Bestuursrecht overig

Voor exploitanten van rondvaartboten blijft het oude tarief van 1,50 euro per bezoeker gelden voor de…

Rechtbank Amsterdam, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
AMS 26/1010 en AMS 26/1011
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10888
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor exploitanten van rondvaartboten blijft het oude tarief van 1,50 euro per bezoeker gelden voor de zogenoemde vermakelijkhedenretributie te water.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 26/1010 en AMS 26/1011

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2026 in de zaken tussen

Stromma Nederland B.V., eiseres

(gemachtigde: mr. S. Bosma),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Eiseres heeft op 7 november 2024 de aangifte van de vermakelijkhedenretributie te water over het derde kwartaal van 2024 voldaan (de voldoening op aangifte I).

Eiseres heeft op 1 mei 2025 de aangifte van de vermakelijkhedenretributie te water over het eerste kwartaal van 2025 voldaan (de voldoening op aangifte II).

Eiseres heeft tegen de voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt.

Met twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 4 december 2025 (de bestreden uitspraken) heeft de heffingsambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen beide uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 6 juli 2026. Namens eiseres zijn verschenen

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door eiseres’ gemachtigde. De heffingsambtenaar is verschenen in de personen van mr. H. Oderkerk en mr. P.E.H.A. Ingenhou, vergezeld door [naam 4] en [naam 5] . De zaken zijn gelijktijdig behandeld met zaken van drie andere rederijen, geregistreerd met zaaknummers AMS 26/764, AMS 26/770 en AMS 26/824.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

Achtergrond vermakelijkhedenretributie te water

1.1.

Op 20 oktober 1994 is de eerste Verordening op de vermakelijkhedenretributie te water vastgesteld. De vermakelijkhedenretributie te water is een heffing voor het bedrijfsmatig geven van vermakelijkheden te water waarbij gebruik wordt gemaakt van gemeentelijke voorzieningen. Een rondvaart valt onder de begripsomschrijving van een vermakelijkheid te water en is als zodanig een belastbaar feit. De rechten worden geheven bij wege van voldoening op aangifte.

1.2.

Artikel 5 van de Verordening op de vermakelijkheidretributie te water 2020 (hierna: Verordening VMR te water 2020), vastgesteld op 7 november 2019, bepaalde dat met ingang van 1 januari 2020 het tarief € 1,50 bedraagt per bezoeker, passagier, respectievelijk deelnemer van/aan de vermakelijkheid.

1.3.

Voor de begroting 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) op 19 september 2023 voorgesteld om het in artikel 5 van de Verordening VMR te water 2020 vastgestelde tarief met € 0,50 te verhogen naar € 2,00. De meeropbrengst door de tariefsverhoging wordt aangewend ter dekking van structurele tekorten van het Programma Varen op het beheer van de informatievoorziening van de nautische keten en de binnenhavengelden pleziervaart.

1.4.

Bij de begrotingsbehandeling op 8 november 2023 heeft de gemeenteraad het voorstel van het college aangenomen. Daarnaast zijn ook drie amendementen aangenomen waarin ter dekking van kosten voor de in de amendementen genoemde voorzieningen is voorgesteld om het tarief voor vermakelijkheidsretributie extra te verhogen met € 0,50 ten opzichte van het voorstel van het college.

1.5.

Met het raadsbesluit van 9 november 2023 is de Eerste wijzigingsverordening Vermakelijkheidretributie te water 2020 (hierna: Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020) vastgesteld. Met deze wijziging geldt met ingang van 1 januari 2024 een tarief van € 2,50 per bezoeker, passagier respectievelijk deelnemer aan de vermakelijkheid.

1.6.

In de raadsvergadering van 14 november 2024 is de Tweede wijzigingsverordening Vermakelijkheidretributie te water 2020 (hierna: Tweede wijzigingsverordening VMR te water 2020) vastgesteld, strekkende tot een verhoging met € 0,10 op het tarief van € 2,50 naar € 2,60, met ingang van 1 januari 2025.

