.
Uitspraak
202303345/1/R3.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Beter Bed B.V., gevestigd in Uden, gemeente Maashorst, en andere,
appellanten,
en
1. het college van burgemeester en wethouders van Almelo,
2. de raad van de gemeente Almelo,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai van de Henriëtte Roland Holstlaan.
Bij besluit van 20 oktober 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Rhijnbeek" vastgesteld.
Bij besluit van 12 januari 2021 heeft het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouw- en tuinmarkt met afhaalcentrum, parkeerplaatsen en toebehoren op het perceel aan de Henriëtte Roland Holstlaan 70 (het perceel) in Almelo.
De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling.
Tegen deze besluiten hebben Beter Bed B.V. en andere beroep ingesteld.
Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.
Beter Bed B.V. en andere hebben nadere stukken ingediend.
Hornbach Holding B.V. en Hornbach Real Estate Almelo B.V. (hierna samen en in enkelvoud: Hornbach) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 mei 2026, waar zijn verschenen:
- Beter Bed B.V. en andere, vertegenwoordigd door mr. J.J.H. Hulshof, advocaat in Nijmegen. Aan de zijde van Beter Bed B.V. en andere zijn ook verschenen [persoon A], [persoon B], [persoon C] en drs. A.G.H. Hooft;
- het college en de raad, beide vertegenwoordigd door mr. dr. D.G.J. Sanderink, advocaat in Haaksbergen, en M.M. Weerink. Aan de zijde van het college en de raad zijn ook verschenen ing. C. Nab, R. van Lieshout en N.A.M. Uitslag;
- Hornbach, vertegenwoordigd door mr. C. Kniestedt, advocaat in Amsterdam, en [persoon D].
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen - behoudens provinciale wegen - het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" waarvan het ontwerp op 21 januari 2020 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet geluidhinder (Wgh), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 19 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1 van deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Inleiding
4. Het plan voorziet in een bouw- en tuinmarkt met afhaalcentrum, parkeerplaatsen en toebehoren op het perceel. Aan het grootste deel van de gronden is de bestemming "Detailhandel" toegekend. Hornbach is initiatiefnemer van het plan. Ten behoeve van dat plan zijn hogere waarden vastgesteld voor enkele omliggende woningen. Hornbach heeft op basis van het vastgestelde plan een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend gekregen voor de bouw van onder meer een bouw- en tuinmarkt met afhaalcentrum.
5. Beter Bed B.V. en andere kunnen zich niet verenigen met de verschillende besluiten die de ontwikkeling mogelijk maken. Zij brengen verschillende beroepsgronden naar voren, onder meer over geluidhinder, verkeersproblematiek en gevolgen voor leegstand ter plaatse van de Woonboulevard in Almelo.
6. In het onderstaande zal de Afdeling de door Beter Bed B.V. en andere naar voren gebrachte beroepsgronden beoordelen. Daarbij zal de Afdeling eerst ingaan op het vastgestelde bestemmingsplan, vervolgens op het besluit hogere waarden en tot slot op de verleende omgevingsvergunning.
HET BESTEMMINGSPLAN
Ingetrokken beroepsgronden
7. Op de zitting hebben Beter Bed B.V. en andere hun beroepsgrond over parkeren en de beroepsgrond dat het evidentiecriterium geldt bij de vraag of de omgevingsverordening aan de Dienstenrichtlijn voldoet, ingetrokken.
Toetsingskader
8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Behoefte en leegstand
9. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zij betwisten allereerst dat het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast bevat het rapport "Almelo, Ruimtelijk-functionele effectenanalyse Hornbach", van 15 juni 2020, opgesteld door BRO (effectenanalyse), volgens hen zodanige gebreken dat het niet kan worden gebruikt voor het standpunt dat er een kwantitatieve behoefte bestaat aan de met het plan voorziene Hornbach-vestiging. Verder is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een kwalitatieve behoefte aan de Hornbach-vestiging, mede omdat er al twee vergelijkbare formules in Twente gevestigd zijn. Tot slot zijn de leegstandseffecten onderschat en leidt het plan tot onaanvaardbare leegstand, onder meer op de Woonboulevard.
9.1. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.
9.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verplicht het betrokken bestuursorgaan om in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te beschrijven. Deze verplichting geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij deze behoefte gaat het, volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling, niet alleen om de kwantitatieve behoefte. Het kan ook gaan om de kwalitatieve behoefte: de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5233, onder 14.1). De omstandigheid dat een kwantitatieve behoefte ontbreekt, dan wel de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod in een bepaalde branche, of de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot marktverschuiving in een bepaalde branche, of tot sluiting van ondernemingen, of dat deze zal leiden tot leegstand betekenen nog niet dat niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 9.9.
9.3. De Afdeling beoordeelt, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven en aan de hand daarvan, of de beschrijving van de behoefte in de toelichting, niet zodanig gebrekkig is of zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Hierbij is van belang of een appellant voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte naar voren heeft gebracht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Ook beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het plan geen onaanvaardbare structurele leegstand in het desbetreffende gebied tot gevolg heeft. Zie de hiervoor genoemde overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, onder 9.2, 9.3 en 9.8.
9.4. In de voorbereiding op het plan heeft BRO een effectenanalyse uitgevoerd. In reactie daarop hebben Beter Bed B.V. en andere de "Kritische reflectie komst Hornbach Almelo" (tegenrapport), van 22 december 2023, opgesteld door Sweco, overgelegd. Vervolgens heeft BRO op 24 oktober 2024 in opdracht van de raad een nadere notitie opgesteld waarin onder meer op dat tegenrapport wordt ingegaan. In opdracht van Beter Bed B.V. en andere heeft Sweco op 7 mei 2026 een reactiememo opgesteld. De Afdeling zal deze stukken betrekken bij haar beoordeling.
9.5. De Afdeling zal voor de vraag of de raad het bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, heeft vastgesteld allereerst beoordelen of het plangebied als bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt. Vervolgens zal zij bezien of sprake is van een kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling. Daarna komt het betoog over de kwantitatieve behoefte aan de orde. In dat kader komen de afbakening van het verzorgingsgebied en het al dan niet meenemen van de harde plancapaciteit aan de orde. Als laatste gaat de Afdeling in op het standpunt van de raad dat de ontwikkeling niet leidt tot uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare leegstand.
- bestaand stedelijk gebied
10. Beter Bed B.V. en andere betogen dat onvoldoende duidelijk is of het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. In dat kader voeren zij aan dat de bestemming "Bijzondere doeleinden" op de plankaart bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Groeneveld" ter plaatse van het plangebied lijkt te zijn vervallen, waardoor niet duidelijk is welke mogelijkheden dat plan bood. De raad heeft niet gemotiveerd dat dat plan ter plaatse van het plangebied een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing mogelijk maakte, zodat niet is onderbouwd dat sprake is van bestaand stedelijk gebied.
10.1. In de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, onder 10.1 is overwogen dat de beantwoording van de vraag of een plangebied als bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, kan worden aangemerkt, volgens de nota van toelichting uit 2017 (Stb. 2017, 182) afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de rechtspraak van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het plangebied al een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt. Daarbij wordt ook beoordeeld of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
10.2. De Afdeling ziet zich eerst gesteld voor de vraag welke betekenis toekomt aan het woord "VERVALLEN" dat op de plankaart bij het bestemmingsplan "Groenveld" is geschreven, voor het antwoord op de vraag of gelet op wat dat plan mogelijk maakte sprake is van bestaand stedelijk gebied. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan Groenveld op 17 maart 1977 is vastgesteld. Op de plankaart staat verder dat Gedeputeerde Staten het plan op 28 maart 1978 hebben goedgekeurd. De Afdeling overweegt dat er naast de handgeschreven tekst op de plankaart, geen aanknopingspunten zijn dat na de vaststelling van het plan en de goedkeuring daarvan door Gedeputeerde Staten besluiten zijn genomen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan "Groenveld" voor dit plangebied niet meer geldt. Daarvoor is de handgeschreven tekst onvoldoende. Dat betekent dat moet worden bezien wat dat plan mogelijk maakte, voor het antwoord op de vraag of het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Op de plankaart bij het bestemmingsplan "Groenveld" staan ter plaatse van de gronden van het plangebied de letters "BD - A" en een bouwvlak. Op grond van artikel 3 van de planvoorschriften en de bijlage van de voorschriften is aan die gronden de bestemming "Bijzondere doeleinden-A" toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van diensten op het gebied van onderwijs, kantoorgebouwen en dienstwoningen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het plangebied terecht aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Het plangebied kan op grond van het voorgaande plan worden beschouwd als een bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorend geheel van openbare sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Daarbij heeft de raad terecht gekeken naar de eerder aan de gronden toegekende bestemming "Bijzondere doeleinden - A" en naar de ligging van het plangebied tussen gronden met een woonbestemming en sportvoorzieningen, en aan de Henriëtte Roland Holstlaan die aansluit op de kern van Almelo.
Het betoog slaagt niet.
- kwalitatieve behoefte
11. Beter Bed B.V. en andere betogen dat er geen kwalitatieve behoefte bestaat aan de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Daarover voeren zij aan dat bestaande bouwmarkten in het verzorgingsgebied en een grote vergelijkbare bouwmarkt in Hengelo al inspelen op de door de raad genoemde specifieke behoeften waarin de Hornbach zou voorzien. Daarnaast is op de Woonboulevard diverse horeca aanwezig, zodat ook de ondersteunende horeca bij de Hornbach geen kwalitatieve behoefte vervult.
11.1. In paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting stelt de raad dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte. Volgens de raad biedt Hornbach een volledige ‘klus’-beleving met een diep assortiment, een hoge mate van service en advies, en meer winkelcomfort. Daarbij wijst de raad op de opleving in de woningmarkt, waardoor consumenten meer behoefte hebben aan een dergelijk concept. Bovendien staat in de plantoelichting dat er in het verzorgingsgebied geen vergelijkbare grootschalige bouw- en tuinmarkt is, die in die kwalitatieve behoefte kan voorzien. Verder onderscheidt Hornbach zich ten opzichte van andere bouwmarkten in onder meer het aanbieden van productdemonstraties en een hoge mate van doe-het-zelfbeleving. Met de komst van Hornbach krijgen inwoners in met name het verzorgingsgebied op een aanvaardbare afstand toegang tot een dergelijke grootschalige bouw- en tuinmarkt. Daarnaast leidt de komst van Hornbach naar verwachting tot een opleving van het doe-het-zelven, waar ook de andere (specialistische) bouwmarkten van zullen profiteren. Dat er in Hengelo een vergelijkbare bouw- en tuinmarkt is, doet niet af aan de kwalitatieve behoefte die in Almelo bestaat. Ook inwoners van het verzorgingsgebied hebben behoefte aan een dergelijke ontwikkeling en inwoners van dat verzorgingsgebied zijn van oudsher sterk op Almelo gericht. Tot slot speelt het toevoegen van ondersteunende horeca in op de beleving in de winkel, zodat die horecacomponent eveneens voorziet in een behoefte.
11.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in de plantoelichting, de effectenanalyse en nadere notitie van BRO, voldoende duidelijk gemaakt waarom het specifieke karakter van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling onderscheidend is ten opzichte van het overige aanwezige aanbod en daarop een aanvulling is. Daarbij heeft de raad kunnen betrekken dat het plangebied op een goed bereikbare locatie ligt en de ontwikkeling voorziet in een grootschalig aanbod. Verder speelt Hornbach in op veranderende consumentenbehoeftes, door onder meer het aanbieden van productdemonstraties en de drive-in. Bovendien heeft de raad aannemelijk gemaakt dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling voor wat betreft aard en omvang, mede vanwege het grootschalige aanbod, niet elders in het verzorgingsgebied mogelijk is. Gelet op de door de raad gegeven motivering, ziet de Afdeling in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat er geen kwalitatieve behoefte bestaat aan de met het plan mogelijk gemaakte tuin- en bouwmarkt, met drive-in, op de locatie van het plangebied.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- kwantitatieve behoefte
12. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de kwantitatieve behoefte niet juist is bepaald. Daarover voeren zij aan dat de gemeentegrenzen ten onrechte als ‘harde knip’ zijn gebruikt bij het bepalen van het verzorgingsgebied. Voor bouwmarkten is het gebruikelijk uit te gaan van een reistijd van 25 autominuten. In dat kader wijzen Beter Bed B.V. en andere op twee in Hengelo gevestigde bouwmarkten, die volgens hen ten onrechte niet binnen het verzorgingsgebied vallen en dus niet zijn betrokken bij de effectenanalyse.
12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de betogen van Beter Bed B.V. en andere over de kwantitatieve behoefte in dit beroep niet relevant zijn. De raad heeft voorafgaand aan de vaststelling van het plan onder meer onderzoek laten doen naar die kwantitatieve behoefte, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de effectenanalyse. De raad erkent dat daaruit volgt dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling de berekende distributieve uitbreidingsruimte overschrijdt, zodat de kwantitatieve behoefte in zoverre ontbreekt. Dat betekent volgens de raad dat op de kritiekpunten van Beter Bed B.V. en andere over de kwantitatieve behoefte niet ingegaan hoeft te worden.
