Bestuursrecht overig

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek op verzoek van [appellant]…

Zaakgegevens

Op 8 mei 2020 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 mei 2020
Datum publicatie
9 september 2026
Zaaknummer
201909023/2/A3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:3160
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek op verzoek van [appellant] informatie verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). De ISD Bollenstreek is een publiekrechtelijke rechtspersoon die, op basis van een samenwerkingsverband van diverse gemeenten de taken uitvoert op het gebied van sociale zekerheid. [appellant] is in februari 2014 met de ISD in contact gekomen omdat hij financiële bijstand vroeg. Daarnaast heeft [appellant] meerdere Wob-verzoeken ingediend en heeft hij klachten ingediend tegen medewerkers en bestuurders van ISD Bollenstreek. ISD Bollenstreek heeft een civielrechtelijk verbod gevraagd om kortgezegd de correspondentie en overig contact van [appellant] met ISD Bollenstreek te beperken. Dit verzoek is toegewezen. Ook is over en weer aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie van strafbare feiten.

Uitspraak

201909023/2/A3.

Datum uitspraak: 8 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2019 in zaak nr. 18/8091 in het geding tussen:

[appellant]

en

Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: ISD Bollenstreek).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft ISD Bollenstreek op verzoek van [appellant] informatie verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).

Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft ISD Bollenstreek het door [appellant]  daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

ISD Bollenstreek heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

ISD Bollenstreek heeft een nadere stuk ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       De ISD Bollenstreek is een publiekrechtelijke rechtspersoon die, op basis van een samenwerkingsverband van diverse gemeenten de taken uitvoert op het gebied van sociale zekerheid. [appellant] is in februari 2014 met de ISD in contact gekomen omdat hij financiële bijstand vroeg. Daarnaast heeft [appellant] meerdere Wob-verzoeken ingediend en heeft hij klachten ingediend tegen medewerkers en bestuurders van ISD Bollenstreek. ISD Bollenstreek heeft een civielrechtelijk verbod gevraagd om kortgezegd de correspondentie en overig contact van [appellant] met ISD Bollenstreek te beperken. Dit verzoek is toegewezen. Ook is over en weer aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie van strafbare feiten.

Naar aanleiding van een gevoerde bezwaarprocedure en een klacht tegen de directeur van de ISD Bollenstreek heeft [appellant] een Wob-verzoek gedaan en gevraagd om een kopie van documenten waarin staat gedefinieerd dat de leden van een externe bezwaarschriftencommissie onder dezelfde geheimhoudingsplicht vallen als alle medewerkers van de ISD Bollenstreek, specifiek met betrekking tot de leden die de externe commissie vormden bij de behandeling van zijn bezwaarschrift van 30 november 2017.

Aangevallen uitspraak

2.       De rechtbank heeft overwogen dat onduidelijk is gebleven wat [appellant] met zijn Wob-verzoek en de naar aanleiding daarvan ingezette procedures beoogt. Uit het verzoek blijkt dat [appellant] een kopie wil van het document waaruit blijkt dat de leden van de externe bezwaarcommissie onder dezelfde geheimhoudingsplicht vallen als alle medewerkers van ISD Bollenstreek. Blijkens het primaire besluit heeft ISD Bollenstreek deze informatie aan [appellant] verstrekt, behoudens de informatie die reeds openbaar is. Bij het besluit zijn een aantal bijlagen gevoegd. Desondanks is [appellant] kennelijk niet tevredengesteld en ontkent hij de gevraagde informatie (volledig) te hebben ontvangen. ISD Bollenstreek heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een concreet en valide belang heeft bij het indienen van het verzoek, het maken van bezwaar tegen het primaire besluit waarbij het verzoek om informatie is ingewilligd en het indienen van het beroep. Daarnaast heeft ISD Bollenstreek zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat deze zaak niet los valt te zien van het grote aantal andere procedures dat eiser tegen ISD Bollenstreek heeft lopen en de ontwrichtende invloed op de organisatie die daarvan uitgaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar eerdere uitspraken in geschillen tussen [appellant] en ISD Bollenstreek in vergelijkbare Wob-zaken (onder andere de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817) en het overzicht van de grote aantallen werkprocessen en procedures op naam van [appellant].

De rechtbank komt tot de conclusie dat uit de handelwijze van [appellant] zoals die blijkt uit eerdere procedures en in dit geval, kan worden afgeleid dat het hem niet is te doen om de in de Wob-verzoeken gevraagde informatie daadwerkelijk te verkrijgen en openbaar te maken, maar om het ambtelijk apparaat van ISD Bollenstreek te ontwrichten. [appellant] heeft de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen en rechtsmiddelen aan te wenden dan ook gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld op een wijze die blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Hoger beroep

3.       [appellant] dient drie beroepsgronden in. Ten eerste betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte niet ingegaan is op zijn beroepsgrond dat hij in bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Ten tweede betoogt hij dat zijn beroepschrift niet inhoudelijk is beoordeeld. Ten derde betoogt hij dat de rechtbank niets heeft gedaan met zijn mededeling dat hij vanwege zijn financiële toestand niet naar de rechtbank kon reizen.

3.1.    De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de rechtbank niet aan de inhoud van het beroep toe komt. De Afdeling leest het betoog dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet inhoudelijk heeft behandeld als een betoog dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en zal deze grond als eerst behandelen.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135) kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, kan bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

3.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er meerdere indicaties zijn voor misbruik van recht. Uit het dossier blijkt dat tussen [appellant] en ISD Bollenstreek verscheidene procedures lopen en sprake is van een langlopend conflict. Ten tijde van de zitting bij de rechtbank  stonden 800 werkprocessen bij ISD Bollenstreek op naam van [appellant]. Er liepen op dat moment 57 beroepsprocedures bij de rechtbank Den Haag. Op 5 februari 2020 is dat opgelopen naar 987 werkprocessen, 84 beroepsprocedures tegen besluiten van de ISD Bollenstreek, 5 hoger beroepsprocedures bij de Afdeling en 3 bij de Centrale Raad van Beroep. Een gemiddelde klant heeft 3 contactmomenten per jaar. [appellant] overschrijdt dat aantal regelmatig op een dag. [appellant] heeft geen redelijke verklaring gegeven voor de overmatige belasting van ISD Bollenstreek. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817, staat en uit het dossier blijkt, ontwricht [appellant] ISD Bollenstreek ook op andere manieren, bijvoorbeeld door het registreren van een website met in de naam ISD Bollenstreek. Het Wob-verzoek in de onderhavige procedure past in dit patroon van ontwrichting door ISD Bollenstreek te overbelasten met verzoeken, klachten en procedures. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en bezwaar en beroep in te stellen in de daaropvolgende besluitvorming ook in dit geval heeft gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Omdat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, is zij terecht niet toegekomen aan de procedurele en inhoudelijke beroepsgronden.

De betogen falen.   

4.       Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kameris verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2020

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

-         Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

-         In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

-         Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

725.