Omgevingsrecht

Bij brief van 15 juli 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere [appellant] bericht…

Raad van State, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
202506181/1/R1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6511
E-mail

Samenvatting

Bij brief van 15 juli 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere [appellant] bericht dat geen toestemming wordt verleend voor het maken van een inrit naar zijn perceel aan de [locatie] in Almere. [appellant] woont aan de [locatie] in Almere. Tussen zijn perceel en de openbare weg ligt een groenstrook met voetpaden, die eigendom is van de gemeente. [appellant] wil zijn elektrische auto in zijn voortuin mogen parkeren en opladen. Hij heeft daarom op 2 juli 2024 met het formulier "Aanvraag rioolaansluiting en/of inrit" een verzoek ingediend. In de brief van 15 juli 2024 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat de gemeente Almere als grondeigenaar geen toestemming geeft voor het gebruik van de groenstrook als inrit. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen de weigering bij besluit van 17 september 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat de weigering om toestemming te verlenen privaatrechtelijk van aard is en dat de brief van 15 juli 2024 daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens het college berust de weigering om toestemming te verlenen niet ook op een publiekrechtelijke grondslag, omdat voor het maken van een inrit in de gemeente Almere geen vergunningplicht geldt.

Uitspraak

202506181/1/R1.

Datum uitspraak: 4 november 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Almere,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 18 november 2025 in zaak nr. 24/6666 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij brief van 15 juli 2024 heeft het college [appellant] bericht dat geen toestemming wordt verleend voor het maken van een inrit naar zijn perceel aan de [locatie] in Almere.

Bij besluit van 17 september 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 oktober 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] woont aan de [locatie] in Almere. Tussen zijn perceel en de openbare weg ligt een groenstrook met voetpaden, die eigendom is van de gemeente. [appellant] wil zijn elektrische auto in zijn voortuin mogen parkeren en opladen. Hij heeft daarom op 2 juli 2024 met het formulier "Aanvraag rioolaansluiting en/of inrit" een verzoek ingediend.

In de brief van 15 juli 2024 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat de gemeente Almere als grondeigenaar geen toestemming geeft voor het gebruik van de groenstrook als inrit. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen de weigering bij besluit van 17 september 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat de weigering om toestemming te verlenen privaatrechtelijk van aard is en dat de brief van 15 juli 2024 daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens het college berust de weigering om toestemming te verlenen niet ook op een publiekrechtelijke grondslag, omdat voor het maken van een inrit in de gemeente Almere geen vergunningplicht geldt.

[appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

Relevante wettelijke bepalingen

2.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Mocht de rechtbank uitspraak doen zonder zitting?

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb hem niet heeft gehoord op een zitting. Hij heeft namelijk op tijd bevestigend geantwoord op de vraag van de rechtbank of hij op een zitting wilde worden gehoord, zo stelt hij.

3.1.    Artikel 8:57, eerste lid, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht."

3.2.    De rechtbank heeft bij brief van 16 juli 2025 aan [appellant] meegedeeld dat zij voldoende informatie heeft om uitspraak te doen, zodat het volgens haar niet nodig is om een zitting te houden. De rechtbank heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te laten weten of hij toch op een zitting wil worden gehoord. Bij de stukken bevindt zich niet een brief van [appellant] of van zijn advocaat waarin de rechtbank wordt bericht dat hij een zitting wenst. [appellant] heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij de rechtbank dat heeft laten weten. Bij het uitblijven van een reactie heeft de rechtbank daarom met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb zonder zitting uitspraak mogen doen.

Het betoog slaagt niet.

Heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de weigering van het college om toestemming te verlenen voor het maken van de inrit een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het maken van een inrit is volgens [appellant] een activiteit in de zin van de Omgevingswet, die niet mag worden verricht zonder omgevingsvergunning. De weigering is daarom publiekrechtelijk van aard, zo voert hij aan.

Hij wijst op publicaties waaruit blijkt dat het college in 2020 en 2023 besluiten heeft genomen over het maken van een uitrit, waartegen wel bezwaar en beroep kon worden ingesteld. Ook wijst [appellant] erop dat in andere gemeentes wel een vergunningstelsel geldt voor het maken van een inrit. Het college handelt volgens [appellant] in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie en détournement de pouvoir door geen inhoudelijk besluit op zijn verzoek te nemen.

[appellant] heeft betoogd dat het college namens de gemeente als grondeigenaar ten onrechte toestemming heeft geweigerd voor het gebruik van de gemeentegrond.

4.1.    Uit de artikelen 7:1, eerste lid, en 8:1 van de Awb volgt dat alleen tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt.

Onder een besluit wordt in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222, onder 4, is een rechtshandeling publiekrechtelijk, als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift.

4.2.    Op grond van het bestemmingsplan "Molenbuurt, Bouwmeesterbuurt, Landgoederenbuurt en Polderpark", welk bestemmingsplan deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Almere, is het hebben en maken van een uitweg, zoals het realiseren van een inrit juridisch wordt genoemd, ter plaatse toegestaan zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dat betekent dat er dus geen sprake is van een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

In artikel 22.8 van de Omgevingswet is verder geregeld dat voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een omgevingsplanactiviteit, zo’n bepaling geldt als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a. Maar in Almere geldt geen gemeentelijke verordening waarin een ontheffing of vergunning is vereist voor het hebben en maken van een uitweg. De Algemene plaatselijke verordening gemeente Almere 2011 bevat zo’n bepaling. Er bestaat in de gemeente Almere ook geen andere gemeentelijke verordening waarin dat is bepaald. De weigering om toestemming te verlenen voor het maken van een inrit is daarom niet ook gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag.

Dat in andere gemeentes mogelijk wel een vergunningplicht in een gemeentelijke verordening is opgenomen, maakt dit niet anders. Het college is namelijk alleen gehouden om toepassing te geven aan de in de gemeente Almere geldende verordeningen.

Dat uit publicaties blijkt dat het college in 2020 en 2023 omgevingsvergunningen heeft verleend voor activiteiten die betrekking hebben op een inrit, doet hier niet aan af. Deze toestemmingen zijn namelijk gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Daarmee hebben zij wel een publiekrechtelijke grondslag.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de brief van 15 juli 2024 geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Daarom is de weigering om toestemming te verlenen voor het maken van een inrit geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat het college het bezwaar, zoals het heeft gedaan, alleen maar niet-ontvankelijk mocht verklaren. Het college mocht niet inhoudelijk zijn bezwaar beoordelen. Aan een beoordeling van de vraag of het besluit op bezwaar is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie en détournement de pouvoir komt de Afdeling daarom niet toe.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

4.3.    De rechtbank is in de uitspraak terecht niet inhoudelijk ingegaan op het betoog van [appellant] dat de gemeente als grondeigenaar niet had mogen weigeren om toestemming te verlenen voor het maken van een inrit. Dit betoog heeft namelijk geen betrekking op het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Daarom kan het betoog niet leiden tot het oordeel dat dat besluit ten onrechte is genomen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

4.4.    Zoals ook is besproken op de zitting, is de bestuursrechter in dit geval dus niet bevoegd om inhoudelijk te oordelen over de vraag of de gemeente als grondeigenaar de toestemming voor het maken van een inrit had mogen weigeren. Dat is een civielrechtelijke kwestie waarvoor de burgerlijke rechter de bevoegde rechter is.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026

163-1093

 

BIJLAGE

 

Omgevingswet

Artikel 5.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit;

[…].

Artikel 22.8

Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.

Omgevingsbesluit

Artikel 2.1

1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen;

[…].

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

[…].

Artikel 7:1

1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:

[…].

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.