1.7.

In de raadsvergadering van 12 juni 2025 is de Derde wijzigingsverordening Vermakelijkheidretributie te water 2020 (hierna: Derde wijzigingsverordening VMR te water 2020) vastgesteld. Met deze wijziging is het algemeen deel van de toelichting bij de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 aangevuld. In dezelfde raadsvergadering is de (nieuwe) Verordening op de vermakelijkhedenretributie te water 2025 vastgesteld geldend met ingang van 1 juli 2025.

Totstandkoming van bestreden uitspraken

2.1.

Eiseres heeft ter zake van vermaak op een rondvaartboot voor het derde kwartaal 2024 en voor het eerste kwartaal 2025 aangiften gedaan. Eiseres heeft vervolgens de aangiften voldaan. Eiseres heeft tegen de voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft met de bestreden uitspraken de voldoeningen op aangifte gehandhaafd. De heffingsambtenaar heeft daartoe onder meer verwezen naar een raadsinformatiebrief van 6 juni 2025 en de Derde wijzigingsverordening VMR te water 2020.

Omvang van het geding

3.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 4 december 2025. Deze uitspraken zien op de voldoening op aangifte over het derde kwartaal van 2024 en de voldoening op aangifte over het eerste kwartaal van 2025. Op deze tijdvakken is ten tijde van het doen van aangiftes en op de voldoening daarvan de Verordening VMR te water 2020, de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 en de Tweede wijzigingsverordening VMR te water 2020 van toepassing. De Derde wijzigingsverordening VMR te water 2020, die met terugwerkende kracht eveneens geldt vanaf 1 januari 2024, behelst de (aanvullende) toelichting op de tariefsverhoging met de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020.

3.2.

Over de Tweede wijzigingsverordening VMR te water 2020 merkt de rechtbank echter op dat deze ziet op een verhoging van € 0,10 op het tarief van € 2,50 naar € 2,60. Aangezien eiseres zich niet tegen deze verhoging op grond van jaarlijkse indexering verzet, valt de tariefsverhoging met Tweede wijzigingsverordening VMR te water 2020 in deze zaken als zodanig buiten de beoordeling.

3.3.

Tot slot valt ook de Verordening op de vermakelijkhedenretributie te water 2025, vastgesteld in de raadsvergadering van 12 juni 2025, buiten de omvang van dit geding, aangezien deze verordening in werking is getreden met ingang van 1 juli 2025.

Standpunt eiseres

4. Eiseres stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat de tariefsverhoging met

€ 1,- per 1 januari 2024 in strijd is met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Door het ontbreken van de rechtsgrond aan de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 moet deze onverbindend worden verklaard. De vermakelijkhedenretributie wordt geheven voor een doel waarvoor de bevoegdheid tot het heffen van vermakelijkhedenretributie niet is gegeven. Bovendien is de tariefsverhoging onzorgvuldig vastgesteld omdat belangen van rederijen niet zijn meegewogen en ontbreekt hieraan een deugdelijke motivering. Eiseres wijst erop dat de tariefsverhoging niet kan worden doorberekend in de prijs van haar toegangskaarten. Ook de aanvullende toelichting in de raadsinformatiebrief van 6 juni 2025 is niet volledig en onzorgvuldig, aldus eiseres.

Standpunt heffingsambtenaar

5.1.