12.2. De Afdeling overweegt over het standpunt van de raad dat aan de betogen over de kwantitatieve behoefte niet wordt toegekomen, omdat de ontwikkeling de aanwezige distributieve uitbreidingsruimte overschrijdt, het volgende. Om te kunnen beoordelen of de raad voldoende heeft gemotiveerd dat als gevolg van het plan niet zulke leegstandseffecten zullen optreden dat dit tot een - uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening - onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden, moet de raad de kwantitatieve behoefte inzichtelijk hebben gemaakt. Gelet daarop zal de Afdeling de betogen van Beter Bed B.V. en andere over die kwantitatieve behoefte inhoudelijk beoordelen.
12.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1661, onder 5.8, moet van geval tot geval worden bezien welk schaalniveau past bij de behoefte, in de leniging waarvan de door het plan mogelijk gemaakte stedelijke ontwikkeling voorziet, gelet op de aard en omvang daarvan. Bij het bepalen van het verzorgingsgebied is de autoreistijd of afstand tot de detailhandelsvestiging een indicatie, maar ook andere factoren kunnen daarbij een rol spelen.
12.4. In de effectenanalyse van BRO van juni 2020 en de nadere notitie van oktober 2024 heeft de raad onder meer onderzoek gedaan naar de kwantitatieve behoefte. In dat kader heeft BRO het verzorgingsgebied bepaald. Daarbij heeft BRO eerst gekeken naar de meest recente koopstromen voor de doe-het-zelfbranche uit het Koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 (Koopstromenonderzoek). Daaruit volgt volgens BRO dat Almelo met name een verzorgingsfunctie heeft voor de inwoners van Noordwest-Twente, omdat 95% van de omzet in de doe-het-zelfbranche in Almelo afkomstig is uit de gemeenten Almelo, Hellendoorn, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand en Wierden. Daarom bestaat het relevante verzorgingsgebied voor de Hornbach-vestiging primair uit die gemeenten. Op basis van afstand in autominuten ligt het volgens BRO voor de hand om ook de gemeenten Borne en delen van Dinkelland en Hof van Twente tot het verzorgingsgebied te rekenen. Uit het Koopstromenonderzoek volgt echter dat deze inwoners met name georiënteerd zijn op Hengelo. Desondanks heeft BRO deze gemeenten meegenomen in het verzorgingsgebied, in een zogenoemd overloopgebied. Tot slot is voor het bepalen van het verzorgingsgebied gekeken naar ervaringsgegevens van Hornbachwinkels elders in Nederland.
Over het niet meenemen van Hengelo in het verzorgingsgebied staat in de nadere notitie van BRO dat in de gemeente Hengelo een Bauhaus en Praxis gevestigd zijn, zodat de verwachting is dat inwoners van Hengelo daar hun doe-het-zelfaankopen zullen blijven doen. Uit het Koopstromenonderzoek volgt daarnaast dat inwoners van Hengelo nu al nauwelijks georiënteerd zijn op Almelo en BRO niet verwacht dat dit met de komst van Hornbach zal veranderen, vanwege de nabijgelegen Bauhaus. Overigens merkt BRO in de nadere notitie op dat er in de effectenanalyse wel rekening is gehouden met eventuele ombuiging van koopstromen als gevolg van de komst van Hornbach in Almelo, zodat Hengelo in zoverre in de effectenanalyse is betrokken.
12.5. De Afdeling overweegt dat de raad bij het bepalen van het verzorgingsgebied, in navolging van BRO, rekening heeft kunnen houden met lokale factoren als gemeentegrenzen, aanwezige bouwmarkten in de regio en consumentendraagvlak. Bij de keuze voor het verzorgingsgebied heeft de raad verder van belang kunnen achten dat recente aanbodcijfers en koopstroomgegevens op gemeenteniveau beschikbaar zijn, zodat voor het hanteren van gemeentegrenzen gekozen kon worden. Dat voor Hornbach-vestigingen elders in Nederland met name is gekeken naar afstand in autominuten, maakt niet dat in dit geval niet voor een andere methode kon worden gekozen. In wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzorgingsgebied niet op basis van voornoemde factoren bepaald kon worden. Verder heeft de raad Hengelo redelijkerwijs buiten het verzorgingsgebied kunnen laten, omdat inwoners daarvan volgens de koopstroomgegevens niet op Almelo georiënteerd zijn en daar met Bauhaus een vergelijkbare bouwmarkt aanwezig is. De Afdeling acht het met de raad niet aannemelijk dat dat na vestiging van Hornbach zal veranderen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de keuze voor het verzorgingsgebied voldoende heeft onderbouwd.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
12.6. Beter Bed B.V. en andere betogen verder dat de daadwerkelijke distributieve uitbreidingsruimte lager is dan de ruimte die er volgens de effectenanalyse van BRO is. Daarover voeren zij onder verwijzing naar het tegenrapport van Sweco aan dat van een te klein verzorgingsgebied is uitgegaan. Als van het juiste verzorgingsgebied was uitgegaan, was de distributieve uitbreidingsruimte nog lager geweest. Daarnaast is de harde plancapaciteit volgens Beter Bed B.V. en andere ten onrechte niet meegenomen. Dat betekent dat de distributieve uitbreidingsruimte volgens hen ook daarom lager is dan waar de raad in navolging van BRO vanuit gaat. BRO heeft ten onrechte alleen gekeken naar feitelijke leegstand.
12.7. BRO heeft in de effectenanalyse een marktruimteberekening uitgevoerd. Daarbij zijn het feitelijk aanwezige aanbod, de inwoneraantallen en het bestedingscijfer betrokken. BRO concludeert dat het doe-het-zelfaanbod in Almelo ongeveer 38% boven het landelijk vijfjaarsgemiddelde functioneert. Voor de tuincentra gaat het om een functioneren van ongeveer 9% boven dat landelijk vijfjaarsgemiddelde. BRO concludeert dat in 2030 een distributieve uitbreidingsruimte van 2.500 m2 wvo bestaat voor de doe-het-zelfbranche en 650 m2 wvo voor de tuincentrumbranche. Daarmee bedraagt de uitbreidingsruimte minder dan het bouwmarktaandeel van 9.600 m2 wvo en het tuinmarktaandeel van 2.500 m2 wvo van de beoogde ontwikkeling.
12.8. Sweco komt in zijn notitie van 22 december 2023 tot een hogere distributieve uitbreidingsruimte voor bouwmarkten, namelijk 4.398 m2 wvo.
12.9. Over het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat de distributieve uitbreidingsruimte kleiner is dan de raad stelt, omdat de raad, in navolging van BRO, van een te klein verzorgingsgebied is uitgegaan, overweegt de Afdeling dat de raad gelet op wat onder 12.5 is overwogen de keuze voor het verzorgingsgebied voldoende heeft onderbouwd.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
12.10. Bij het inzichtelijk maken van de behoefte aan een ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de zogenoemde harde plancapaciteit. Onder harde plancapaciteit wordt verstaan het aanbod van - in dit geval - winkels in de doe-het-zelf branche dat volgt uit onherroepelijke planologische besluiten, ook als dat aanbod feitelijk (nog) niet is gerealiseerd. De Afdeling verwijst naar onder meer haar uitspraak van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1668, overweging 5.8.
12.11. In paragraaf 3.4 van de effectenanalyse staat de cijfermatige analyse van relevante harde plancapaciteit. In de nadere notitie van BRO van 24 oktober 2024 staat dat bij de beoordeling of sprake is van kwantitatieve behoefte drie stappen worden doorlopen. Daarbij wordt eerst een distributieve berekening gemaakt op basis van de feitelijke huidige situatie en de toekomstige situatie. Vervolgens vindt een analyse en afweging van de plancapaciteit plaats, waarbij wordt beoordeeld in hoeverre het haalbaar en reëel is dat harde plancapaciteit en doe-het-zelflocaties daadwerkelijk worden ingevuld door doe-het-zelf. In de nadere notitie staat dat er in Almelo diverse locaties zijn met algemene en/of gemengde detailhandelsbestemmingen die harde plancapaciteit bevatten voor doe-het-zelf. Het is volgens BRO alleen niet reëel dat die plancapaciteit door doe-het-zelf zal worden ingevuld, omdat veel van deze plancapaciteit al benut wordt, kleinschalig van aard is en het vastgoed vaak niet geschikt is voor bouwmarkten. Voor diverse locaties staat in bijlage 2 bij de nadere notitie waarom het niet aannemelijk en reëel is dat die locaties door doe-het-zelf ingevuld zullen worden. In de derde stap wordt uitgegaan van invulling van alle harde plancapaciteit door doe-het-zelf.
12.12. Beoordeeld dient te worden wat in dit geval de betekenis is van de harde plancapaciteit voor de beantwoording van de vraag of behoefte bestaat aan de door het plan mogelijk gemaakte stedelijke ontwikkeling. Daarbij is van belang dat de omstandigheid dat de harde plancapaciteit groter is dan in de berekening is voorzien, niet zonder meer betekent dat er geen behoefte aan deze ontwikkeling bestaat. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:407, onder 7.10 en van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2591, onder 16.14.
12.13. De Afdeling overweegt dat BRO aan de hand van stap 2 heeft bezien waar doe-het-zelf zich gelet op de relevante harde plancapaciteit redelijkerwijs kan vestigen dan wel welke locaties realistisch geschikt zijn voor invulling met doe-het-zelf. Anders dan Beter Bed B.V. en andere betogen, in navolging van de reactiememo van Sweco van 20 december 2024, heeft BRO daarmee rekening gehouden met de relevante aanwezige harde plancapaciteit door te kijken naar een reële en aannemelijke invulling daarvan. De Afdeling acht deze methodiek niet onjuist.
Dat er, zoals Beter Bed B.V. en andere betogen, op de Woonboulevard 20.000 m2 wvo aan harde plancapaciteit aanwezig is die had moeten worden betrokken in de beoordeling van de distributieve uitbreidingsruimte, volgt de Afdeling niet. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van BRO dat niet aannemelijk is dat zich op de Woonboulevard doe-het-zelf zal vestigen. In de nadere notitie van BRO staat dat op de Woonboulevard sprake is van drie leegstaande panden, met een wvo van 4.000 m2. Dat betekent dat het overige deel aan harde plancapaciteit op de Woonboulevard al is ingevuld, zodat de Afdeling de raad volgt in het standpunt dat het niet aannemelijk is dat daar doe-het-zelf zal vestigen. Over de leegstaande panden op de Woonboulevard staat in de nadere notitie van BRO dat het evenmin aannemelijk is dat die zullen worden ingevuld door doe-het-zelf vanwege het daar aanwezige bestaande aanbod van onder meer bouwmarkten. Hier hoefde daarom in de berekening van de marktbehoefte geen rekening mee te worden gehouden. Dat de overige harde plancapaciteit die BRO heeft betrokken in de effectenanalyse en de nadere notitie niet hoefde te worden betrokken in de marktanalyse, omdat het niet reëel en aannemelijk is dat die wordt ingevuld door doe-het-zelf, hebben Beter Bed B.V. en andere niet bestreden. Zij hebben verder niet gewezen op locaties waar sprake is van harde plancapaciteit die in de beoordeling van de distributieve uitbreidingsruimte hadden moeten worden betrokken.
Uit wat de Afdeling hiervoor over de door BRO gehanteerde methode heeft overwogen, volgt dat de raad zich op basis van de effectenanalyse van BRO op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet alle harde plancapaciteit kan worden aangemerkt als beschikbaar aanbod, en niet alle harde plancapaciteit om die reden hoeft te worden betrokken in het onderzoek. Desondanks merkt BRO terecht op dat niet valt uit te sluiten dat de kwantitatieve behoefte aan een bouw- en tuinmarkt lager is dan in de effectenanalyse is voorzien. De Afdeling zal daarom hierna ingaan op de vraag of de raad zich gelet op het voorgaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot een zodanige leegstand leidt dat dit uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is.
- onaanvaardbare leegstand
13. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan door het gebrek aan distributieve uitbreidingsruimte zal leiden tot onaanvaardbare leegstand. Daarbij verwijzen zij naar het door Sweco opgestelde tegenrapport. Daarin staat dat bouwmarkten op drie verschillende PDV-clusters zullen verdwijnen, onder meer op de Woonboulevard. Doordat die bouwmarkten de 'trekkers' van dergelijke clusters zijn, zullen andere ondernemingen die daar gevestigd zijn eveneens verdwijnen. Verder brengen zij naar voren dat de leegstand plaatsvindt in de bestaande hoofddetailhandelsstructuur, terwijl daar beleidsmatig wordt ingezet op versterking. Bovendien zijn de mogelijkheden voor herinvulling volgens Beter Bed B.V. en andere zeer beperkt, zodat leegstand ook om die reden onaanvaardbaar is.
13.1. In paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting staat, in navolging van de effectenanalyse, dat de kans op leegstand relatief klein is, maar dat dit niet kan worden uitgesloten. De mogelijke leegstand is volgens de raad aanvaardbaar, omdat die zich zal spreiden over meerdere gemeenten. Verder is het opnieuw invullen en/of transformatie van die leegstand niet onmogelijk en zullen de effecten van de leegstand op de omgeving beperkt zijn, doordat het overgrote deel van het doe-het-zelf- en tuincentrumaanbod op solitaire en verspreide locaties ligt. Dit betekent dat als op die locaties een aanbieder verdwijnt, de leegstandseffecten volgens de raad niet onaanvaardbaar zijn. BRO komt in de effectenanalyse tot de conclusie dat de gemiddelde omzet per m2 in de doe-het-zelfbranche in Almelo zal dalen tot circa 17% onder het landelijk 5-jaarsgemiddelde. BRO verwacht niet dat daardoor doe-het-zelf zal verdwijnen, omdat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling leidt tot een toename van de totale omzet in de doe-het-zelf-branche. De omzet die voor overige doe-het-zelfzaken resteert is volgens BRO voldoende om economisch duurzaam te kunnen blijven functioneren.
