Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:5792

Op 30 September 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202504010/1/A3, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:5792.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202504010/1/A3
Datum uitspraak:
30 September 2026
Datum publicatie:
30 September 2026

Indicatie

Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Berg en Dal de preventieve last onder dwangsom die op 14 september 2011 is opgelegd, ingetrokken. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1] in Ooij en op zijn perceel groeit een haag. Deze haag zorgt volgens het college al meerdere jaren voor belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van [appellant] en [locatie 2]. Dit is een overtreding van artikel 2:15 van de APV. Op 9 mei 2023 heeft een toezichthouder naar aanleiding van klachten uit de straat een op ambtsbelofte proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. De toezichthouder heeft geconstateerd dat de toegang tussen [locatie 2] en [locatie 1] naar de achterkant van de woningen wordt belemmerd door de haag behorende bij het perceel van [appellant]. De weg is niet over de volledige breedte toegankelijk en het verkeersbord aan de ingang is zeer slecht zichtbaar.

Uitspraak

202504010/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Ooij, gemeente Berg en Dal,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juni 2025 in zaken nrs. 23/7164 en 24/273 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college de preventieve last onder dwangsom die op 14 september 2011 is opgelegd, ingetrokken.

Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 25 oktober 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd en gelast de overtreding van artikel 2:15 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Berg en Dal (APV) ongedaan te maken en de belemmering en de veroorzaakte hinder door de haag op te heffen.

Bij besluit van 28 december 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 juni 2024 heeft het college een invorderingsbeschikking genomen.

Bij uitspraak van 30 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 26 oktober 2023, 28 december 2023 en 24 juni 2024 ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 8 april 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Nanda, zijn verschenen.

Tijdens de zitting van 8 april 2026 heeft [appellant] verzocht om wraking.

Bij uitspraak van 14 april 2026 heeft de Afdeling het verzoek buiten behandeling gelaten.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Nanda, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie 1] in Ooij en op zijn perceel groeit een haag. Deze haag zorgt volgens het college al meerdere jaren voor belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van [appellant] en [locatie 2] Dit is een overtreding van artikel 2:15 van de APV.

2. Op 9 mei 2023 heeft een toezichthouder naar aanleiding van klachten uit de straat een op ambtsbelofte proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. De toezichthouder heeft geconstateerd dat de toegang tussen [locatie 2] en [locatie 1] naar de achterkant van de woningen wordt belemmerd door de haag behorende bij het perceel van [appellant]. De weg is niet over de volledige breedte toegankelijk en het verkeersbord aan de ingang is zeer slecht zichtbaar. Bij besluit van 25 oktober 2023 heeft het college besloten de last onder dwangsom op te leggen en gelast de overtreding van artikel 2:15 van de APV ongedaan te maken en de belemmering en de veroorzaakte hinder door de haag op te heffen. Dit kan [appellant] doen door de haag zodanig te (laten) snoeien dat de doorgang van de weg en het zicht op het verkeersbord niet langer worden belemmerd en ten alle tijde een doorgang van de weg van minimaal 3,40 meter is gegarandeerd. Dit op straffe van een dwangsom van € 750, met een maximum van twee constateringen per week (sub-maximum van € 1.500), en met een maximum van in totaal € 3.000.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft eerst geoordeeld dat het college in dit geval bevoegd is om de opgelegde preventieve last onder dwangsom in te trekken. Het college heeft het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2023 is daarom ongegrond.

Daarna heeft de rechtbank geoordeeld dat het college bevoegd is om handhavend op te treden. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de last tot het snoeien van de haag geen inbreuk op het eigendomsrecht oplevert. De last om de haag te snoeien is opgelegd in het algemeen belang en opgelegd onder de voorwaarden bij wet voorzien. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de last een herstelsanctie is, dat niet is gebleken dat bij de besluitvorming in deze procedure het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gebracht, en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Daarom zijn de beroepen tegen de besluiten van 28 december 2023 en 24 juni 2024 ongegrond. Tot slot heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen omdat in dit geval geen sprake is van een onrechtmatig besluit waardoor [appellant] schade lijdt of zal lijden.

Wettelijk kader

4. Artikel 2:15 van de APV luidde ten tijde van belang: "Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan weggebruikers het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert."

Beoordeling van het hoger beroep

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet zonder verzoek de last onder dwangsom uit 2011 mocht intrekken. Dit volgt uit artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellant] geen procesbelang heeft bij de intrekking van de last onder dwangsom. Verder betoogt [appellant] dat het college geen last onder dwangsom kan opleggen om een haag op privéterrein te snoeien. Daarbij valt de weg naast zijn perceel onder zijn eigendom. Dit is in strijd met EU-recht en de rechtbank heeft ten onrechte EU-jurisprudentie buiten toepassing gelaten. Hij betoogt dat de haag beschermd eigendom is en dat hij door de last wordt gediscrimineerd op grond van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook betoogt hij dat de toegang tot de rechter wordt belemmerd. De Afdeling zit te ver van zijn woonplaats, er kan moeilijk geparkeerd worden, de Afdeling zit in een milieuzone, en er stopt geen openbaar vervoer voor zijn huis. Verder zijn volgens [appellant] zijn burgerrechten geschonden omdat zijn verzoek tot schorsing is afgewezen. Hij heeft verzocht om hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De Awb staat tot slot vol discriminerende bepalingen, aldus [appellant].

6. [appellant] heeft zijn standpunten uitvoerig uiteengezet maar wat hij heeft aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel dan de rechtbank. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college bevoegd was om de eerder opgelegde preventieve last onder dwangsom in te trekken en dat het college het bezwaar van [appellant] tegen de intrekking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Met de rechtbank is de Afdeling ook van oordeel dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. De last tot het snoeien van de haag levert daarbij geen ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht op. De Afdeling heeft dit eerder overwogen in haar uitspraak van 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:709, waarin [appellant] hetzelfde betoog heeft aangevoerd. De Afdeling ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken aangezien de regelgeving en de omstandigheden in dit geval niet zijn gewijzigd sinds deze uitspraak van de Afdeling. [appellant] doet verder tevergeefs een beroep op het recht van de Europese Unie. Net als de rechtbank is de Afdeling niet gebleken dat bij de besluitvorming in deze procedure het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gebracht. [appellant] heeft daarnaast verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen over de afwijzing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank. Hij heeft echter niet duidelijk kenbaar gemaakt waarop een eventuele prejudiciële vraag gericht zou moeten zijn en heeft ook niet onderbouwd waarom eventuele prejudiciële vragen relevant zijn voor de oplossing van dit geschil. De Afdeling ziet daarom in het verzoek van [appellant] geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Verder heeft [appellant] geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. De Afdeling is ook van oordeel dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden waardoor handhaving in dit geval achterwege had moeten blijven. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Wat betreft de toegankelijkheid van de Raad van State, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2215, waarin [appellant] hetzelfde betoog heeft aangevoerd. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de eerdere uitspraak van de Afdeling onjuist of onvolledig zou zijn.

7. Het betoog slaagt niet.

Slotsom

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

990