Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:5787

Op 30 September 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202503159/1/A2, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:5787.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202503159/1/A2
Datum uitspraak:
30 September 2026
Datum publicatie:
30 September 2026

Indicatie

Bij brief van 21 oktober 2023 heeft de minister van Financiën [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een financiële vergoeding wegens een onrechtmatige registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister heeft [appellant] bij brief van 27 mei 2021 laten weten dat zijn persoonsgegevens in de FSV stonden. Vervolgens heeft de minister op 21 oktober 2023 via de zogenoemde afsluitende brief laten weten dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. De FSV-registratie heeft geen gevolgen gehad bij de Belastingdienst, zijn gegevens zijn niet gedeeld met andere organisaties en het gaat niet om bijzondere persoonsgegevens. Het daartegen gemaakte bezwaar is op 15 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister is de afsluitende brief enkel informatief van aard en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Uitspraak

202503159/1/A2.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 18 april 2025 in zaak nr. 24/3390 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij brief van 21 oktober 2023 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een financiële vergoeding wegens een onrechtmatige registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).

Bij besluit van 15 januari 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz en mr. Baarslag-Clement, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De minister heeft [appellant] bij brief van 27 mei 2021 laten weten dat zijn persoonsgegevens in de FSV stonden. Vervolgens heeft de minister op 21 oktober 2023 via de zogenoemde afsluitende brief laten weten dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. De FSV-registratie heeft geen gevolgen gehad bij de Belastingdienst, zijn gegevens zijn niet gedeeld met andere organisaties en het gaat niet om bijzondere persoonsgegevens. Het daartegen gemaakte bezwaar is op 15 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister is de afsluitende brief enkel informatief van aard en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de afsluitende brief geen besluit is. Deze is niet op rechtsgevolg gericht. De brief heeft alleen als doel [appellant] te informeren dat de opname van zijn persoonsgegevens in het FSV-systeem niet heeft geleid tot een aangepaste behandeling van zijn belastingaangiftes of aanvragen. Verder steunt de mededeling dat [appellant] niet aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming niet op een publiekrechtelijke grondslag.

3. Omdat de afsluitende brief geen besluit is, is het niet mogelijk daartegen bezwaar te maken. De minister kan niet worden verweten dat hij niet tijdig heeft beslist. De minister is daarom geen dwangsom aan [appellant] verschuldigd, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

4. De Afdeling stelt voorop dat het in deze procedure alleen kan gaan over het besluit van 15 januari 2024, waarin het bezwaar, gericht tegen de afsluitende brief van 21 oktober 2023, niet-ontvankelijk is verklaard en het daarmee samenhangende verzoek tot het vaststellen van een dwangsom. Wat [appellant] heeft aangevoerd tegen door hem ingediende herzieningsverzoeken zal de Afdeling daarom niet behandelen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de afsluitende brief van 21 oktober 2023 geen besluit is. Dit betoog slaagt. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730 en het daarin opgenomen oordeel dat de afsluitende brief een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de brief van 21 oktober 2023 een besluit is. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van [appellant].

6. Omdat de afsluitende brief een besluit is, heeft de rechtbank ook op onjuiste gronden overwogen dat de minister geen dwangsom aan [appellant] is verschuldigd. De minister zal ook nog moeten besluiten op het verzoek om een dwangsom.

Conclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 15 januari 2024 vernietigen vanwege schending van artikel 7:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 1:3, eerste lid, en artikel 8:1 van deze wet. In dit besluit heeft de minister het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling zal de minister opdragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit op dat bezwaar en het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom te nemen.

8. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2025 in zaak nr. 24/3390;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Financiën van 15 januari 2024, kenmerk 199191281, gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. draagt de minister van Financiën op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

1062