13.2. In wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake zal zijn van onaanvaardbare leegstand na vestiging van Hornbach. Dat de ontwikkeling leidt tot directe uitval op drie voorzieningenclusters, zoals Beter Bed B.V. en andere onder verwijzing naar het tegenrapport van Sweco betogen, acht de Afdeling met de raad niet aannemelijk. Bovendien heeft de raad zich daarover in navolging van BRO op het standpunt kunnen stellen dat zelfs als die locaties leeg komen te staan dit niet onaanvaardbaar is. De raad heeft daarbij mogen betrekken dat het gaat om op verschillende locaties gelegen PDV-clusters, waardoor de mogelijke leegstandseffecten gering zijn. Verder worden de winkels op de Woonboulevard volgens de raad sterk doelgericht bezocht, zodat het wegvallen van een bouwmarkt daar niet zal leiden tot een sterke daling van consumenten. Dat hebben Beter Bed B.V. en andere niet gemotiveerd bestreden. Dat vestiging van Hornbach hoe dan ook tot leegstand zal leiden, hebben zij evenmin hard kunnen maken. Bovendien staat in de nadere notitie van BRO die de raad heeft overgelegd een analyse van de overige Hornbach-vestigingen in Nederland. Daaruit volgt dat er geen causaal verband bestaat tussen de komst van Hornbach en uitval van bouwmarkten in de regio. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot leegstand die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Conclusie over behoefte en leegstand
14. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte en dat het plan niet leidt tot een vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare leegstand. Daarbij voorziet het plan in enige kwantitatieve behoefte en ook als die behoefte lager is dan waar de raad van is uitgegaan, doet dat niet af aan de conclusie dat er behoefte bestaat aan het plan. De raad heeft het plan dan ook niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld.
De betogen daarover slagen niet.
Verkeer
15. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Daarover voeren zij aan dat de verkeersnotitie "Ontwikkeling Hornbach vestiging Almelo", van 9 juni 2020, opgesteld door Goudappel (verkeersnotitie), niet aan het plan ten grondslag kan worden gelegd, omdat de uitgangspunten die zijn gehanteerd voor het bepalen van de verkeersgeneratie en -intensiteiten niet juist zijn. Daarnaast voeren zij aan dat het plan leidt tot onaanvaardbare verkeersgevolgen, omdat de wegen rondom het plangebied niet zijn toegerust op de verkeersintensiteiten die ze na realisatie van het plan moeten verwerken. Tot slot betogen Beter Bed B.V. en andere dat er meerdere gebreken zitten aan de LARGAS-aansluiting en dat die aansluiting ten onrechte niet is geborgd in de planregels.
16. De Afdeling zal hieronder de verschillende betogen over verkeer bespreken. Daarbij zal zij eerst ingaan op de verkeersgeneratie en -intensiteiten. Vervolgens zal de Afdeling de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie bespreken. Tot slot komt de LARGAS-aansluiting en wat daarover is aangevoerd aan de orde.
- Verkeersgeneratie en -intensiteiten
17. Beter Bed B.V. en andere betogen dat in de verkeersnotitie voor de drive-in en de ondersteunende horeca een onjuist kencijfer is gehanteerd om de verkeersgeneratie te bepalen. Daarnaast is niet duidelijk op welke wijze de drive-in is betrokken bij het bepalen van de gemiddelde bezoekduur. Die onjuiste uitgangspunten kunnen volgens Beter Bed B.V. en andere niet aan de beoordeling ten grondslag worden gelegd, waardoor de beoordeling van de verkeerssituatie opnieuw moet worden gemaakt.
17.1. In paragraaf 6.2 van de plantoelichting wordt ingegaan op de verkeersopzet van het plan. In de daarin genoemde verkeersnotitie van Goudappel die voor het plan is opgesteld, is onderzocht hoe de verkeersgeneratie toeneemt als gevolg van de beoogde Hornbach-vestiging. In die verkeersnotitie is voor het bepalen van de verkeersgeneratie uitgegaan van de kencijfers van het CROW. Het plan leidt volgens de verkeersnotitie tot een verkeersgeneratie van circa 4.800 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Daarbij zijn de volgende in het plan geborgde maatvoeringen aangehouden: de omvang van de voorziene bouwmarkt 10.850 m2, het tuincentrum 5.500 m2, de drive-in 2.000 m2 en de horeca 100 m2. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de drive-in is aansluiting gezocht bij de verkeersgeneratie veroorzaakt door een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf.
De raad heeft gedurende de procedure door Goudappel op 11 september 2024 een notitie (nadere verkeersnotitie) laten opstellen, waarin wordt gereageerd op de beroepsgronden van Beter Bed B.V. en andere.
17.2. Dat voor de drive-in ten onrechte aansluiting is gezocht bij de verkeersgeneratie veroorzaakt door een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf, omdat aangesloten had moeten worden bij het kencijfer voor een bouwmarkt, volgt de Afdeling niet. Het functioneren van de drive-in is op grond van artikel 3.1, aanhef en onder 3, van de planregels functioneel afhankelijk aan het bestaan van de bouwmarkt en/of het tuincentrum. In de nadere verkeersnotitie staat dat bezoekers van de drive-in met hun auto langs stellingen zullen rijden om producten in te laden, af te rekenen en om de drive-in vervolgens weer uit te rijden. Voor het goed kunnen functioneren van de drive-in is volgens die nadere verkeersnotitie daarom, anders dan bij een gewone bouwmarkt, veel oppervlakte aan verkeersruimte nodig voor het manoeuvreren van voertuigen. In die ruimte wordt ook voorzien. Artikel 1.20 van de planregels bepaalt namelijk dat er in de drive-in ruimte moet zijn om er met een voertuig te verblijven. Daardoor is het volgens de nadere verkeersnotitie niet juist om de oppervlakte van de drive-in te beschouwen als een ‘bouwmarkt’ als bedoeld in het CROW, mede omdat in de drive-in hetzelfde assortiment wordt aangeboden als in de feitelijke bouwmarkt. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de planregeling voorziet in een gebruik van de drive-in op een wijze die voor wat betreft aard of schaal in noemenswaardige mate afwijkt van het gebruik waarvan bij het voorbereiden van het plan is uitgegaan. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet onredelijk dat in de verkeersnotitie voor de drive-in geen aansluiting is gezocht bij de kencijfers van de CROW voor een bouwmarkt.
Over het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat aansluiting had moeten worden gezocht bij 'commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)', overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in de nadere verkeersnotitie van Goudappel van 11 september 2024 staat, is er geen sprake van een kantoor, maar voorziet de drive-in in de opslag en verkoop van goederen. De Afdeling acht het dan ook niet onredelijk dat niet bij die functie is aangesloten voor het bepalen van de verkeersgeneratie. In de nadere verkeersnotitie staat verder dat de verblijftijd van klanten die van de drive-in functie gebruikmaken geen invloed heeft op de representativiteit of conclusies uit het onderzoek. In wat Beter Bed B.V. en andere daarover hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
Verder bepaalt artikel 3.1, aanhef en onder 4, in samenhang gelezen met artikel 1.22 van de planregels dat de horeca ondergeschikt is aan de bouw- en tuinmarkt en dezelfde openingstijden heeft. De ondersteunende horeca zal dan ook geen eigen bezoekers trekken. De Afdeling volgt de raad in het standpunt dat doordat wordt uitgaan van horeca als solitaire functie de verkeersgeneratie is overschat, waardoor de horeca in ieder geval niet meer verkeer zal genereren dan waarvan in de verkeersnotitie is uitgegaan.
Gelet op het voorgaande geeft wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat in de verkeersnotitie is uitgegaan van onredelijke uitgangspunten bij het bepalen van de verkeersgeneratie.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
17.3. In de verkeersnotitie staat dat de verkeersintensiteiten op de verschillende wegen rondom het plangebied zijn berekend met behulp van het Verkeersmodel Twente - RHDHV. Om het effect van de Hornbach-vestiging op de verschillende wegen inzichtelijk te maken, zijn in paragraaf 4.3 de verkeersintensiteiten in de referentiesituatie zonder de Hornbach-vestiging en de verkeersintensiteiten na realisatie van de vestiging gemodelleerd (planvariant) berekend. Daarbij is uitgegaan van de verwachte intensiteiten in 2030. Daaruit volgt dat op nagenoeg alle wegen sprake is van een toename. De grootste toenames aan relatieve en absolute verkeersbewegingen zijn zichtbaar op de Jan Vermeerstraat, de Bornerbroeksestraat en de Rietstraat. Verder wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de kwaliteit van de verkeersafwikkeling.
17.4. Dat de verkeersintensiteiten te laag zijn, omdat bij het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten, volgt de Afdeling onder verwijzing naar wat onder 17.2 is overwogen niet. Beter Bed B.V. en andere hebben ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat de berekende verkeersintensiteiten op de wegen in en om het plangebied niet juist zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor dat oordeel.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- gevolgen voor de verkeerssituatie
18. Daarnaast betogen Beter Bed B.V. en andere dat het plan leidt tot onaanvaardbare verkeersgevolgen. Daarover voeren zij aan dat de verkeerskundige aanvaardbaarheid van de toename van verkeer op de omliggende wegen in de verkeersnotitie ten onrechte niet is beoordeeld, terwijl in de huidige situatie al sprake is van overbelaste wegen. Volgens Beter Bed B.V. en andere leidt de toename van verkeer als gevolg van het plan daarom tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bereikbaarheid van de Woonboulevard. In dat kader voeren Beter Bed B.V. en andere ook nog aan dat de inrichting van de omliggende wegen niet is afgestemd op de intensiteiten die ze na realisatie van de ontwikkeling moeten verwerken.
18.1. De Afdeling volgt Beter Bed B.V. en andere in hun betoog dat de verkeerskundige aanvaardbaarheid van de toename van verkeer op de verschillende wegen om het plangebied in de verkeersnotitie ten onrechte niet is beoordeeld. In de verkeersnotitie wordt namelijk niet ingegaan op de vraag of die wegen de toename van verkeer op een veilige manier kunnen afwikkelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op basis van de verkeersnotitie daarom niet op het standpunt kunnen stellen dat de wegen om het plangebied de toename van verkeer kunnen verwerken, zodat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
Het betoog slaagt in zoverre.
18.2. Gelet op wat onder 18.1 is overwogen, kent het besluit een zorgvuldigheidsgebrek. Maar de raad heeft gedurende de beroepsprocedure Goudappel de nadere verkeersnotitie laten opstellen. Daarin wordt ingegaan op de verkeerskundige aanvaardbaarheid van de toename van verkeer op de verschillende onderzochte wegen. De Afdeling ziet daarin aanleiding om te beoordelen of de raad het geconstateerde gebrek heeft hersteld.
18.3. In de nadere verkeersnotitie wordt onder verwijzing naar de richtlijnen uit Duurzaam Veilig ingegaan op de toename van verkeer op de omliggende wegen in de planvariant. Daarin staat dat de Jan Vermeerstraat en de Bornerbroeksetraat erftoegangswegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/uur zijn. Voor dergelijke wegen geldt volgens de nadere verkeersnotitie een maximaal wenselijke verkeersintensiteit van ongeveer 6.000 mvt/etmaal. Nu op de Jan Vermeerstraat en de Bornerbroeksestraat een verkeersintensiteit van 3.540 mvt/etmaal respectievelijk 1.710 mvt/etmaal wordt verwacht, blijft de verkeersintensiteit op deze wegen onder de maximaal wenselijke verkeerscapaciteit van 6.000 mvt/etmaal. De Frederik van Eedenstraat en de Rietstraat zijn gebiedsontsluitingswegen, waar volgens de nadere verkeersnotitie een maximaal wenselijke verkeersintensiteit van 10.000 tot 15.000 mvt/etmaal geldt. Nu er op die wegen een verkeersintensiteit van 5.480 mvt/etmaal respectievelijk 5.100 mvt/etmaal wordt verwacht, blijft de verkeersintensiteit onder de maximaal wenselijke verkeersintensiteit. De toekomstige verkeersintensiteiten op deze wegen blijven daarom ook na de realisatie van de beoogde Hornbach passend.
18.4. Zoals onder 18.3 is overwogen, is in de nadere verkeersnotitie, anders dan in de verkeersnotitie, ingegaan op de aanvaardbaarheid van de verkeersintensiteiten die de onderzochte wegen na realisatie van de ontwikkeling zullen afwikkelen. Over het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van verkeer op de om het plangebied gelegen wegen en die wegen daar niet op zijn toegerust, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de verkeersnotitie en de nadere verkeersnotitie volgt dat de verkeersintensiteiten op alle bij het onderzoek betrokken wegen na realisatie van de ontwikkeling onder de maximaal wenselijke intensiteiten blijven. De enkele stelling van Beter Bed B.V. en andere dat de omliggende wegen nu al overbelast zouden zijn, zodat een toename leidt tot onaanvaardbare gevolgen, maakt dat niet anders. Zij hebben die stelling namelijk niet onderbouwd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een onaanvaardbare toename van verkeer op de omliggende wegen die leidt tot een verslechtering van de bereikbaarheid van de Woonboulevard of een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
18.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling met de nadere verkeersnotitie het in overweging 18.1 geconstateerde gebrek dat aan het bestemmingsplan kleeft, hersteld. De Afdeling zal na het bespreken van de overige beroepsgronden tegen het bestemmingsplan bespreken wat voor consequenties dit heeft.