De heffingsambtenaar stelt dat het algemene uitgangspunt van de gemeenteraad van een eerlijkere bijdrage van de bezoekers aan de stad ook ten grondslag ligt aan de wijziging van de Verordening VMR te water 2020 van 9 november 2023. De aanvullende toelichting die door de raad is vastgesteld op 12 juni 2025 is een verduidelijking van de afwegingen die op 9 november 2023 zijn gemaakt. De discussie over de bijdrage van bezoekers in het algemeen en de bijdragen van dagbezoekers via de vermakelijkhedenretributie in het bijzonder, wordt al geruime tijd in de gemeenteraad gevoerd. Die belangenafweging is niet expliciet opgenomen in de wijzigingsverordening, maar volgt uit de vele stukken, debatten en beraadslagingen. In de aanvullende toelichting staat dat het aantal bezoekers in de stad sinds de invoering van de vermakelijkhedenretributie te water in 1995 almaar is toegenomen. Deze ontwikkeling heeft voor de gemeente geresulteerd in sterk toegenomen financiële lasten voor het aanbrengen en in stand houden van gemeentelijke voorzieningen waarvan de exploitanten profiteren. De gemeentelijke kosten zijn nu fors hoger en bedragen een veelvoud van de opbrengsten van de vermakelijkhedenretributie te water waarvan de opbrengst voor 2024 is geraamd.

5.2.

De heffingsambtenaar heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de tariefsverhoging van € 1,50 naar € 2,50 niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het motief van de tariefsverhoging is gelegen in de verhoging van de opbrengsten van de vermakelijkhedenretributie. Een hogere bijdrage van de bezoekers aan de kosten van de voorzieningen waar de aanbieders van de vermakelijkheden op het water profijt van hebben, betekent dat hier minder algemene middelen voor hoeven te worden aangewend. Het in de amendementen oormerken van de extra begrotingsruimte voor het dekken van amendementen buiten de nautische keten valt binnen de vrijheid van de gemeente om te bepalen welke taken zij naar zich toetrekt en hoe die worden bekostigd. Voor de vermakelijkhedenretributie geldt geen opbrengstnorm, aldus de heffingsambtenaar.

5.3.

De heffingsambtenaar stelt verder dat het belang van de exploitanten niet gelegen is in een zo laag mogelijke heffing. De exploitanten hebben immers belang bij een aantrekkelijke stad en bij de voorzieningen waarvan zij gebruik maken. Zonder deze voorzieningen zou het geven van vermakelijkheden minder aantrekkelijk of zelfs helemaal niet mogelijk zijn. Bovendien kunnen de exploitanten de vermakelijkhedenretributie doorberekenen in de prijzen van de tickets. Aanpassingen van de tarieven hoeven volgens de heffingsambtenaar dus geen directe effecten te hebben op de lasten voor de betreffende aanbieders.

Beoordeling

Juridisch kader

6.1.

De bevoegdheid tot invoering van vermakelijkhedenretributie ontleent de gemeenteraad aan artikel 216 in samenhang met artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet.

6.2.

Artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet, luidt als volgt:

“Rechten kunnen worden geheven ter zake van het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.”

6.3.

Artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is niet van toepassing op de in artikel 229, eerste lid onder c, genoemde vermakelijkheden. Dit betekent dat de opbrengstlimiet niet geldt bij de heffing van vermakelijkhedenretributie te water.

6.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 229, tweede lid, van de Gemeentewet worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen. De rechtbank stelt echter voorop dat rechten, naar hun aard geen belastingen zijn maar retributies. Dit betekent dat het profijt- en vergoedingskarakter voor het gebruik van gemeentelijke diensten en voorzieningen voorop staat.

6.5.

Het gaat dus enerzijds om het – door de gemeente – verlenen van een individuele dienst en anderzijds om het verhaal van de aan die dienst verbonden lasten. Dat het om bestrijding van gemeentelijke lasten gaat is ook terug te vinden in de wetsgeschiedenis.

De vermakelijkhedenretributie moet in relatie staan tot voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op kosten van de gemeente tot stand zijn gekomen ten behoeve van de betrokken belastingplichtigen. In zijn arrest van 24 januari 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan de heffing ten grondslag dient te liggen dat een vermakelijkheid profiteert van een door of vanwege het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorziening, welke voor de gemeente lasten meebrengt. Aan de voorwaarden om een vermakelijkhedenretributie te mogen heffen, is derhalve voldaan indien de gemeente aantoont dat zij lasten heeft ter zake van een voorziening als hiervoor bedoeld. Daarbij behoeft de gemeente niet aan te geven welk bedrag van de met die voorziening gemoeide lasten is toe te rekenen aan de te belasten vermakelijkheid. Er moet wel een individuele contraprestatie van de gemeente zijn in die zin, dat een te belasten vermakelijkheid moet profiteren van een gemeentelijke voorziening die voor de gemeente lasten met zich meebrengt.

