Bestuursrecht overig
Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het…
ECLI:NL:RVS:2004:AO3402 · Raad van State · 11 februari 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2004-ao3402
Zaakgegevens
Op 11 februari 2004 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 200304986/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AO3402
Samenvatting
Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het college) het door appellant tegen de volgens het college op 28 juni 2001 van rechtswege aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor de bouw van 74 zomerwoningen op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Alkemade, (hierna: het bouwplan) gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2003, verzonden op 17 april 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Uitspraak
200304986/1.
Datum uitspraak: 11 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Regionaal Inspecteur van de VROM-Inspectie Regio Zuid-West, gevestigd te Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkemade.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkemade (hierna: het college) het door appellant tegen de volgens het college op 28 juni 2001 van rechtswege aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor de bouw van 74 zomerwoningen op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Alkemade, (hierna: het bouwplan) gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2003, verzonden op 17 april 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.A. Vellekoop, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden, A.H. Meerburg, burgemeester, C.W. Uittenboogaard, wethouder, J.J. Démoed en J.H.M. Berends, ambtenaren der gemeente en drs. D.J Verhaak, R.B.O.I., zijn verschenen. Daar is ook gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. F.H.A.M. Thunnissen, advocaat te Den Haag, en J.P. van Rijn.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn bezwaar tegen de van rechtswege ontstane bouwvergunning ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling heeft in haar uitspraak van heden in de zaak met no. 200303347/1 geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat derhalve geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. Gelet daarop heeft appellant geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dat appellant griffierecht heeft betaald, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Van Meurs-Heuvel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004
47-398.