- LARGAS-aansluiting
19. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de plantoelichting ten onrechte uitgaat van de aanleg van een LARGAS-aansluiting op de Henriëtte Roland Holstlaan, omdat de aanleg daarvan in het plan niet als voorwaardelijke verplichting aan het gebruik van de gronden is verbonden. Daarnaast is de gemodelleerde wachtrijlengte van de aan te leggen LARGAS-aansluiting in de richting die in de verkeersnotitie 'Hornbach uit' wordt genoemd te lang. Dat zal volgens Beter Bed B.V. en andere ongewenste effecten hebben op de andere richtingen van de aansluiting. Dat is extra van belang omdat de Henriëtte Roland Holstlaan een belangrijke ontsluitingsweg is langs welke gemotoriseerd verkeer Almelo binnenkomt en de weg een belangrijke functie vervult voor hulpdiensten. Verder is niet duidelijk of in de vereiste opstellengte van 40 m in het midden van de aansluiting kan worden voorzien. Op de zitting hebben Beter Bed B.V. en andere nog naar voren gebracht dat zij vrezen voor onveilige situaties op de plek waar fietsers de Henriëtte Roland Holstlaan moeten oversteken, omdat fietsers daar geen voorrang hebben. Dat zal volgens Beter Bed B.V. en andere met name tijdens drukke momenten leiden tot verkeersonveilige situaties.
19.1. In de plantoelichting en de verkeersnotitie staat dat de huidige LARGAS-aansluiting die ter hoogte van het kruispunt Jan Vermeerstraat/Frederik van Eedenstraat ligt, ten behoeve van dit plan zal worden gewijzigd. De nu meest zuidelijk gelegen lus zal worden omgedraaid en daaronder zal een lus worden toegevoegd, ten zuiden van de inrit van de voorziene Hornbach-vestiging. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling op een dergelijk ongeregeld kruispunt wordt volgens de verkeersnotitie beoordeeld aan de hand van verliestijd en de opstellengte van de voorsorteervakken die nodig is om de wachtrijen te faciliteren. In paragraaf 5.2.1 van de verkeersnotitie staat daarover, voor zover relevant, dat het opstelvak om linksaf te gaan op het middendeel van de LARGAS-aansluiting een minimale lengte van 25 m moet hebben om de wachtrij in de avondspitsperiode te faciliteren en een lengte van circa 40 m om de wachtrij op zaterdagmiddag te faciliteren. Verder staat in bijlage 3 bij de verkeersnotitie dat de benodigde opstellengte voor de richting ‘Hornbach uit’ op zaterdag 329 m is, die volgens de nadere verkeersnotitie slechts benodigd is op het piekmoment op zaterdagmiddag en volledig kan worden gefaciliteerd op het eigen terrein van de Hornbach.
19.2. Wat betreft het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat de aanleg van de LARGAS-aansluiting in de planregels had moeten worden geborgd, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 3.3.3 van de planregels zijn verschillende voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die zijn verbonden aan het gebruik van de gronden met de bestemming "Detailhandel", maar daarin is niet geborgd dat de LARGAS-aansluiting moet worden aangelegd en in stand gehouden. Op de zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat hij de aanleg en instandhouding van de LARGAS-aansluiting noodzakelijk acht uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening. Naar het oordeel van de Afdeling had de raad om die reden de aanleg en instandhouding van de LARGAS-aansluiting in de planregels moeten borgen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, onder 27.4, en van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:640, onder 14.4), mits die LARGAS-aansluiting voorziet in een aanvaardbare verkeersituatie. Dat zal de Afdeling hierna beoordelen.
Het betoog slaagt in zoverre.
19.3. De raad heeft de Afdeling verzocht zelf in de zaak te voorzien, indien de Afdeling dat nodig acht, door de aanleg en instandhouding van de LARGAS-aansluiting zoals getekend op de inrichtingstekening die bij het verweerschrift zit, als voorwaardelijke verplichting aan het plan te verbinden. Mede gelet op wat onder 19.2 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om te beoordelen of die LARGAS-aansluiting voorziet in een aanvaardbare verkeerssituatie, gelet op wat daarover is aangevoerd.
19.4. Over het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat niet duidelijk is of de LARGAS-aansluiting voorziet in de benodigde opstellengtes, dat die aansluiting zal dichtslibben en dat de bereikbaarheid van de Woonboulevard daardoor wordt aangetast, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat het opstelvak om linksaf te gaan op het middendeel van de LARGAS-aansluiting ziet op het deel van de LARGAS-aansluiting waarop auto’s die Hornbach verlaten zich zullen opstellen om via de middelste lus linksom te draaien en vervolgens in zuidelijke richting naar de A35 te rijden. De Afdeling stelt vast dat de opstellengte van dat vak op de inrichtingstekening voorziet in de volgens de nadere verkeersnotitie benodigde 40 m om de wachtrij op het piekmoment op zaterdagmiddag te faciliteren, zodat ook in de benodigde wachtrijen op andere momenten kan worden voorzien. Verder heeft de raad op de zitting onweersproken toegelicht dat de opstellengte van 329 m in de richting ‘Hornbach uit’ volledig op het terrein van de Hornbach kan worden gefaciliteerd, dit alleen bij uitzondering op zaterdagmiddag gebeurt en dat dit er niet toe leidt dat de LARGAS-aansluiting dichtslibt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat die aansluiting niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de doorstroming van het verkeer. De bereikbaarheid van de Woonboulevard zal door de LARGAS-aansluiting dan ook niet onaanvaardbaar worden aangetast.
Wat betreft het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat op de LARGAS-aansluiting onveilige situaties voor fietsers zullen ontstaan, omdat auto’s op die aansluiting voorrang hebben, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft daarover op de zitting toegelicht dat het grootste deel van het verkeer dat Hornbach verlaat richting de A35 zal rijden. Dat betekent dat zij gebruik maken van de middelste lus om richting het zuiden te keren, terwijl het fietspad boven de bovenste lus ligt. Het grootste deel van het verkeer zal dan ook niet in conflict komen met overstekende fietsers. Daarnaast heeft de raad toegelicht dat op momenten dat kinderen van en naar school fietsen, niet veel verkeer zal vertrekken vanaf de Hornbach-vestiging. De Afdeling ziet gelet daarop in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de LARGAS-aansluiting leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor fietsers.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
19.5. Gelet op wat onder 19.2 en 19.4 is overwogen had de raad de aanleg en instandhouding van de LARGAS-aansluiting zoals getekend op de inrichtingstekening die bij het verweer zit, moeten borgen in de planregels. De Afdeling zal na het bespreken van de overige beroepsgronden tegen het bestemmingsplan bespreken wat voor consequenties dit heeft.
Conclusie over verkeer
20. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling mogen baseren op de verkeersnotitie en de nadere verkeersnotitie voor het standpunt dat het plan ruimtelijk aanvaardbaar is wat betreft verkeer, mits de aanleg en instandhouding van de LARGAS-aansluiting in het plan zijn geborgd. De Afdeling zal aan het einde van deze uitspraak bespreken wat dat betekent.
Geluid
21. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de bewoners van de Bornerbroeksestraat wat betreft geluid. Daarover voeren zij aan dat het "Akoestisch Onderzoek - Hornbach Almelo", van 12 juni 2020, opgesteld door adviesbureau de Haan (akoestisch rapport), niet aan het plan ten grondslag kan worden gelegd. Dat akoestisch rapport is gebaseerd op het te lage aantal verkeersbewegingen uit de verkeersnotitie van Goudappel, waardoor de daaruit voortkomende berekende geluidwaarden volgens Beter Bed B.V. en andere alleen al om die reden te laag zijn. Verder is niet duidelijk met hoeveel verkeersbewegingen van personenauto’s die door de drive-in rijden rekening is gehouden bij de berekening van de geluidbelasting. Er is daarnaast ten onrechte geen rekening gehouden met de aard van dat verkeer, dat door gevulde aanhangers en klapperende goederen extra geluid zal produceren. De grondwal met hekwerk die daarvoor aan de oostzijde van het plangebied zal worden aangelegd is volgens Beter Bed B.V. en andere te laag om een effect te hebben op de (slaap)verdiepingen van de woningen aan de Bornerbroeksestraat. Gelet daarop leidt het plan tot een onaanvaardbare toename van geluidshinder bij de woningen aan de Bornerbroeksestraat. Tot slot is er volgens Beter Bed B.V. en andere ten onrechte geen beoordeling van het cumulatieve geluidniveau op de woningen van de Bornerbroeksestraat gemaakt, terwijl een groot deel van die woningen binnen de geluidzone van de Nijreessingel ligt.
21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen beoordeling van het cumulatieve geluidniveau gemaakt hoeft te worden, omdat de voorkeurgrenswaarde op bijna alle woningen aan de Bornerbroeksestraat niet wordt overschreden. Alleen op de woningen aan de Bornerbroeksestraat 316-318 wordt die waarde met 1 dB(A) overschreden, maar dat doet volgens de raad niet af aan de conclusie dat geen beoordeling van het gecumuleerde geluidniveau hoefde te worden gemaakt.
21.2. In paragraaf 4.3.2 van de plantoelichting staat dat het akoestisch onderzoek naar de geluidsimmissie van Hornbach is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het akoestisch rapport zit als bijlage 6 bij de plantoelichting. In hoofdstuk 6 van dat rapport staat dat bij nagenoeg alle betrokken woningen na realisatie van de Hornbach-vestiging wordt voldaan aan de normstelling voor gemengd gebied uit stap 2 van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering 2009. Voor een klein aantal woningen is dat niet het geval, maar bij die woningen wordt wel voldaan aan de normstelling voor gemengd gebied uit stap 3 van de VNG-publicatie.
21.3. Het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat het akoestisch rapport niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat daarin is uitgegaan van de verkeersintensiteiten zoals die in de verkeersnotitie zijn berekend, volgt de Afdeling niet. Zoals onder 17.2 en 17.4 is overwogen is er geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeersintensiteiten in de verkeersnotitie niet juist zijn.
Over het betoog dat niet duidelijk is met hoeveel auto’s die door de drive-in zullen rijden rekening is gehouden, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat uit bijlage 2 bij het akoestisch rapport volgt dat rekening is gehouden met 59 personenauto’s die per dag gebruikmaken van de drive-in, waarvan 47 overdag en 12 ’s avonds. Het gaat om mobiele bron 101 die in die bijlage als ‘personeel’ is aangeduid. Dat hebben Beter Bed B.V. en andere niet bestreden. De Afdeling volgt de raad daarnaast in het standpunt dat het verkeer dat door de drive-in rijdt niet voor extra geluid zal zorgen. De raad heeft zich daarover op het standpunt kunnen stellen dat bouwmaterialen uit een oogpunt van veiligheid goed vastgemaakt zullen moeten worden en de aanleg en instandhouding van de verharding van de rijroute, bestaande uit egaal asfalt, op grond van artikel 3.3.3, aanhef en onder d, van de planregels als voorwaardelijke verplichting aan het gebruik van de gronden is verbonden. Overigens is in het akoestisch rapport ook hier geen rekening gehouden met de grondwal die aan de oostzijde van het plangebied moet worden aangelegd, zodat de geluidsbelasting naar verwachting lager zal zijn dan de berekende aanvaardbare geluidbelasting.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
21.4. Wat betreft het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat er een beoordeling van het cumulatieve geluidniveau had moeten worden gemaakt, overweegt de Afdeling als volgt. Er kunnen zich gevallen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Om een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in die gevallen onderzoek te worden verricht naar de cumulatieve geluidbelasting op de gevel van de betrokken woningen. Hiertoe bestond in dit geval aanleiding, omdat uit het akoestisch rapport volgt dat de geluidbelasting op de woningen aan de Bornerbroeksestraat 316-318 met 51 dB(A) de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Wgh overschrijdt. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid.
Het betoog slaagt in zoverre.
21.5. De raad heeft naar aanleiding van de beroepsgronden alsnog de opdracht gegeven om de gecumuleerde geluidsbelasting inzichtelijk te maken. De beoordeling daarvan staat in een door adviesbureau de Haan opgesteld nader akoestisch rapport "Geluid op woningen Bornerbroeksestraat", van 25 oktober 2024 (nader akoestisch rapport). Daarin staat dat op alle woningen aan de Bornerbroeksestraat de gecumuleerde geluidbelasting na realisatie van de Hornbach-vestiging ten opzichte van de autonome situatie in 2033, in ieder geval gelijk is en bij sommige woningen afneemt met 1 tot 2 dB(A).
21.6. Beter Bed B.V. en andere hebben het nadere akoestisch rapport niet gemotiveerd bestreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met dat nadere akoestisch rapport het in overweging 21.4 geconstateerde gebrek hersteld. De Afdeling zal na het bespreken van alle beroepsgronden over het bestemmingsplan bespreken wat voor consequenties dat heeft.
21.7. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van Beter Bed B.V. en andere wat betreft geluid.
Gebrekkige rapporten
22. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de mer-beoordeling niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat die beoordeling is gebaseerd op onjuiste gegevens over verkeer en geluid.