6.6.

Artikel 2, eerste lid, van de Verordening VMR te water 2020 omschrijft het belastbare feit en luidt als volgt:

“Onder de naam vermakelijkhedenretributie worden rechten geheven ter zake van het, tegen betaling of vergoeding van welke aard dan ook en voor welk onderdeel van de vermakelijkheden dan ook, bedrijfsmatig geven van vermakelijkheden met, aan, op of in een vaartuig waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur wordt getroffen.”

Strijd met artikel 229 van de Gemeentewet?

7.1.

De rechtbank stelt vast de gemeenteraad de verhoging van het tarief van

€ 1,50 naar € 2,50 heeft gebaseerd op het collegevoorstel van 19 september 2023 en de op 8 november 2023 ingebrachte amendementen. Het collegevoorstel voorziet in een verhoging van het tarief van € 1,50 met € 0,50 tot € 2,-. De amendementen voorzien bovenop het collegevoorstel in een verdere verhoging van het tarief met € 0,50 tot € 2,50.

7.2.

In het collegevoorstel wordt voorgesteld om de vermakelijkhedenretributie te water met € 0,50 te verhogen en de meeropbrengst aan te wenden voor de dekking van structurele tekorten van het Programma Varen op het beheer van de informatievoorziening van de nautische keten en de binnenhavengelden pleziervaart. De rechtbank vindt de enkele verwijzing naar het Programma Varen echter onvoldoende om te kunnen beoordelen of de gemeente daarmee in een voorziening voorziet waar de vermakelijkheid die eiseres biedt en waarvoor eiseres retributie afdraagt, (direct of indirect) profijt van heeft. Onder ‘varen’ kan immers een heleboel worden verstaan dat niet onder de beroepsvaart valt, zoals bij rederijen het geval is. In de wijzigingsverordeningen is deze tariefsverhoging ook verder niet toegelicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om in te gaan op het bewijsaanbod van de heffingsambtenaar om alsnog het Programma Varen ter onderbouwing van zijn standpunt als productie aan het dossier toe te voegen. De heffingsambtenaar heeft dit aanbod pas ter zitting gedaan, terwijl hij deze stukken al veel eerder had kunnen overleggen. Eiseres zou zich daartegen niet meer effectief kunnen verweren.

7.3.

De amendementen die hebben geleid tot de extra tariefsverhoging van de vermakelijkheidretributie te water met € 0,50 tot € 2,50 betreffen begrotingskosten voor:
- gratis openbaar vervoer voor kinderen (amendement 615 accent),
- een lerarenbeurs (amendement 616 accent),
- vergroening van de openbare ruimte: tegel eruit, groen er in (amendement 627 dubbel accent) en
- structurele middelen voor onderwijsondersteunende initiatieven tegen kansenongelijkheid (amendement 629).
De rechtbank is van oordeel dat met de verhoging van het tarief ten behoeve van de in deze amendementen beoogde voorzieningen sprake is van dekking van lasten van voorzieningen waarvan de in de heffing betrokken vermakelijkheden geen enkel profijt hebben. Deze voorzieningen staan immers geheel los van de nautische keten in het algemeen en de beroepsvaart in het bijzonder. Dit betekent dat de heffing het karakter van retributie mist.

7.4.

