Omgevingsrecht

[appellant] heeft op grond van artikel 8:55f, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep…

Raad van State, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
202501299/1/R4
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6503
E-mail

Samenvatting

[appellant] heeft op grond van artikel 8:55f, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep ingesteld tegen het uitblijven van de bekendmaking van een volgens hem van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] in Baak. Bij besluit van 14 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouder van Bronckhorst geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] in Baak en het realiseren van een ontsluiting aan de Zutphen-Emmerikseweg. Op het perceel staat al een gebouw dat in gebruik is als bedrijfswoning en dat door partijen wordt aangeduid als het Rijksmonument. [appellant] wil de bestaande woonfunctie van het Rijksmonument verplaatsen naar de nieuw te bouwen bedrijfswoning, waardoor het Rijksmonument niet langer zal dienen als bedrijfswoning.

Uitspraak

202501299/1/R4.

Datum uitspraak: 4 november 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd in Baak, gemeente Bronckhorst,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 januari 2025 in zaken nrs. 23/3425 en 23/8039 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

[appellant] heeft op grond van artikel 8:55f, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep ingesteld tegen het uitblijven van de bekendmaking van een volgens hem van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] in Baak.

Bij besluit van 14 november 2023 heeft het college geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 23 januari 2025 heeft de rechtbank de beroepen van [appellant] daartegen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door C. Lubbers en D. Robbertsen-Boon, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 juni 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] in Baak en het realiseren van een ontsluiting aan de Zutphen-Emmerikseweg. Op het perceel staat al een gebouw dat in gebruik is als bedrijfswoning en dat door partijen wordt aangeduid als het Rijksmonument. [appellant] wil de bestaande woonfunctie van het Rijksmonument verplaatsen naar de nieuw te bouwen bedrijfswoning, waardoor het Rijksmonument niet langer zal dienen als bedrijfswoning.

Bij brief van 29 maart 2023 heeft [appellant] aan het college uiteengezet waarom volgens hem de aangevraagde omgevingsvergunning inmiddels van rechtswege is verleend en heeft hij het college verzocht om die vergunning bekend te maken. Bij brief van 9 mei 2023 heeft het college dit verzoek geweigerd, omdat volgens hem de aangevraagde omgevingsvergunning niet van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 14 november 2023 heeft het college op de aanvraag besloten en de omgevingsvergunning geweigerd. Aan de weigering heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat de bouw van de bedrijfswoning in strijd is met artikel 4.2.3, onder a, van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Bronckhorst", omdat op het perceel al een bedrijfswoning aanwezig is in het Rijksmonument. In die bepaling staat dat per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning is toegestaan.

2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen vergunning van rechtswege is verleend, omdat de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Zij heeft overwogen dat de aanvraag moet worden opgevat als een aanvraag voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning binnen hetzelfde bouwvlak en dat een tweede bedrijfswoning in strijd is met het bestemmingsplan en uitsluitend kan worden vergund met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, in welk geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is.

Over het besluit van 14 november 2023 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat het college kon weigeren de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, omdat het Rijksmonument de functie van bedrijfswoning behoudt en het college de bouw van een tweede bedrijfswoning ongewenst heeft mogen achten vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag moet worden opgevat als een aanvraag voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning binnen hetzelfde bouwvlak. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat de aanvraag niet alleen ziet op de bouw van de nieuwe bedrijfswoning, maar ook op het vervallen van de woonfunctie van het Rijksmonument. Daarbij wijst hij op de bladzijden 4 en 5 van de aanvraag, waar staat dat het wooncontingent zal worden verplaatst van het Rijksmonument naar de nieuw te bouwen bedrijfswoning. Daarmee wordt volgens hem de woonfunctie aan het Rijksmonument onttrokken, zodat geen sprake is van een tweede bedrijfswoning. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte relevant geacht dat de toekomstige functie van het Rijksmonument niet is geconcretiseerd in de aanvraag.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanvraag moet worden opgevat als een aanvraag voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning binnen hetzelfde bouwvlak. Met de gevraagde omgevingsvergunning wordt, anders dan [appellant] betoogt, de woonfunctie niet aan het Rijksmonument onttrokken. De aanvraag ziet namelijk niet op het Rijksmonument, omdat met betrekking tot het Rijksmonument geen activiteiten zijn aangevraagd. De enkele vermelding in de aanvraag dat de woonfunctie zal worden verplaatst naar de nieuw te bouwen bedrijfswoning, heeft niet tot gevolg dat bij inwilliging van de aanvraag het Rijksmonument niet langer als bedrijfswoning mag worden gebruikt. Dat betekent dat de aanvraag ziet op het realiseren van een tweede bedrijfswoning. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat geen vergunning van rechtswege is verleend en dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen weigeren.

Het betoog slaagt niet.

4. Wat [appellant] verder in hoger beroep aanvoert, is gebaseerd op de aanname dat geen tweede bedrijfswoning is aangevraagd. Zoals hiervoor is overwogen, moet de aanvraag wel worden opgevat als een aanvraag om een tweede bedrijfswoning. Alleen al daarom kunnen die betogen niet slagen.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Van den Biggelaar

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kors

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026

687-1209