Beter Bed B.V. en andere betogen verder dat het onderzoek naar luchtkwaliteit dat als bijlage bij de plantoelichting zit is gebaseerd op te lage verkeersintensiteiten. Alleen al daarom is dat onderzoek gebrekkig en kan het volgens Beter Bed B.V. en andere niet aan het plan ten grondslag worden gelegd.
22.1. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar wat onder 20 en 21.7 is overwogen, dat de raad zich redelijkerwijs op de verschillende geluids- en verkeersonderzoeken heeft kunnen baseren voor het standpunt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling ziet in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de gegevens van die onderzoeken desondanks niet mochten worden gebruikt voor de mer-beoordeling en het onderzoek naar de luchtkwaliteit.
Het betoog slaagt niet.
Natuur (soortenbescherming)
23. Beter Bed B.V. en andere betogen dat onvoldoende is aangetoond dat het plan niet leidt tot een aantasting van essentiële vliegroutes en foerageergebied van beschermde soorten, zodat de wettelijke bescherming van soorten vooralsnog aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Daarover voeren zij aan dat de conclusies uit de "Actualisatie natuurtoets Rhijnbeek" (de natuurtoets), van 1 november 2019, opgesteld door EcoGroen, die ten behoeve van het plan is opgesteld, niet worden ondersteund door de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing. In dat kader brengen zij naar voren dat onvoldoende duidelijk is of er essentiële vliegroutes voor vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. Volgens hen zijn omliggende vliegroutes, verblijfplaatsen en foerageergebieden ten onrechte niet in kaart gebracht. Verder brengen Beter Bed B.V. en andere naar voren dat zonder onderbouwing wordt geconcludeerd dat er voor vleermuizen, egels, kleine marterachtigen en steenmarters voldoende alternatief foerageergebied voorhanden is, terwijl het plangebied de bereikbaarheid daarvan mogelijk belemmert.
23.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
23.2. In paragraaf 2.3 van de natuurtoets staat dat in het plangebied geen vaste verblijfplaatsen of belangrijke vliegroutes voor vleermuizen aanwezig zijn. Verder verdwijnt er voor vleermuizen geen onmisbaar foerageergebied, omdat er in en nabij het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig is in de vorm van bosranden, bomenrijen en wateren. Daarnaast staat in de natuurtoets dat het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van egels, kleine marterachtigen en steenmarters bevat. Voor die soorten is binnen het plangebied wel foerageergebied aanwezig, maar dat is volgens de natuurtoets niet onmisbaar. Er resteert voldoende foerageergebied in de nabijheid in de vorm van houtwallen, tuinen en grasland in combinatie met bos.
23.3. Uit de natuurtoets volgt dat voor alle door Beter Bed B.V. en andere genoemde soorten in de nabije omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig is, zodat het plangebied geen essentieel foerageergebied vormt. Verder volgt uit de natuurtoets dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van de genoemde soorten zijn aangetroffen en evenmin een essentiële vliegroute aanwezig is. De Afdeling ziet in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op de natuurtoets heeft kunnen baseren. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Bezonning
24. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan tot onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie bij de woningen aan de Bornerbroeksestraat leidt. Daarover voeren zij aan dat het bezonningsonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt geen toelichting bevat. De conclusie in de plantoelichting dat sprake is van beperkte schaduwwerking kon niet op basis van dat bezonningsonderzoek worden getrokken. Verder is in het bezonningsonderzoek ten onrechte alleen gekeken naar de zuidelijk gelegen woningen aan de Bornerbroeksestraat, terwijl de noordelijk gelegen woningen dichter bij het bouwvlak liggen. Uit het bezonningsonderzoek kan volgens Beter Bed B.V. en andere in ieder geval worden afgeleid dat in een zestal situaties het merendeel van de woningen aan de Bornerbroeksestraat op de begane grond geen direct zonlicht ontvangt.
24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare bezonningssituatie, omdat de voorziene Hornbach de toetreding van zonlicht op de woningen aan de Bornerbroeksestraat in de ochtend en het begin van de middag niet zal belemmeren. In het bezonningsonderzoek is volgens de raad op de eerste zes tekeningen de bezonningssituatie weergegeven voor zes momenten uitgaande van de maximale invulling van voorliggend plan. Op de tweede zes tekeningen is de bezonningsituatie op diezelfde momenten weergegeven, waarbij is uitgegaan van de maximale invulling van het vorige plan. Daaruit volgt volgens de raad dat het plan tot een beperkte, ruimtelijk aanvaardbare, schaduwwerking leidt bij de woningen aan de Bornerbroeksestraat in de (na)middag en in de zomer ook in de avond.
De raad heeft gedurende de beroepsprocedure een nader bezonningsonderzoek laten uitvoeren om ook de schaduwwerking op de noordelijk gelegen woningen inzichtelijk te maken. In dat bezonningsonderzoek van 2 december 2024, opgesteld door DMGR, staat dat de schaduwwerking ook voor die woningen aanvaardbaar is. Op de zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat het nadere bezonningsonderzoek slechts is verricht om de zorgen van Beter Bed B.V. en andere weg te nemen, maar dat de conclusie dat er geen sprake is van een onaanvaardbare bezonningssituatie op het bij de plantoelichting gevoegde onderzoek is gebaseerd.
24.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich niet op het bezonningsonderzoek dat bij de plantoelichting zit kunnen baseren, voor het standpunt dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor bezonning. Dat bezonningsonderzoek bestaat uit twaalf 3d-animaties zonder toelichting, zodat niet kan worden vastgesteld op welke momenten van de dag en op welke huizen dat bezonningsonderzoek betrekking heeft. Dat de raad in het verweerschrift alsnog een toelichting heeft gegeven op het bezonningsonderzoek, maakt dat niet anders. Die toelichting heeft de raad niet onderbouwd met stukken van de opsteller van het bezonningsonderzoek. Daardoor kan niet worden geverifieerd of de toelichting van de raad juist is. Dat betekent dat ten tijde van de vaststelling van het plan niet duidelijk was of het plan leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie, zodat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
Het betoog slaagt. Het besluit kent een gebrek en de Afdeling zal hierna bezien wat de gevolgen hiervan zijn.
24.3. Zoals de Afdeling onder 24.1 heeft overwogen heeft de raad naar aanleiding van de beroepsgronden gedurende de procedure een nader bezonningsonderzoek laten uitvoeren door DMGR. In dat onderzoek staat dat bij alle relevante woningen na realisatie van de ontwikkeling sprake is van een aanvaardbare bezonningssituatie.
24.4. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het nadere bezonningsonderzoek gebrekkig is, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat het plan aanvaardbaar is wat betreft bezonning. Daarover hebben zij op de zitting aangevoerd dat de referentiesituatie niet kan worden bepaald, omdat niet duidelijk is wat er op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Groeneveld" mogelijk was. Daardoor kan op basis van dat nadere bezonningsonderzoek niet worden vastgesteld in hoeverre de bezonningssituatie ten opzichte van die referentiesituatie wijzigt.
24.5. In het bezonningsonderzoek van 2 december 2024, opgesteld door DMGR, zijn de gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie voor alle relevante woningen onderzocht. Daarbij zijn de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan als uitgangspunt genomen en is de bezonningssituatie bij alle woningen aan de Bornerbroeksestraat beoordeeld in de situatie dat de Hornbach-vestiging is gerealiseerd. Het onderzoek concludeert dat bij alle woningen in de beoogde situatie wordt voldaan aan de lichte TNO-norm.
24.6. Over het op de zitting naar voren gebrachte betoog van Beter Bed B.V. en andere dat het nadere bezonningsonderzoek gebrekkig is, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het nadere bezonningsonderzoek volgt dat bij alle woningen in de beoogde situatie wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Dat hebben Beter Bed B.V. en andere ook niet betwist. Dat volgens Beter Bed B.V. en andere niet kan worden vastgesteld hoe de bezonningssituatie ten opzichte van de referentiesituatie wijzigt, omdat die referentiesituatie niet kan worden bepaald, maakt dat niet anders. In de beoogde situatie wordt immers voldaan aan de lichte TNO-norm, die is gebruikt om te beoordelen of sprake is van een aanvaardbare bezonningssituatie. De referentiesituatie speelt bij de toepassing van de TNO-norm geen rol. Gelet hierop kan de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het nadere bezonningsonderzoek baseren voor het standpunt dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie.
24.7. De Afdeling is van oordeel dat met het bezonningsonderzoek van 2 december 2024 het in 24.2 geconstateerde gebrek dat kleeft aan het besluit tot vaststelling van het plan is hersteld. De Afdeling zal na het bespreken van alle gronden tegen het bestemmingsplan bespreken wat voor consequenties dit heeft.
Uitzicht
25. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare situatie wat betreft uitzicht. In dat kader voeren zij aan dat het plan leidt tot een verslechtering ten opzichte van wat er op grond van het vorige bestemmingsplan "Groeneveld" mogelijk was. Zij vrezen met name voor de mogelijkheid die het plan met het nieuwe bouwvlak biedt om direct aan de Bornerbroekseweg een ononderbroken dichte muur van 250 meter lang en 12 meter hoog te realiseren. Daarnaast zien Beter Bed B.V. en andere niet in waarom de bouwmogelijkheden in het plan niet beperkt kunnen blijven tot de maten van het uiteindelijk vergunde bouwplan, die kleiner zijn dan wat het bestemmingsplan toestaat.
25.1. De Afdeling stelt voorop dat er in het algemeen geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4537, onder 12.1). Niet in geschil is dat met het plan het uitzicht van Beter Bed B.V. en andere, namelijk het uitzicht van de bewoners van de Bornerbroeksestraat, wordt beïnvloed. Maar de Afdeling is van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat verlies van uitzicht niet onaanvaardbaar is. Het plan maakt aan de zijde van de Bornerbroeksestraat een gebouw mogelijk met een bouwhoogte van 12 m, op een afstand van minimaal 30 m tot de woningen aan de Bornerbroeksestraat. Daarnaast ligt de planlocatie in stedelijk gebied. De raad heeft verder toegelicht dat aan de zijde van de Bornerbroeksestraat op grond van artikel 3.3.3, aanhef en onder b, van de planregels een grondwal met groen zal moeten worden aangelegd en in stand gehouden, zodat niet tegen een dichte muur van de gebouwen aangekeken zal worden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsverordening Overijsel 2017
26. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (Omgevingsverordening).
27. De Afdeling zal hierna de betogen over de verschillende artikelen bespreken.
- Artikel 2.1.2
28. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan in strijd is met artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening, omdat het plan niet voorziet in een lokale behoefte als bedoeld in het eerste lid. Daarnaast brengen zij naar voren dat het tweede lid van dat artikel niet aan de orde is, omdat het plan niet voorziet in een bovenregionale behoefte. De Omgevingsverordening gaat volgens Beter Bed B.V. en andere uit van ‘Netwerkstad Twente’, zodat Twente als een regio moet worden aangemerkt. Als de vermeende behoefte al zou voortkomen uit heel Twente is slechts sprake van een regionale, en niet van een bovenregionale, behoefte. Ook als wordt uitgegaan van een kleinere regio, namelijk de in het verzorgingsgebied gehanteerde regio Almelo, is geen sprake van een bovenregionale behoefte. Tot slot is het derde lid niet van toepassing, omdat Almelo niet als streekcentrum is aangemerkt.
28.1. In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat de toetsing van het plan aan de Omgevingsverordening. Volgens de toelichting voldoet het plan aan artikel 2.1.2, tweede lid, van de Omgevingsverordening. Dat artikel bepaalt dat bestemmingsplannen mogen voorzien in stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte, mits het plangebied ligt binnen een van de stedelijke netwerken. Almelo maakt deel uit van de Netwerkstad Twente, dat op grond van artikel 2.1.1, aanhef en onder n, van de Omgevingsverordening een stedelijk netwerk is. Volgens de toelichting is er sprake van een bovenregionale behoefte, zodat het plan in overeenstemming is met het concentratiebeleid van artikel 2.1.2, tweede lid, van de Omgevingsverordening.
28.2. Tussen partijen is niet in geschil dat Almelo in de Netwerkstad Twente ligt. Dat betekent dat het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1.2, tweede lid, van de Omgevingsverordening is toegestaan, indien de met dat plan mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een bovenregionale behoefte. De Afdeling stelt vast dat de Omgevingsverordening het begrip ‘bovenregionaal’ niet definieert. Voor de uitleg daarvan moet daarom worden gekeken naar de toelichting bij de Omgevingsverordening. De toelichting bij artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening geeft geen duidelijkheid. De Afdeling ziet in de toelichting bij titel 2.2 (Woningbouw) en titel 2.4 (Detailhandel) aanleiding voor het oordeel dat bovenregionaal als bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid, van de Omgevingsverordening ruim uitgelegd moet worden. Zo staat in de toelichting bij titel 2.2 dat uit artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening volgt dat de stedelijke netwerken "mogen voorzien in een (boven)regionale behoefte". Daarnaast staat in de toelichting bij titel 2.4 dat volumineuze detailhandel, zoals hier aan de orde, met een regionale uitstraling is toegestaan in de stedelijke centra. Daarbij wordt de kern van Almelo als voorbeeld genoemd. Gelet op het voorgaande is er, anders dan Beter Bed B.V. en andere betogen, naar het oordeel van de Afdeling geen duidelijk onderscheid tussen ‘regionaal’ en ‘bovenregionaal’ als bedoeld in de Omgevingsverordening. Bovendien volgt uit de toelichting bij titel 2.4 van de Omgevingsverordening expliciet dat volumineuze detailhandel, als hier aan de orde, in de kern van Almelo een regionale uitstraling mag hebben. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar wat onder 14 is overwogen, dat de raad de behoefte aan de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling binnen het verzorgingsgebied voldoende heeft onderbouwd. Dat verzorgingsgebied is groter dan de gemeente Almelo, zodat sprake is van in ieder geval een regionale behoefte. Dat betekent dat het plan naar het oordeel van de Afdeling in overeenstemming met artikel 2.1.2, tweede lid, van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Aan een bespreking van de grond over artikel 2.1.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening wordt daarom niet toegekomen.