De heffingsambtenaar heeft gewezen op het uitgangspunt in het coalitieakkoord en de Voorjaarsnota 2019 dat toeristen in de volle breedte mee zullen moeten gaan betalen aan de drukte in de stad (‘een eerlijkere bijdrage van de bezoekers aan de stad’) die ook aan de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 ten grondslag ligt. Voor zover de heffingsambtenaar met deze stelling betoogt dat hij aan het profijtbeginsel heeft voldaan, volgt de rechtbank deze stelling niet. Dat eiseres profiteert van het feit dat er (steeds meer) toeristen naar Amsterdam komen, is een te algemeen uitgangspunt en onvoldoende om een kostenrelatie of concrete individuele contraprestatie van de gemeente aan te nemen.

7.5.

De rechtbank volgt ook niet het standpunt van de heffingsambtenaar dat uit de algemene middelen altijd voorzieningen worden bekostigd waarvan eiseres profiteert. De heffingsambtenaar heeft op de zitting toegelicht dat bij het maken van de jaarbegroting niet op detailniveau wordt gekeken waaruit welke voorziening wordt bekostigd. De kosten die de gemeente maakt zijn vele malen hoger dan de opbrengst uit de vermakelijkheidretributie te water. Deze onderbouwing van de heffingsambtenaar is echter onvoldoende om de tariefsverhoging te rechtvaardigen en past niet binnen het systeem van retributie. De gemeente hoeft de kosten van de voorzieningen inderdaad niet te kwantificeren, maar er moet in alle gevallen een individuele contraprestatie van de gemeente zijn in die zin, dat een te belasten vermakelijkheid moet profiteren van een gemeentelijke voorziening die voor de gemeente lasten met zich meebrengt.

7.6.

Wegens het niet voldoen aan het profijtbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onredelijke en willekeurige belastingheffing en is de verhoging met € 0,50 tot € 2,50 in strijd met artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet vastgesteld.

Strijd met het verbod op détournement de pouvoir?

8. De verhoging van het tarief met € 0,50 tot € 2,50 heeft plaatsgevonden met het oog op de doelen van de amendementen in het licht van de normale taakuitoefening van de gemeente. De gemeenteraad heeft de retributie daarmee in zoverre ingezet als belasting. De bevoegdheid van artikel 229 van de Gemeentewet om vermakelijkheidsretributie te heffen bestaat echter alleen als bij het geven van vermakelijkheden gebruik wordt gemaakt van gemeentelijke voorzieningen die voor de gemeente lasten met zich meebrengt. Omdat de gemeenteraad zijn bevoegdheid dus voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze is verleend, is artikel 5 van de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 in zoverre in van strijd met verbod op détournement de pouvoir tot stand gekomen.

Is de tariefsverhoging zorgvuldig tot stand gekomen?

9.1.

De rechtbank overweegt dat moet worden onderzocht of de door eiseres aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die door de tariefverhoging worden geraakt, zijn meegewogen. Als die belangen niet zijn meegewogen, dan moet ervan worden uitgegaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van artikel 5 van Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020.

9.2.

Uit de toelichting op de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 blijkt niet dat de gerechtvaardigde belangen van aanbieders van rondvaarten zijn meegewogen.
Voor zover de heffingsambtenaar erop wijst dat aanbieders van rondvaarten volgens de toelichting van de gemeenteraad van 12 juni 2025 de nieuwe tarieven kunnen doorberekenen in hun toegangsprijzen en dat zij daarvoor voldoende voorbereidingstijd hadden, heeft eiseres nader toegelicht dat een doorberekening in een tijdsbestek van 6 tot 8 weken niet kan, omdat zij gebonden is aan bestaande contractuele prijsafspraken. Die worden soms al een jaar van tevoren gemaakt met bijvoorbeeld reisorganisaties. Deze toelichting komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Niet gebleken is echter of en zo ja hoe de raad hiermee rekening heeft gehouden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat bij de tariefsverhoging sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering.

