Omgevingsrecht
Bij besluit van 16 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar aan…
Raad van State, 4 november 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6489 · Raad van State · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6489
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 202403637/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6489
Samenvatting
Bij besluit van 16 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar aan Wildenborch Real Estate een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een strandpaviljoen met sanitaire voorziening bij de Mookerplas op het perceel aan de [locatie] in Plasmolen. Bij besluit van 16 juni 2020 heeft het college aan Wildenborch Real Estate een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een strandpaviljoen met sanitaire voorziening bij de Mookerplas op het perceel aan de [locatie]in Plasmolen. [appellante] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank uitsluitend voor zover die gaat over het niet vergoeden van het griffierecht. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij griffierecht was verschuldigd voor haar beroep. Ter onderbouwing hiervan wijst [appellante] erop dat de rechter op de zitting heeft gezegd dat het fout is dat meer dan eenmaal griffierecht van [appellante] en anderen is geheven en dat de gemaakte fout zal worden hersteld, maar dat dat niet is gebeurd. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet in de uitspraak heeft bepaald dat het college op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht het griffierecht moet vergoeden. Zij wijst in dit verband erop dat haar beroep gegrond was.
Uitspraak
202403637/1/R1.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Plasmolen, gemeente Mook en Middelaar,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 mei 2024 in zaken nrs. 21/1488, 21/1977, 21/1978, 21/1979, 21/1980, 21/1981, 21/1982 in het geding tussen:
1. [appellante]
2. negen anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2020 heeft het college aan Wildenborch Real Estate een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een strandpaviljoen met sanitaire voorziening bij de Mookerplas op het perceel aan de [locatie] in Plasmolen.
Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 3 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak heeft ook betrekking op zes beroepen van anderen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 21 september 2026 heeft het college de op 16 juni 2020 verleende omgevingsvergunning gewijzigd.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 22 september 2026, waar [appellante] en [persoon], en het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar, vertegenwoordigd door mr. S. Heno, zijn verschenen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Wildenborch Real Estate na de zitting een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 november 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Bij besluit van 16 juni 2020 heeft het college aan Wildenborch Real Estate een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een strandpaviljoen met sanitaire voorziening bij de Mookerplas op het perceel aan de [locatie] in Plasmolen.
Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is het college overgegaan, omdat [appellante] volgens het college geen belanghebbende is bij het besluit van 16 juni 2020. Bij uitspraak van 3 mei 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft het door [appellante] ingestelde beroep daarom ongegrond verklaard.
Naast [appellante] hebben ook anderen afzonderlijk beroep ingesteld tegen afzonderlijke besluiten van 20 april 2021. De rechtbank heeft ook deze ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat voor elk beroep afzonderlijk griffierecht is verschuldigd.
[appellante] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank uitsluitend voor zover die gaat over het niet vergoeden van het griffierecht.
Griffierecht
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij griffierecht was verschuldigd voor haar beroep. Ter onderbouwing hiervan wijst [appellante] erop dat de rechter op de zitting heeft gezegd dat het fout is dat meer dan eenmaal griffierecht van [appellante] en anderen is geheven en dat de gemaakte fout zal worden hersteld, maar dat dat niet is gebeurd. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet in de uitspraak heeft bepaald dat het college op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het griffierecht moet vergoeden. Zij wijst in dit verband erop dat haar beroep gegrond was. Op de zitting hebben partijen namelijk ingestemd met een voorstel dat de rechter op zitting heeft gedaan en vervolgens hun beroepsgrond over geluidhinder ingetrokken. Dat voorstel hield in dat de rechtbank zelf in de zaak zou voorzien door een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Met dit voorschrift zou worden geregeld dat er geen geluidsbronnen op het dakterras van het strandpaviljoen zouden komen.
Verder wijst [appellante] erop dat artikel 8:74, tweede lid, van de Awb het mogelijk maakt dat bij een ongegrondverklaring van het beroep, de uitspraak kan inhouden dat het griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. Volgens [appellante] is het niet vergoeden van het door [appellante] betaalde griffierecht niet billijk.
3.1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb heft de griffier een griffierecht van de indiener van het beroepschrift. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, bedroeg het griffierecht € 181,00 voor een natuurlijk persoon.
In artikel 8:74, eerste lid, van de Awb staat dat indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed, zo luidt het tweede lid.
3.2. [appellante] heeft tegen het aan haar gerichte besluit op bezwaar van 20 april 2021 afzonderlijk beroep ingesteld. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb, heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting een bedrag van € 181,00 aan griffierecht van haar geheven. Dat de rechtbank op de zitting bepaalde uitlatingen heeft gedaan over de verschuldigdheid van griffierecht, maakt niet dat in weerwil van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb moet worden geoordeeld dat [appellante] geen griffierecht of een lager bedrag aan griffierecht verschuldigd was.
De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Wat [appellante] over het verhandelde op zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Omdat het beroep van [appellante] ongegrond was, heeft de rechtbank niet in strijd met artikel 8:74, eerste lid van de Awb, het griffierecht niet laten vergoeden.
De rechtbank heeft geen gebrek geconstateerd in het aan [appellante] gerichte besluit op bezwaar. Er doen zich hier geen omstandigheden voor op grond waarvan de rechtbank gehouden was om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb, het college te gelasten het door [appellante] betaalde griffierecht moet vergoeden.
Gelet op wat hiervoor staat, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte in de uitspraak het college niet heeft gelast het door [appellante] betaalde griffierecht te vergoeden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Besluit van 21 september 2026
5. Bij besluit van 21 september 2026 heeft het college de aan Wildenborch Real Estate verleende omgevingsvergunning gewijzigd door een aanvullend voorschrift daaraan te verbinden. Op grond van dat voorschrift mag het dakterras van het strandpaviljoen niet worden gebruikt voor het ten gehore brengen van versterkte muziek of andere versterkte geluidsbronnen.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
5.1. [appellante] heeft op de zitting laten weten niet tegen het besluit van 21 september 2026 te willen opkomen. Wildenborch Real Estate, heeft bij brief, ontvangen op 24 september 2026, laten weten niet tegen het besluit van 21 september 2026 te willen opkomen.
Hun beroepen van rechtswege moeten daarom worden geacht te zijn ingetrokken.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
6. [appellante] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar alleen voor zover de overschrijding is toe te rekenen aan de rechtbank en de Afdeling.
De Afdeling komt tot de conclusie dat dit verzoek moet worden toegewezen. Zij geeft hierna aan hoe zij tot dat oordeel komt en tot welke schadevergoeding dat leidt.
6.1. De redelijke termijn is overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
6.2. Het college heeft op de zitting bevestigd dat het het bezwaarschrift van [appellante] tegen het besluit van 16 juni 2020 heeft ontvangen op 3 september 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met twee jaar en twee maanden overschreden. Deze overschrijding moet voor 2/26 deel aan het college, voor 18/26 deel aan de rechtbank en voor 6/26 deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee zou de schadevergoeding voor de totale overschrijding van de termijn € 2.500,00 bedragen. Maar [appellante] heeft uitsluitend verzocht om schadevergoeding voor zover de overschrijding is toe te rekenen aan de rechtbank en de Afdeling, zodat de schadevergoeding wordt vastgesteld op € 2.307,69.
Proceskosten
7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 2.307,69 te betalen (€ 1.730,77 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 576,92 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
163-1188
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
[…].
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Artikel 8:41
1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
2. Het griffierecht bedraagt:
a. € 49 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht,
b. € 187 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit,
[…].
Artikel 8:74
1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.
2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.