Het betoog slaagt niet.
- artikel 2.1.4
29. Daarnaast betogen Beter Bed B.V. en andere dat het plan in strijd is met artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening, omdat het plan niet voldoet aan de voorwaarden die dat artikel stelt. Volgens Beter Bed B.V. en andere kan de locatie van het plangebied beter worden gebruikt om woningbouw mogelijk te maken. Bovendien draagt de ontwikkeling volgens hen niet bij aan de economische welvaart en heeft de ontwikkeling geen toegevoegde waarde, omdat er geen behoefte aan een nieuwe grootschalige bouwmarkt bestaat.
29.1. De Afdeling ziet in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan in strijd met artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening heeft vastgesteld. Daarover overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat de locatie van het plangebied niet nodig is voor woningbouw, omdat er op andere locaties in Almelo in voldoende woningen kan worden voorzien. Dat hebben Beter Bed B.V. en andere niet betwist. Daarnaast heeft de raad, gelet op wat onder 14 is overwogen, voldoende onderbouwd dat er behoefte bestaat aan de het met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling. Dat het plan niet bijdraagt aan de economische welvaart en geen toegevoegde waarde heeft, omdat er geen behoefte aan de ontwikkeling zou bestaan, volgt de Afdeling dan ook niet.
Het betoog slaagt niet.
- artikel 2.4.2 en 2.4.3
30. Tussen partijen is niet in geschil dat de artikelen 2.4.2 en 2.4.3 van de Omgevingsverordening (zie bijlage) vestigingsbeperkingen zijn, die zijn gericht tot dienstverleners.
31. De raad stelt zich primair op het standpunt dat deze artikelen buiten toepassing moet worden gelaten, omdat ze in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. Daarom zal de Afdeling zich eerst uitlaten over het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat dat ten onrechte is gebeurd.
Artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn
32. Artikel 15 van de Dienstenrichtlijn is niet omgezet naar nationaal recht en de termijn voor omzetting is verstreken. Zoals het Hof van Justitie in het arrest van 30 januari 2018, gevoegde zaken C-360/15 en C-31/16, X, ECLI:EU:C:2018:44 (Visser Vastgoed) heeft geoordeeld, heeft artikel 15 van de Dienstenrichtlijn rechtstreekse werking voor zover het de lidstaten in het eerste lid, tweede volzin, een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichting oplegt om hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met de in het derde lid ervan bedoelde voorwaarden. Dat betekent dat rechtstreeks aan die vereisten kan worden getoetst, voor zover dat nodig is in het licht van wat in beroep is aangevoerd.
32.1. Zoals het Hof van Justitie bij het arrest Visser voor recht heeft verklaard, is de activiteit "detailhandel in goederen" aan te merken als een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn en zijn de bepalingen van hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn mede van toepassing op een zuiver interne situatie als hier aan de orde, waarbij alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen.
32.2. De vestigingsbeperking van artikel 2.4.2 en 2.4.3 van de Omgevingsverordening moet worden aangemerkt als een territoriale beperking als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn die is gericht tot dienstverrichters. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De discussie spitst zich in dit geval toe op de vraag of het vestigingsverbod voldoet aan de voorwaarden van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Het gaat er daarbij om of de eisen en de daaruit in dit geval voortvloeiende beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. De Afdeling toetst "vol" of het verbod daaraan voldoet. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2578, onder 10.2.
32.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de territoriale beperking voldoet aan het discriminatieverbod en gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder a en b, van de Dienstenrichtlijn. De Afdeling zal hierna beoordelen of de beperking in dit geval evenredig is als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn.
- Evenredigheid
33. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de vestigingsbeperking voldoet aan het vereiste van evenredigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn.
33.1. In het kader van de evenredigheid staat ter beoordeling of de regeling geschikt is en niet verder gaat dan nodig om de daarmee beoogde doelen te bereiken en of die doelen niet met andere, minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt.
Niet verder dan nodig: geen andere, minder beperkende maatregelen
34. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de vestigingsbeperking niet verder gaat dan nodig. Daarover voeren zij aan dat uit de Omgevingsverordening kan worden afgeleid dat Provinciale Staten ten tijde van de vaststelling van de Omgevingsverordening volumineuze detailhandel buiten kernwinkelgebieden en buiten bedrijventerreinen in geen geval aanvaardbaar vinden. Volgens Beter Bed B.V. en andere is volumineuze detailhandel op andere locaties, zoals woonwijken, gemengde gebieden en stedelijk groen, op voorhand onaanvaardbaar. Om die reden is de uitzondering volgens hen terecht en gerechtvaardigd beperkt tot bedrijventerreinen.
34.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar het memo van Damsté advocaten, dat als bijlage 2 bij de plantoelichting zit, op het standpunt dat de territoriale beperking verder gaat dan nodig om het gerechtvaardigde doel te bereiken, te weten het voorkomen van leegstand in de centra van steden en dorpen. Daarbij is een minder vergaand alternatief mogelijk, door voor volumineuze detailhandel een uitzondering te maken en geen beperkingen te stellen aan de locaties waar die zich kunnen vestigen. Volumineuze detailhandel is volgens de raad vanwege de omvang van de activiteiten doorgaans alleen buiten de stads- en dorpscentra mogelijk en concurreert daardoor niet of nauwelijks met winkels in die centra, zodat een minder vergaand alternatief voor de hand ligt. Daarbij wijst de raad erop dat de Omgevingsverordening op 15 december 2021 is gewijzigd, in die zin dat artikel 2.4.4 van die versie van de Omgevingsverordening volumineuze detailhandel - onder voorwaarden - ook toestaat op andere perifere locaties dan bedrijventerreinen.
34.2. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 4 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4101, overweging 14 en verder) heeft overwogen, moet de beoordeling of de maatregel niet verder gaat dan nodig is en of er geen andere, minder beperkende maatregelen beschikbaar zijn, worden bekeken aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. Zoals het Hof heeft overwogen in het arrest The Scotch Whisky Association, punt 55, kan deze bewijslast echter niet zo zwaar zijn dat de bevoegde nationale autoriteiten, als zij een nationale regeling tot invoering van een maatregel vaststellen, positief moeten aantonen dat het doel dat wordt nagestreefd, niet met andere denkbare maatregelen kan worden bereikt onder dezelfde omstandigheden.
34.3. De Afdeling overweegt dat voor de rechtvaardiging van de beperking naar de toelichting bij de Omgevingsverordening moet worden gekeken. Daarin moet zijn beoordeeld of de maatregel niet verder gaat dan nodig is en of er geen andere, minder beperkende maatregelen beschikbaar zijn. De Afdeling stelt vast dat uit de toelichting niet volgt waarom er geen minder vergaand alternatief kon worden gekozen om het doel te bereiken, zoals het - al dan niet onder voorwaarden - toestaan van volumineuze detailhandel op andere solitaire perifere locaties. In de toelichting staat alleen dat de vestigingsmaatregel bijdraagt aan het verwezenlijken van het doel, maar daarin staat niet waarom niet voor een minder vergaand alternatief kon worden gekozen. Ook anderszins is niet gemotiveerd dat de beperking niet verder gaat dan nodig is of dat er geen minder vergaand alternatief mogelijk is. Dat betekent dat de vestigingsbeperkingen niet voldoen aan de evenredigheidseis van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. De raad heeft dan ook terecht de vestigingsbeperkingen in artikel 2.4.2 en 2.4.3 van de Omgevingsverordening wegens strijd met de Dienstenrichtlijn buiten toepassing gelaten.
Het betoog slaagt niet.
34.4. Gelet op het voorgaande komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat het plan in strijd met artikel 2.4.2 en 2.4.3 van de Omgevingsverordening is vastgesteld.
Omgevingsvisie Overijssel 2017
35. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan niet aansluit op de in de "Omgevingsvisie Overijssel 2017, Beken kleur" (Omgevingsvisie Overijssel) geformuleerde ambities. Daarover voeren zij aan dat het plan niet bijdraagt aan de actuele opgaven en kansen uit hoofdstuk 3 over klimaat, energie, milieu en de regionale economie. Daarnaast sluit het plan volgens Beter Bed B.V. en andere niet aan op de ‘rode draden’ in hoofdstuk 4. Zo geeft het plan geen blijk van een ‘duurzame energiehuishouding’ of het ‘beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur’. Verder brengen zij naar voren dat het plan niet aansluit op de generieke beleidskeuzes. Er heeft geen zorgvuldige afweging van alle relevante belangen plaatsgevonden en de toekomstbestendigheid van de stad is, gelet op de leegstandsgevolgen, niet gewaarborgd. Om die reden voldoet het plan volgens Beter Bed B.V. en andere ook niet aan het concentratiebeleid en is er geen sprake van een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
35.1. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, wat betekent dat dit beleid kenbaar in de belangenafweging moet worden betrokken.
35.2. In paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting staat hoe het plan rekening houdt met de Omgevingsvisie Overijssel. In die Omgevingsvisie Overijssel staat dat de opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan die ambities wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. Daarin wordt aan de hand van generieke beleidskeuzes voor Overijssel gekeken of een initiatief binnen de visie past. Die beleidskeuzes zijn: integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming, en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Die beleidskeuzes zijn eveneens opgenomen in de Omgevingsverordening. In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting wordt ingegaan op de beleidskeuzes. Daarin staat dat de toelichting op het bestemmingsplan de afweging van alle relevante belangen en de integrale toets weergeeft, zodat het plan voldoet aan de integraliteit. Verder onderscheidt Hornbach zich op meerdere manieren van andere bouwmarkten waarmee zij inspeelt op de wensen van de consument, zodat die winkelformule als toekomstbestendig wordt aangemerkt. Daarnaast voorziet de ontwikkeling gelet op de effectenanalyse in een (boven)regionale behoefte, waarmee sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, en wordt aangesloten bij het concentratiebeleid.
35.3. De Afdeling stelt vast dat hoofdstuk 3 van de Omgevingsvisie Overijssel geen concrete verplichtingen of geboden bevat waar de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan aan gebonden is. Dat hoofdstuk spreekt van kansen en opgaven, maar daarin staan geen concrete doelen die in elk plan gerealiseerd moeten worden. Dit betekent dat de raad niet verplicht is om met voorliggend plan bij te dragen aan de in hoofdstuk 3 beschreven kansen en opgaven. Overigens wordt de energievoorziening volgens de raad voor een groot deel gehaald uit zonnepanelen die op het dak van de gebouwen zullen worden geplaatst, zodat wordt bijgedragen aan de energieopgaven. Het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie, omdat niet wordt bijgedragen aan twee van de in hoofdstuk 4 genoemde duurzame kwaliteitsambities, volgt de Afdeling niet. Los van de vraag of het plan in overeenstemming is met die ambities, beschrijft dat hoofdstuk verschillende duurzame kwaliteitsambities, maar staat daarin niet dat geen medewerking aan een ontwikkeling mag worden verleend als niet wordt bijgedragen aan het verwezenlijken van die ambities.
Dat het plan niet aansluit bij de generieke beleidskeuzes, volgt de Afdeling ook niet. In de plantoelichting is een afweging gemaakt van alle relevante belangen. De enkele stelling van Beter Bed B.V. en andere dat dit niet het geval is, maakt dat niet anders. De Afdeling overweegt verder dat het plan, gelet op wat onder 14 is overwogen, niet leidt tot onaanvaardbare leegstand en er geen sprake is van een gebrek aan behoefte. Om die reden heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan ook aansluit bij het streven naar zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De raad heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling toekomstbestendig is en die ontwikkeling de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengt. Dat hebben Beter Bed B.V. en andere niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet aansluit op de generieke beleidskeuzes.
De Afdeling ziet in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040
36. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met de "Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040" (Omgevingsvisie). Zij voeren daarover aan dat niet wordt aangesloten bij de ambities die gaan over het blauwgroene netwerk. Volgens hen is niet toegelicht hoe de ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de zuidelijke 'groene long', terwijl het plangebied daar onderdeel van uitmaakt. Verder is niet gebleken hoe de raad heeft gestuurd op het gebruik van het dak als zonnedak of groen dak en is evenmin toegelicht hoe is gestuurd op een klimaat-robuuste inrichting.
Over de voor bedrijventerreinen specifieke uitgangspunten brengen Beter Bed B.V. en andere naar voren dat onduidelijk is hoe de bouwmarkt de omgeving versterkt, waarbij zij wijzen op de nadelige gevolgen voor omwonenden en nabij het plangebied gevestigde ondernemers. Bovendien is de ontwikkeling niet geschikt in de omgeving, vanwege de direct aangrenzende woonwijk. Tot slot is in de plantoelichting volgens hen onvoldoende beschreven hoe aan de duurzaamheidsambities wordt voldaan.
