Omgevingsrecht
Bij besluit van 10 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep aan [persoon A]…
Raad van State, 4 november 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6490 · Raad van State · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6490
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 202404560/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6490
Samenvatting
Bij besluit van 10 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep aan [persoon A] en [persoon B] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een pand aan de [locatie 1] te Gennep. Daarbij heeft het college gebruik gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, om de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 2] te Gennep. Zij zijn ook eigenaar van het perceel aan de [locatie 3]. Dat perceel ligt direct naast de [locatie 1]. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met de door het college verleende omgevingsvergunning. Zij vrezen dat door dit besluit het woon- en leefklimaat ter plaatse van het pand aan de [locatie 3] onevenredig wordt aangetast, omdat de beoogde bouw en uitbreiding van het naburige pand een ernstige vermindering van zonlichttoetreding op hun perceel tot gevolg zal hebben.
Uitspraak
202404560/1/R1.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Gennep,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 juni 2024 in zaak nr. 23/662 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gennep.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2022 heeft het college aan [persoon A] en [persoon B] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een pand aan de [locatie 1] te Gennep.
Bij besluit van 21 februari 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 10 januari 2022 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 26 juni 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college en [persoon A] en [persoon B] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
[persoon A] en [persoon B] en [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 9 oktober 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. van der Eerden en mr. Y.J.P.E.M. Quaedvlieg, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [persoon A] en [persoon B], bijgestaan door mr. L. Gijsen, rechtsbijstandsverlener in Leusden, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 4 oktober 2021 hebben [persoon A] en [persoon B] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verbouwing en uitbreiding van een appartement op het perceel [locatie 1] in Gennep. Het college heeft bij besluit van 10 januari 2022 omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend. Daarbij heeft het college gebruik gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), om de vergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen.
[appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 2] te Gennep. Zij zijn ook eigenaar van het perceel aan de [locatie 3]. Dat perceel ligt direct naast de [locatie 1]. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met de door het college verleende omgevingsvergunning. Zij vrezen dat door dit besluit het woon- en leefklimaat ter plaatse van het pand aan de [locatie 3] onevenredig wordt aangetast, omdat de beoogde bouw en uitbreiding van het naburige pand een ernstige vermindering van zonlichttoetreding op hun perceel tot gevolg zal hebben.
De rechtbank heeft in de uitspraak geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen en heeft het beroep van [appellant A] en [appellant B] ongegrond verklaard. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich hier niet mee verenigen en hebben tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld.
Heeft het college de omgevingsvergunning mogen verlenen?
3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Zij voeren daarover aan dat het college niet van het bestemmingsplan heeft mogen afwijken. Zij stellen dat de rechtbank de inhoud van de bezonningsstudie van 10 oktober 2022 van Bezonningsingenieur.nl (de bezonningsstudie) in relatie tot het besluit van 21 februari 2023 heeft miskend en voeren aan dat uit de bezonningsstudie duidelijk naar voren komt dat als gevolg van het bouwplan, toetreding van zonlicht op het perceel [locatie 3] in overduidelijke mate over meerdere maanden wordt geblokkeerd. Gelet hierop is de verlening van de omgevingsvergunning volgens hen in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
3.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
3.2. De rechtbank heeft onder 7.4 van de aangevallen uitspraak onder andere overwogen dat het college terecht heeft aangegeven dat het bouwplan voor het overgrote deel in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat het alleen ten aanzien van de kapvorm en bepaalde onderdelen van de goothoogte daarmee in strijd is. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant A] en [appellant B] met name kijken naar het verschil tussen de voorheen feitelijke situatie en de nu vergunde en gerealiseerde situatie, en dat die vergelijking juridisch gezien niet terecht is. Volgens de rechtbank moet immers voor de vraag of de belangen goed gewogen zijn, een vergelijking worden gemaakt tussen wat het bestemmingsplan al mogelijk maakte en wat nu vergund is. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat in de vergunde situatie weliswaar sprake is van een behoorlijk grotere goothoogte, maar dat dit voor onder meer de bezonning ter plaatse van hun perceel niet zoveel uitmaakt, omdat het bestemmingsplan al een steile dakhelling toestond. Dat is wat volgens de rechtbank ook uit de bezonningstudie volgt. Daar komt volgens de rechtbank bij dat in het bestemmingsplan een bouwhoogte is toegestaan van tien meter die hoger is dan de toegestane goothoogte van zeven meter.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank onder 7.5 van de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de belangen van [appellant A] en [appellant B] voldoende bij het bestreden besluit zijn betrokken en dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat die belangen niet onevenredig zijn geschaad. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen en het bestreden besluit in stand mogen laten.
3.3. De Afdeling stelt vast dat in de bezonningsstudie aan de hand van zes peildata visueel inzichtelijk is gemaakt wat de gevolgen van de geplande bouw van het appartement op het adres [locatie 4] zijn voor de bezonning op het perceel [locatie 3]. De Afdeling overweegt dat [appellant A] en [appellant B] de deugdelijkheid van het onderzoek en de juistheid van de conclusies van de bezonningsstudie verder niet hebben bestreden. Zij hebben uitsluitend gesteld dat de rechtbank met het college verkeerde conclusies heeft getrokken uit de resultaten van de bezonningsstudie, zodat de omgevingsvergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening is verleend.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij de beoordeling van de effecten van het bouwplan op de bezonning een vergelijking moet maken tussen de effecten van de vergunde situatie en hetgeen op basis van het bestemmingsplan reeds mogelijk was. De Afdeling wijst als voorbeeld op overweging 4.1 van haar uitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2005. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de bezonningsstudie volgt dat het bouwplan wat betreft de bezonning op het perceel van [appellant A] en [appellant B] niet leidt tot onevenredige gevolgen voor [appellant A] en [appellant B]. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat het bouwplan weliswaar een hogere goothoogte mogelijk maakt dan wat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, maar dat deze goothoogte niet of nauwelijks gevolgen heeft voor de bezonning op het perceel van [appellant A] en [appellant B] aangezien het bestemmingsplan al een steile dakhelling toestond. In de enkele stelling van [appellant A] en [appellant B] dat de rechtbank de inhoud van de bezonningsstudie niet heeft onderkend, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.
