Bestuursrecht overig
Bij besluit van 16 december 2015 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning…
ECLI:NL:RVS:2018:1150 · Raad van State · 4 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2018-1150
Zaakgegevens
Op 4 april 2018 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 april 2018
- Datum publicatie
- 4 april 2018
- Zaaknummer
- 201704276/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2018:1150
Samenvatting
Bij besluit van 16 december 2015 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Almere te sluiten voor de duur van drie maanden.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1772Raad van State · 4 april 2018deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2018:1150
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201704276/1/A3.
Datum uitspraak: 4 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend te Almere,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2017 in zaak nr. 16/4179 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de burgemeester van Almere.
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2015 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Almere te sluiten voor de duur van drie maanden.
Bij besluit van 19 juli 2016 heeft de burgemeester het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2018, waar [appellant B], bijgestaan door mr. R.G.E. de Vries, advocaat te Diemen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door D. Mulders en M. van ‘t Klooster, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] zijn eigenaren van de woning aan de [locatie] te Almere. Zij verhuurden deze woning via een makelaar. De politie heeft op 7 december 2015 een onderzoek naar de woning ingesteld en heeft daarbij 210 hennepplanten en 16 lampen van 600 Watt aangetroffen. Gelet hierop en omdat er tevens sprake was van diefstal van energie, heeft de burgemeester geconcludeerd dat er bedrijfsmatig hennep werd geteeld in de woning. De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten voor de duur van drie maanden.
Aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft overwogen dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de verhuurder geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordeed die tot sluiting van de woning noopte. Van een eigenaar van een pand mag in redelijkheid worden verwacht dat hij zich informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. De rechtbank heeft voorts overwogen dat haar niet is gebleken dat [appellanten] onderzoek hebben gedaan naar de door hen verhuurde woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester aan het algemeen belang bij sluiting van de woning meer gewicht mogen toekennen dan aan de belangen van [appellanten]. De burgemeester heeft in redelijkheid tot sluiting van de woning kunnen overgaan, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. [appellanten] vinden het oneerlijk dat de woning wordt gesloten, omdat zij zelf niet betrokken waren bij de teelt van hennep in de woning. Zij betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de makelaar verantwoordelijk was voor het beheer van de woning. Zij vertrouwden op de makelaar en er waren volgens hen geen redenen om eraan te twijfelen dat het beheer goed werd uitgevoerd.
3.1. Het is vaste jurisprudentie dat van een eigenaar van een pand mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. (Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:853) Het was dus aan [appellanten] als eigenaren van de woning aan de [locatie] om het gebruik van deze woning te controleren. Zij mochten er niet mee volstaan alles over te laten aan de makelaar. Ter zitting hebben [appellanten] te kennen gegeven dat zij dit wel hebben gedaan en dat zij geen enkele bemoeienis hadden met de woning. Gelet hierop heeft de burgemeester het algemeen belang van de sluiting zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van [appellanten]. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester in redelijkheid tot sluiting van de woning heeft kunnen overgaan.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.
w.g. Borman w.g. Binnema
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018
589.