36.1. In paragraaf 3.3.1 van de plantoelichting staat dat het plan niet direct bijdraagt aan de algemene ambities van het 'blauwgroen netwerk', maar daar evenmin aan in de weg staat. Verder staat in de toelichting dat de aanleg van een grondwal met groen als voorwaardelijke verplichting aan het plan is verbonden, wat leidt tot een verbetering op perceelniveau. Het plangebied ligt in het gebied "bedrijventerreinen" in de zin van de Omgevingsvisie. Over de voor die locatie geldende specifieke thema's staat in de plantoelichting dat Hornbach zich vestigt in een zone waar op de Woonboulevard en de Zuidentree grootschalige en volumineuze detailhandelsvestigingen liggen. Daardoor ontstaat een gebied met gelijke functies die voor de consument op geringe afstand van elkaar liggen. Gelet op de al aanwezige soortgelijke functies, past de ontwikkeling van een grootschalige bouw- en tuinmarkt in deze omgeving, aldus de toelichting. Over de toekomstbestendigheid staat in de plantoelichting dat de Hornbach-vestiging zorgt voor een aanwas van werkenden en de Hornbach een plek biedt aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
36.2. De Afdeling stelt vast dat het plangebied niet ligt in de zuidelijke groene long, zodat de ontwikkeling geen bijdrage hoeft te leveren aan de versterking daarvan. Het plan houdt daarnaast rekening met enkele sturingspunten van het blauwgroene netwerk door het dak te benutten als zonnedak. Er wordt ook gestuurd op een klimaat-robuuste inrichting doordat op grond van artikel 3.3.3 van de planregels waterberging moet worden gerealiseerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met het blauwgroene netwerk.
Over het betoog dat het plan niet aansluit bij de uitgangspunten voor bedrijventerreinen, overweegt de Afdeling als volgt. In de toelichting is naar het oordeel van de Afdeling voldoende beschreven dat de komst van Hornbach leidt tot een versterking van de omgeving door een uitbreiding van het aanbod en doordat verschillende functies na de realisatie van de ontwikkeling voor consumenten op geringe afstand van elkaar liggen. Dat het plan leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor omwonenden en ondernemers in de nabijheid, volgt de Afdeling niet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare leegstandsgevolgen of een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling overweegt verder dat de Omgevingsvisie de raad niet verplicht om met elke ontwikkeling bij te dragen aan de duurzaamheidsambities. Overigens draagt het plan daar aan bij, omdat Hornbach zoals hiervoor beschreven zonnepanelen op het dak zal plaatsen.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met de Omgevingsvisie heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Masterplan Almelo: Stad in balans (2004)
37. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met het Masterplan Almelo: Stad in balans (2004). Zij voeren aan dat het plan haaks staat op de ambities van het Masterplan, zoals de schaalverkleining van de bebouwing. Zo staat er over het kernproject "Weezebeekzone" - waarin het plangebied ligt - onder het kopje "Kwaliteit door schaalverkleining" dat er geen grootschalige perifere detailhandelszaken komen. Dat de plannen voor de Weezebeekzone niet meer terugkomen in de Omgevingsvisie, betekent volgens Beter Bed B.V. en andere nog niet dat de gemeente de ambities heeft laten varen. Het Masterplan is namelijk niet ingetrokken en sluit juist aan op de ambities uit de Omgevingsvisie.
Zij voeren verder aan dat de gestelde omstandigheid dat het plan wél aansluit op de ambities van het kernproject "intensivering Henriëtte Roland Holstlaan - Burgemeester Raveslootsingel" onvoldoende is om de afwijking van het Masterplan te motiveren. Dat project gaat over de (verkeers)functie van de Henriëtte Roland Holstlaan, met name het gedeelte dat voorbij het plangebied ligt. Daar heeft het bestemmingsplan geen betrekking op. Dat het plan daarmee niet direct in strijd is, rechtvaardigt de afwijking van het Masterplan voor zover dat gaat om het project Weezebeekzone niet.
Beter Bed B.V. en andere voeren tot slot aan dat er in het Masterplan een woonfunctie aan het plangebied is toegedacht. De raad heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom er gekozen is om grootschalige perifere detailhandel toe te staan in plaats van wonen.
37.1. In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot het Masterplan. In deel D van het Masterplan staan concrete kernprojecten, die in het Masterplan de dragers worden genoemd. Het plangebied ligt in het kernproject "Weezebeekzone", waarbinnen geen grootschalige detailhandel is toegestaan. In de plantoelichting staat dat de raad op dat punt afwijkt van het Masterplan, omdat de in dat kernproject genoemde aanpassing van de loop van de Weezebeek sinds 2004 geen vorm heeft gekregen en er geen plannen zijn om dat nog te doen. De visie is op dat punt achterhaald en komt in de Omgevingsvisie niet terug. Daarnaast ligt het plangebied in het kernproject "intensivering Henriëtte Roland Holstlaan - Burgemeester Raveslootsingel". Daaraan wordt met het plan voldaan.
De raad stelt zich over de aan het plangebied toegedachte woonfunctie op het standpunt dat dit onderdeel is van het kernproject "Weezebeekzone" waarvan gemotiveerd wordt afgeweken. Verder merkt de raad op dat het plangebied niet langer nodig is voor woningbouw, omdat op andere locaties in Almelo in voldoende woningen kan worden voorzien. Op de zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat hij meer gewicht toekent aan het versterken van de Henriëtte Roland Holstlaan en het vestigen van bedrijvigheid, dan aan de woningbouw die in het Masterplan op deze plek was voorzien. Daarbij speelt de omstandigheid dat wordt voldaan aan het kernproject "intensivering Henriëtte Roland Holstlaan - Burgemeester Raveslootsingel" volgens de raad geen rol.
37.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan redelijkerwijs kunnen afwijken van het kernproject "Weezebeekzone" in het Masterplan. De raad heeft daarbij meer gewicht mogen toekennen aan deze ontwikkeling, dan aan de belangen die met het genoemde kernproject worden beschermd. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de plannen voor het plangebied met de Omgevingsvisie, die eveneens op dit plan van toepassing is, zijn gewijzigd, en in die visie de functie ‘bedrijventerreinen’ aan het plangebied is toegekend. Anders dan in het Masterplan staat de Omgevingsvisie detailhandel op deze locatie wel toe. Over de woonfunctie die door deze ontwikkeling niet langer kan worden gerealiseerd, heeft de raad gesteld dat er voldoende andere woningbouwlocaties in de gemeente beschikbaar zijn en deze locatie niet langer noodzakelijk is. Dat hebben Beter Bed B.V. en andere niet betwist. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in afwijking van het Masterplan heeft kunnen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Detailhandelsstructuurvisie Almelo 2013-2018
38. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het plan in strijd is met de Detailhandelsstructuurvisie Almelo 2013-2018 (Detailhandelsstructuurvisie). Daarover voeren zij aan dat de enige reden dat Hornbach daarin staat, ligt in de omstandigheid dat er in 2013 een bestemmingsplan ten behoeve van de vestiging van Hornbach is vastgesteld. Omdat dat plan door de Afdeling is vernietigd, is de vestiging van Hornbach volgens Beter Bed B.V. en andere in de visie juist niet toegestaan.
Daarnaast voeren zij aan dat de door de raad onderkende afwijking van de Detailhandelsstructuurvisie over het extra toegevoegde bvo, onvoldoende is gemotiveerd.
38.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Detailhandelsstructuurvisie niet is vastgesteld. Dat betekent volgens de raad dat er ook niet aan getoetst hoeft te worden. Overigens stelt de raad daarnaast dat de met het plan mogelijk gemaakte vestiging van Hornbach uitdrukkelijk is voorzien in de Detailhandelsstructuurvisie, zodat het plan daarmee niet in strijd is. De raad wijkt van de visie af voor zover het plan het daarin opgenomen maximum van 15.000 m2 bvo overschrijdt.
38.2. In paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting staat dat de met het plan mogelijk gemaakte Hornbach in de structuurvisie als toegestane ontwikkeling op de locatie van het plangebied wordt genoemd. De Hornbach-vestiging trekt volgens de structuurvisie zijn eigen publiek en is een uitgangspunt voor de structuurvisie. Verder staat in de plantoelichting dat uit de structuurvisie volgt dat de Hornbach een bvo van 15.000 m2 zal hebben, maar dat door de definitie van "bvo" in de structuurvisie onduidelijk is welke delen tot het bvo behoren. Voor zover daarvan met het plan wordt afgeweken, staat daarom in de plantoelichting dat dat gerechtvaardigd is. Daarvoor wordt gewezen op de effectenanalyse waarin staat dat de kans op leegstand klein is en mogelijke leegstand ruimtelijk aanvaardbaar is. Verder staat in de toelichting dat de structuurvisie dateert van 11 maart 2014. De ontwikkelingen van daarna hebben geleid tot een afname van de leegstand op de woonboulevard, waardoor de huidige situatie anders is dan die ten tijde van de vaststelling van de structuurvisie. Dat is mede een rechtvaardiging om af te wijken van de structuurvisie voor het bvo.
38.3. De Afdeling overweegt dat de raad weliswaar stelt dat de Detailhandelsstructuurvisie niet is vastgesteld, maar dat hij niet heeft gesteld dat het beleid ook niet wordt toegepast. Bovendien wordt in de plantoelichting expliciet getoetst aan de Detailhandelsstructuurvisie, zodat de Afdeling aanleiding ziet om het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat het plan in strijd is met die visie te beoordelen.
De Afdeling stelt vast dat de komst van Hornbach op de locatie van het plangebied op meerdere plekken in de Detailhandelsstructuurvisie terugkomt. Zo staat in paragraaf 4.6 dat de Hornbach-vestiging als uitgangspunt is genomen voor de visie en is de Hornbach-vestiging opgenomen op kaart 5 in paragraaf 4.2, waarop de gewenste detailhandelsstructuur is afgebeeld. Dat het bestemmingsplan dat in 2013 voor de komst van Hornbach is vastgesteld, is vernietigd en dat plan de reden zou zijn geweest om Hornbach in de Detailhandelsstructuurvisie op te nemen, maakt dat niet anders. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het mogelijk maken van een Hornbachvestiging op deze locatie als zodanig in strijd is met de Detailhandelsstructuurvisie.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voor het maximum toegestane bvo redelijkerwijs van de Detailhandelsstructuurvisie kunnen afwijken. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat, zoals onder 14 overwogen, het plan voorziet in een behoefte en mogelijke leegstand aanvaardbaar is, zodat er geen aanleiding is om vast te houden aan het maximum van 15.000 m2 bvo. In wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad wat betreft het maximum toegestane bvo niet redelijkerwijs van de Detailhandelsstructuurvisie heeft kunnen afwijken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie bestemmingsplan
39. Gelet op wat de Afdeling onder 18.1, 21.4 en 24.2 heeft overwogen is het besluit van de raad van 20 oktober 2020 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Beter Bed B.V. en andere tegen dat besluit is gegrond. Dat betekent dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zal worden vernietigd.
Gelet op wat de Afdeling onder 19.2 heeft overwogen is het besluit eveneens in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld, voor zover in het plan geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen over de aanleg en instandhouding van de LARGAS-aansluiting.
De Afdeling ziet, onder verwijzing naar wat zij heeft overwogen onder 18.5, 21.6 en 24.7, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met uitzondering van het ontbreken van een planregel met een voorwaardelijke verplichting tot het aanleggen van de LARGAS-aansluiting.
De Afdeling ziet in wat onder 19.5 is overwogen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb voor wat betreft de LARGAS-verbinding zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal hiertoe een planregel en een bijlage bij de planregels toevoegen, op de wijze zoals in de beslissing wordt weergegeven.
40. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
BESLUIT HOGERE WAARDEN
41. Het besluit hogere waarden is genomen voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Rhijnbeek". In het besluit staat dat dit besluit mede is gebaseerd op het "Akoestisch onderzoek VL - Reconstructie Henriëtte Roland Holstlaan", van 12 juni 2020, opgesteld door adviesbureau de Haan (akoestisch onderzoek). In het akoestisch onderzoek is onderzocht wat de effecten zijn van de wijziging van de kruising van de Henriëtte Roland Holstlaan en de Frederik van Eedenstraat. Daarbij is onderzocht wat de geluidsbelasting op de woningen langs het tracé is. Hierbij is gekeken naar wegverkeerslawaai.
42. De Afdeling stelt vast dat het besluit hogere waarden onder meer van toepassing is op de woning aan de Frederik van Eedenstraat 12 en dat de bewoners van die woning deel uitmaken van Beter Bed B.V. en andere.
43. Beter Bed B.V. en andere betogen dat het akoestisch onderzoek niet aan het besluit ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat dat onderzoek uitgaat van te lage verkeersintensiteiten.
43.1. Zoals de Afdeling onder 17.2 en 17.4 heeft overwogen, slaagt het betoog van Beter Bed B.V. en andere over de berekende verkeersintensiteiten niet. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat die verkeersintensiteiten niet ten grondslag hadden kunnen worden gelegd aan het akoestisch onderzoek.
Het betoog slaagt niet.
44. Beter Bed B.V. en andere betogen dat onvoldoende is onderbouwd dat geen bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de toekomstige geluidsbelasting te beperken of zelfs geheel te mitigeren.