Slotsom

10.1.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat een deel van de verhoging is bestemd voor de in de amendementen beoogde maatregelen. Die maatregelen dienen het algemeen belang en staan los van voorzieningen waarvan de vermakelijkheden profiteren. Voor dit deel ontbreekt dus de individuele contraprestatie die een retributie veronderstelt, zodat het niet als retributie kan worden geheven. Met dit deel van de verhoging heeft de gemeenteraad de bevoegdheid van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is verleend. Artikel 5 van de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 is in zoverre in strijd met die bepaling en met het verbod van détournement de pouvoir, en daarom onverbindend voor zover daarin het tarief is verhoogd met € 0,50 tot € 2,50.

10.2.

Voor het deel van de verhoging dat verband houdt met het Programma Varen, ligt dat anders. Dat deel zou als retributie kunnen worden geheven, als het verband houdt met lasten van voorzieningen waarvan de vermakelijkheden profiteren. De gemeenteraad heeft echter niet gemotiveerd welke voorzieningen met dit deel worden bekostigd en waarom de vermakelijkheden daarvan profiteren. De heffingsambtenaar heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of dit deel binnen de grenzen van artikel 229 van de Gemeentewet blijft. Daarnaast blijkt niet dat de gemeenteraad bij de verhoging een belangenafweging heeft gemaakt, waarbij de belangen van de exploitanten zijn betrokken. De rechtbank laat artikel 5 van de Eerste wijzigingsverordening VMR te water 2020 daarom ten aanzien van eiseres buiten toepassing voor zover het tarief is verhoogd met € 0,50 tot € 2,-.

Immateriële schadevergoeding

11.1.

Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

11.2.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in de onderhavig zaken op 19 november 2024 en op 12 mei 2025 een bezwaarschrift heeft ingediend. Op de datum dat uitspraak in deze zaken wordt gedaan, is nog geen twee jaar verstreken. Dit betekent dat geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het verzoek om schadevergoeding wordt reeds daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden uitspraken vernietigen en zelf in de zaken voorzien.

13. Als gevolg van rechtsoverwegingen 10.1. en 10.2. blijft het tarief van € 1,50 per bezoeker, passagier, respectievelijk deelnemer aan de vermakelijkheid van toepassing, zoals dat met ingang van 1 januari 2020 is vastgesteld in de Verordening VMR te water 2020 van

7 november 2019. De rechtbank vermindert de voldoeningen op aanslag dienovereenkomstig.

14. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding te bepalen dat de heffingsambtenaar aan eiseres het door haar in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de zaken van eiseres aan als samenhangende zaken, in de zin van artikel 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast acht de rechtbank de zaken samenhangend met de zaken die gelijktijdig met de zaak van eiseres op de zitting zijn behandeld. Omdat het om meer dan vier samenhangende zaken gaat, past de rechtbank een wegingsfactor 1,5 toe. De rechtbank kent 1 punt toe voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- (2 × € 934,- × 1,5 = € 2.802,-), en 1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- (2 × € 666,- × 1,5 =

€ 1.998,-). Deze vergoeding van € 4.800,- wordt verdeeld over de vijf samenhangende zaken. Omdat het hier om twee van die zaken gaat, stelt de rechtbank de vergoeding voor eiseres vast op 2/5 deel, € 1.920,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aan eiseres opgelegde voldoeningen op aangifte voor het derde kwartaal 2024 en het eerste kwartaal 2025 tot voldoeningen op aangifte berekend naar het tarief van € 1,50;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar eiseres het door haar betaalde griffierecht van totaal € 794,- vergoedt;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.920,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzitter,

mr. J.C.S. van Limburg Stirum en mr. K.S. Man, leden, in aanwezigheid van

mr. M. Oosterhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

6 november 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het Hof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Op 20 november 2023 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2023, nr. 494739. Op 3 december 2024 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2024, nr. 507235. Op 20 juni 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad 2025, nr. 269417. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21591, nr. 7, blz. 32 en 33. ECLI:NL:HR:2003:AF3283. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2004, ECLI:NL:HR:2003:AF3283 r.o. 3.5. ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.4.1.