Gelet op het voorgaande leidt het verlenen van de omgevingsvergunning niet tot een onaanvaardbare aantasting van de toetreding van het zonlicht op het perceel [locatie 3], zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Komen de proceskosten in bezwaar voor vergoeding in aanmerking?
4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij recht hebben op een vergoeding van de in de bezwaarfase extra gemaakte kosten. Zij voeren hiervoor aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij wegens een door het college onzorgvuldig gemaakte belangenafweging, genoodzaakt waren om voor de tweede hoorzitting extra kosten te maken die volgens hen anders niet nodig zouden zijn geweest.
4.1. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de proceskosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit geval heeft het college de resultaten van de uitgevoerde bezonningsstudie bij de heroverweging in het besluit op bezwaar van 21 februari 2023 betrokken. Dit heeft ertoe geleid dat het college alleen zijn motivering heeft gewijzigd ten opzichte van het op 10 januari 2022 genomen besluit. Omdat deze heroverweging niet heeft geleid tot het herroepen van dat eerdere besluit, is de Afdeling dan ook met de rechtbank van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Proceskosten
6. Voor zover [persoon A] en [persoon B] hebben verzocht om een vergoeding van de gemaakte proceskosten in hoger beroep, overweegt de Afdeling dat daar geen aanleiding voor bestaat. Zij hebben zich ter verdediging van het besluit in deze procedure gemengd. Omdat met de bevestiging van de uitspraak het besluit in stand wordt gelaten, geeft dit geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot vergoeding van de proceskosten.
Overschrijding redelijke termijn
7. [persoon A] en [persoon B] hebben bij brief van 15 april 2026 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
[appellant A] en [appellant B] hebben bij brief van 18 september 2026 ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat de rechtbank in de uitspraak van 26 juni 2024 al een schadevergoeding heeft vastgesteld van € 500,00 vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, begrijpt de Afdeling dit verzoek van [appellant A] en [appellant B] zo dat zij een aanvullende schadevergoeding wensen.
7.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
Het college heeft op 10 februari 2022 het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn is geëindigd op 10 februari 2026.
Omdat deze uitspraak van de Afdeling wordt gedaan en openbaar gemaakt op 4 november 2026, betekent dit dat de redelijke termijn in de gehele procedure is overschreden met acht maanden en 25 dagen, dat is afgerond 9 maanden.
7.2. Het college heeft op 10 februari 2022 het bezwaarschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvangen. Het college heeft op 21 februari 2023 het besluit op dit bezwaar genomen. De behandeling in de bezwaarfase heeft 12 maanden en 11 dagen in beslag genomen. Dat betekent dat de redelijke termijn van een half jaar voor de bezwaarfase naar boven afgerond met zeven maanden is overschreden. De behandeling van het beroep door de rechtbank heeft ongeveer 15 maanden geduurd. De rechtbank heeft de redelijke termijn van anderhalf jaar daarmee niet overschreden. De redelijke termijn van twee jaar bij de Afdeling is, gerekend vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van [appellant A] en [appellant B], met 3 maanden en 25 dagen overschreden, dat is afgerond 4 maanden.
Het voorgaande brengt met zich dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 7/11-deel moet worden toegerekend aan het college en voor 4/11-deel aan de Afdeling.
7.3. Wat betreft het verzoek van [persoon A] en [persoon B] overweegt de Afdeling het volgende. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [persoon A] en [persoon B] toe te kennen bedrag € 1000,00. Omdat de overschrijding aan het college en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat. Dit leidt ertoe dat het college wordt veroordeeld tot vergoeding aan [persoon A] en [persoon B] tot een bedrag van € 636,36 en de Staat tot een bedrag van € 363,64.
7.4. Wat betreft het verzoek van [appellant A] en [appellant B], overweegt de Afdeling als volgt. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant A] en [appellant B] toe te kennen bedrag eveneens € 1.000,00. Zoals de Afdeling hiervoor onder 7 heeft overwogen, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 26 juni 2024 het college al heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,00 aan [appellant A] en [appellant B] wegens overschrijding van de redelijke termijn. Om die reden bedraagt het bedrag aan aanvullende schadevergoeding € 500,00.
Omdat de overschrijding aan het college en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat. Dit leidt ertoe dat het college wordt veroordeeld tot vergoeding aan [appellant A] en [appellant B] tot een bedrag van € 318,18 en de Staat tot een bedrag van € 181,82.
7.5. Omdat de verzoeken om schadevergoeding van [persoon A] en [persoon B] en [appellant A] en [appellant B] worden toegewezen, moeten het college en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) de proceskosten voor de verzoeken vergoeden, beide voor de helft. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep om aan [persoon A] en [persoon B] een schadevergoeding van € 636,36 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [persoon A] en [persoon B] een schadevergoeding van € 363,64 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 318,18 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 181,82 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten
- bij [persoon A] en [persoon B] tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,
- bij [appellant A] en [appellant B] tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten
- bij [persoon A] en [persoon B] tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,
- bij [appellant A] en [appellant B] tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
817-1207