Beter Bed B.V. en andere betogen verder dat het zwaarwegende argument dat volgens het Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Almelo nodig is voor het opleggen van een 'lawaaiig' geluidsniveau ontbreekt. Verder is volgens hen niet kenbaar getoetst aan de in paragraaf 5.6 van het geluidbeleid genoemde criteria en voorwaarden voor het opleggen van hogere grenswaarden.
44.1. Uit artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh volgt dat het college alleen hogere waarden kan vaststellen als de toepassing van geluidreducerende maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zal zijn of overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Als aan een van deze criteria is voldaan, kan van maatregelen worden afgezien.
44.2. In het besluit is uiteengezet welke maatregelen bij de woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld kunnen worden getroffen. Het college is in de voorbereiding op het besluit tot de conclusie gekomen dat bronmaatregelen op bezwaren stuiten. Het toepassen van geluidreducerend asfalt, al dan niet in combinatie met conventioneel asfalt, is niet geschikt voor ovondes waaruit de LARGAS-aansluiting zal bestaan. Door het wringende verkeer wordt het geluidreducerend vermogen snel teniet gedaan. Overdrachtsmaatregelen zoals geluidsschermen stuiten volgens het college op stedenbouwkundige en verkeerskundige bezwaren.
Daarnaast staat in het besluit dat, in lijn met paragraaf 5.6.2 van het Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Almelo, in dit geval sprake is van een locatie specifiek kenmerk dat als zwaarwegend argument is meegewogen om hogere grenswaarden vast te stellen. Dat argument bestaat uit de versterking van de stedenbouwkundige structuur van de Henriëtte Roland Holstlaan door de aanleg van bomen en verlichting, zodat sprake is van een markante lijn.
44.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh onvoldoende doeltreffend is en/of op bezwaren stuit. Het college heeft daarbij toereikend gemotiveerd dat bronmaatregelen op bezwaren stuiten. De enkele stelling van Beter Bed B.V. en andere dat dit niet zo is, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat overdrachtsmaatregelen op bezwaren stuiten en niet doeltreffend zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van hoge geluidschermen niet wenselijk is. Over het betoog van Beter Bed B.V. en andere dat ten onrechte geen lage kokosmatten of plantenhagen worden aangelegd, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft daarover gemotiveerd toegelicht dat dit geen effectieve maatregel is, omdat zij het geluid van het wegverkeer niet of nauwelijks tegenhouden. Daarnaast stelt de raad dat de appartementen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld hoger liggen zodat lage kokosmatten of plantenhagen geen barrière vormen tussen de weg en de appartementen. De Afdeling ziet in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding daaraan te twijfelen, zodat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat die maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat het treffen van maatregelen om de geluidsbelasting vanwege de reconstructie van de Henriette Roland Holstlaan terug te brengen op bezwaren van financiële, verkeerskundige en/of landschappelijke aard stuit en onvoldoende doeltreffend is.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
44.4. Over het zwaarwegende argument dat het college op grond van paragraaf 5.6.2 van het geluidbeleid heeft meegewogen om de hogere waarden vast te stellen, overweegt de Afdeling als volgt. Het college stelt daarover dat de reconstructie van de Henriette Roland Holstlaan dient ter versterking van de stedenbouwkundige structuur als bedoeld in paragraaf 5.6.2 van het geluidbeleid. Hij heeft op de zitting toegelicht dat de Henriëtte Roland Holstlaan voor deze ontwikkeling wordt versterkt, door het aanbrengen van laanbeplanting en het planten van bomen. Door die toevoegingen, alsook het aanbrengen van verlichting, krijgt de weg het karakter van een singel. Bovendien wordt de stedenbouwkundige structuur versterkt door de aanleg van de LARGAS-aansluiting. De Afdeling ziet in wat Beter Bed B.V. en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een zwaarwegend argument, dat mocht worden meegewogen om hogere waarden vast te stellen.
Het betoog slaagt in zoverre ook niet.
Conclusie besluit hogere waarden
45. Het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2020 is ongegrond.
OMGEVINGSVERGUNNING
46. Beter Bed B.V. en andere hebben hun beroepsgrond over welstand op de zitting ingetrokken.
47. Zoals in het procesverloop van deze uitspraak is vermeld, heeft het college bij besluit van 12 januari 2021 op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouw- en tuinmarkt met afhaalcentrum, parkeerplaatsen en toebehoren op het perceel aan de Henriëtte Roland Holstlaan 70.
48. Beter Bed B.V. en andere betogen dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven, omdat deze is verleend op grond van het gebrekkige bestemmingsplan.
48.1. Gelet op wat de Afdeling onder 39 heeft overwogen wordt het plan weliswaar vernietigd, maar blijven de rechtsgevolgen daarvan in stand, met zelfvoorziend een toevoeging van een planregel over de verkeerskundige ontsluiting. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning niet op basis van dat plan verleend had kunnen worden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie omgevingsvergunning
49. Het beroep tegen het besluit van 12 januari 2021 is ongegrond.
Proceskosten
50. De raad moet de proceskosten in verband met het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2020 vergoeden.
51. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van Beter Bed B.V. en andere tegen het besluit van de raad van de gemeente Almelo van 20 oktober 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rhijnbeek" gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Almelo van 20 oktober 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Rhijnbeek";
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, met uitzondering van het ontbreken van een planregel met een voorwaardelijke verplichting tot het aanleggen van de LARGAS-aansluiting;
IV. bepaalt dat aan het bestemmingsplan worden toegevoegd:
- aan artikel 3.3.3 van de planregels:
"f. de wijziging en instandhouding van de Henriëtte Roland Holstlaan overeenkomstig de tekening die als Bijlage 3 bij deze planregels is gevoegd.";
- aan de bijlagen bij de planregels de inrichtingstekening die als bijlage 2 bij deze uitspraak is gevoegd, onder de naam "Bijlage 3: inrichtingstekening van de LARGAS-aansluiting";
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 20 oktober 2020, voor zover dat betreft de in dictumonderdeel IV beschreven planregeling;
VI. draagt de raad van de gemeente Almelo op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen onder IV en V, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VII. verklaart het beroep van Beter Bed B.V. en andere tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 6 oktober 2020 ongegrond;
VIII. verklaart het beroep van Beter Bed B.V. en andere tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 12 januari 2021 ongegrond;
IX. veroordeelt de raad van de gemeente Almelo tot vergoeding van de bij Beter Bed B.V. en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
X. gelast dat de raad van de gemeente Almelo aan Beter Bed B.V. en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
BIJLAGE 1
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt
Artikel 14
De lidstaten stellen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen:
[…]
5) de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang;
[…].
Artikel 15
Lid 1
De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voor-waarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuurs-rechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen.
Lid 2.
De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen:
a) kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters;
b) eisen die van de dienstverrichter verlangen dat hij een bepaalde rechtsvorm heeft;
c) eisen aangaande het aandeelhouderschap van een onderneming;
d) eisen, niet zijnde eisen die betrekking hebben op aangelegen-heden die vallen onder Richtlijn 2005/36/EG of die in andere communautaire instrumenten zijn behandeld, die de toegang tot de betrokken dienstenactiviteit wegens de specifieke aard ervan voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters;
e) een verbod om op het grondgebied van dezelfde staat meer dan één vestiging te hebben;
f) eisen die een minimum aantal werknemers vaststellen;
g) vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienst-verrichter zich moet houden;
h) een verplichting voor de dienstverrichter om in combinatie met zijn dienst andere specifieke diensten te verrichten.
Lid 3.
De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.
Wet geluidhinder
Artikel 110a
Lid 1
Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.
[…]
Lid 5
Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van e betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijk of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen worden toegepast.
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 3.1.6, tweede lid
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Omgevingsverordening Overijssel 2017 (geldend 1 december 2019 tot en met 31 maart 2021)
Artikel 2.1.1
In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
n. stedelijke netwerken: Zwolle Kampen Netwerkstad, de Netwerkstad Twente en de Cleantech regio (Deventer)
[…].
Artikel 2.1.2
Lid 1
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Lid 2
In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken.
Lid 3
In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte voor zover dit past binnen de regionale programmering van de betreffende regio.
Artikel 2.1.4
In de toelichting op bestemmingsplannen waarin provinciale belangen in geding zijn wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en die niet bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik, toekomstbestendig zijn en dus:
- de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;
- duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden;
- ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.
Artikel 2.4.1
In deze titel wordt verstaan onder:
[…]
b. stedelijke netwerken: Zwolle Kampen Netwerkstad, de Netwerkstad Twente en de Cleantech regio (Deventer);
[…]
d. volumineuze detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals showrooms voor auto's, boten en caravans, bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken;
[…].
Artikel 2.4.2 Kernwinkelgebieden
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden.
Artikel 2.4.3 Volumineuze detailhandel
Lid 1
Bestemmingsplannen voorzien niet in nieuwe mogelijkheden om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen.
Lid 2
In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de mogelijkheid worden geboden voor de vestiging van volumineuze detailhandel voor de lokale behoefte waarvoor in kernwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.
Lid 3
In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen in streekcentra en stedelijke centra de mogelijkheid geboden worden voor de vestiging van volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling. Voorwaarde daarbij is dat met een ruimtelijke onderbouwing:
- de behoefte aannemelijk is gemaakt;
- aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kernen;
- aangetoond is dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.
Regels van het bestemmingsplan "Rhijnbeek"
Artikel 1.20
drive-in
al dan niet gebouwde detailhandelsvoorziening inclusief kassa- en serviceruimte, bedoeld voor de verkoop, het ophalen en het retourneren van (grove) bouw- en doe-het-zelfproducten en tuinmaterialen alsmede de verhuur van materieel en gereedschap, geschikt en ingericht om met een voertuig in te rijden en te verblijven, waar bezoekers producten kunnen inladen respectievelijk lossen.
Artikel 1.22
horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken in de volgende te onderscheiden categorieën:
- Horecacategorie 1: fastfoodzaken (afhaalrestaurants, cafetaria's, snackbars, e.d.);
- Horecacategorie 2: sociëteiten, zaalverhuurbedrijven, partycentra;
- Horecacategorie 3: cafés;
- Horecacategorie 4: restaurants, koffiehuizen, ijssalons, tearooms;
- Horecacategorie 5: discotheken;
- Horecacategorie 6: alle horeca als ondergeschikte functie binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte of ruimtes specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren waarvan de openingstijden zijn aangepast aan de openingstijden van de hoofdfunctie;
- Horecacategorie 7: Niet-zelfstandige horeca als ondergeschikte functie die wordt uitgeoefend binnen een andere hoofdfunctie, daar in ruimtelijke en/of functionele zin ondergeschikt aan is en voortvloeit uit en ten dienste staat aan de hoofdfunctie. Het betreft de horeca bij hoofdfuncties van onder andere recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.
Artikel 3.1
De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
1. een bouwmarkt met een oppervlakte van maximaal 10.850 m2 bvo en;
2. een tuincentrum met een oppervlakte van maximaal 5.500 m2, waarvan maximaal 2.500 m2 bvo en maximaal 3.000 m2 buitenruimte, en;
3. een met de bouwmarkt en/of het tuincentrum functioneel verbonden drive-in, met een oppervlakte van maximaal 2.000 m2, en;
4. horeca categorie 6 met een oppervlakte van maximaal 100 m2 bvo;
met de daarbij behorende:
a. toegangsweg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - ontsluitingsweg";
b. verkeersvoorzieningen ten behoeve van het bestemmingsverkeer;
c. geluidswerende voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "geluidsscherm";
d. parkeervoorzieningen;
e. groenvoorzieningen;
f. verhardingen;
g. instructiezuilen, maximaal 8;
h. vlaggenmasten, maximaal 40;
j. reclamemast, maximaal 1, uitsluitend ten behoeve van de in dit artikel bedoelde bouwmarkt en/of het in dit artikel bedoelde tuincentrum en uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - reclamemast";
h. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water.
Artikel 3.3.2
a. Onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan dient ten behoeve van het parkeren van auto's in voldoende mate ruimte te zijn aangebracht in, op of onder het gebouw of op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Onder voldoende ruimte wordt minimaal verstaan:
1. bouwmarkt 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo
2. tuincentrum 2,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo
3. horeca 7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo
[…].
Artikel 3.3.3
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder:
a. de oprichting en instandhouding van het geluidscherm ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" op de verbeelding en overeenkomstig de inrichtingstekening welke als bijlage 1 bij deze planregels is gevoegd, waarbij de massa van het geluidscherm per eenheid van de oppervlakte ten minste 10 kg/m2 bedraagt en waarin zich geen kieren en/of openingen ('akoestische lekken') bevinden;
b. de aanleg en instandhouding van de grondwal met het daarbij behorende hekwerk aan de oostzijde van het perceel overeenkomstig de inrichtingstekening welke als bijlage 1 bij deze planregels is gevoegd en overeenkomstig de doorsnedes welke als bijlage 2 bij deze planregels zijn gevoegd;
c. de aanleg en instandhouding van de toegangsweg ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - ontsluitingsweg" op de verbeelding en overeenkomstig de inrichtingstekening welke als bijlage 1 bij deze planregels zijn gevoegd;
d. de aanleg en instandhouding van de terreinverharding overeenkomstig de inrichtingstekening welke als bijlage 1 bij deze planregels is gevoegd;
e. de aanleg en instandhouding van een waterberging van minimaal 30 mm/per m2 verharde oppervlakte en een vertraagde afvoer van 2,4l/s/ha.
BIJLAGE 2
[afbeelding niet beschikbaar]