Civiel recht overig
Onbetaalde facturen voor accountantswerkzaamheden voor 3 vennootschappen. Betalingsregeling vervallen, niet…
Rechtbank Amsterdam, 12 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6147 · Rechtbank Amsterdam · 12 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-6147
Zaakgegevens
Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 juni 2026
- Zaaknummer
- 12098832 \ CV EXPL 26-1859
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6147
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onbetaalde facturen voor accountantswerkzaamheden voor 3 vennootschappen. Betalingsregeling vervallen, niet voldaan aan voorwaarden voor opschorting en geen verrekening mogelijk met gestelde herstelkosten. Procedure t.a.v. van één van de gedaagden geschorst vanwege haar faillissement.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12098832 \ CV EXPL 26-1859
Vonnis van 12 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DCHTBJ! MKB ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,
gevestigd te Lemmer,
eiseres,
hierna te noemen: Dchtbj!,
gemachtigde: [gemachtigde] (Qualitas Juridische Dienstverlening),
tegen
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1. [gedaagde 1] B.V.,
2. [gedaagde 2] B.V.,
3. [gedaagde 3] B.V.,
allen gevestigd te Amsterdam,
gedaagden,
hierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en samen [gedaagden],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 januari 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 6 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de brief van de curator in het faillissement van [gedaagde 2] van 24 april 2026,
- de op 28 april 2026 binnengekomen aanvullende producties 8-11 van Dchtbj!,
- de e-mail van 6 mei 2026 van Dchtbj! met daarbij de volledige versie van productie 6,
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- het ter zitting voorgedragen en per e-mail overgelegde openingswoord van [gedaagden]
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2 De feiten
Dchtbj! is een accountants- en advieskantoor.
[gedaagde 1] is een holdingvennootschap. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn dochtervennootschappen van [gedaagde 1]. [naam] (hierna: [naam]) is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschappen.
Dchtbj! heeft in 2024 en 2025 in opdracht van [gedaagden] diverse administratieve werkzaamheden verricht, waaronder het opstellen van jaarstukken en het indienen van belastingaangiften. Voor die werkzaamheden heeft Dchtbj! facturen gestuurd aan [gedaagden] In 2025 is [gedaagden] overgestapt naar een nieuwe accountant.
Op 6 mei 2025 heeft Dchtbj! gemaild dat er in totaal nog € 20.769,66 aan facturen van [gedaagden] en van een andere vennootschap, MK Entertainment B.V. (hierna: MK Entertainment) onbetaald waren gelaten. Partijen zijn daarna een betalingsregeling overeengekomen, op grond waarvan [gedaagden] 20% korting kreeg op de facturen en een totaalbedrag van € 16.615,73 zou betalen aan Dchtbj! in twee termijnen.
Op 4 juli 2025 heeft [gedaagden] de eerste termijn van € 8.307,87 betaald. Dchtbj! is ermee akkoord gegaan dat de betaling van de tweede termijn zou volgen in augustus 2025.
Na een betalingsherinnering van Dchtbj!, heeft [gedaagden] op 5 september 2025 per e-mail laten weten dat zij de tweede termijn niet wil betalen, omdat Dchtbj! nalatig is geweest in haar werkzaamheden. In de e-mailwisseling die daarop volgde heeft Dchtbj! dat betwist.
Partijen hebben over en weer verschillende voorstellen gedaan om tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt. Dchtbj! heeft in haar voorstellen geschreven dat wanneer [gedaagden] niet akkoord zou gaan met de voorstellen, de volledige korting op de facturen zou vervallen.
Op 5 oktober 2025 heeft (de gemachtigde) van Dchtbj! [gedaagden] gesommeerd om het resterende bedrag te betalen.
Op 31 maart 2026 is [gedaagde 2] failliet verklaard.
3 Het geschil
Dchtbj! vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
-
[gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 6.709,62 aan hoofdsom, € 971,44 aan wettelijke handelsrente tot en met 30 december 2025 en € 710,48 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2025 over een bedrag van € 6.709,62;
-
[gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 4.030,87 aan hoofdsom, € 605 aan wettelijke handelsrente tot en met 30 december 2025 en € 528,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2025 over een bedrag van € 4.030,87;
-
[gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.721,30 aan hoofdsom, € 258,35 aan wettelijke handelsrente tot en met 30 december 2025 en € 258,19 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2025 over een bedrag van € 1.721,30;
-
[gedaagden] veroordeelt in de proceskosten.
Dchtbj! legt aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagden] werkzaamheden heeft verricht en daarom recht heeft op betaling van de facturen daarvoor. Aangezien [gedaagden] de betalingsregeling niet volledig is nagekomen, is deze vervallen en heeft zij recht op de oorspronkelijke factuurbedragen met rente en kosten.
[gedaagde 1] is het daar niet mee eens en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Dchtbj!, met veroordeling van Dchtbj! in de proceskosten. [gedaagden] voert daartoe kort gezegd aan dat Dchtbj! nog gebonden is aan de betalingsregeling, zij haar betalingsverplichting mocht opschorten en dat zij het openstaande bedrag mag verrekenen met de herstelkosten die zijn gemaakt vanwege onzorgvuldig uitgevoerde werkzaamheden van Dchtbj!.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
de procedure tegen [gedaagde 2] is geschorst
Nu [gedaagde 2] in staat van faillissement verkeert, is de procedure ten aanzien van haar van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 van de Faillissementswet (Fw). Hierna worden alleen de vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 3] beoordeeld en wordt met ‘[gedaagden]’ alleen deze partijen bedoeld.
[gedaagden] heeft een betalingsverplichting
Partijen zijn het erover eens dat Dchtbj! werkzaamheden heeft uitgevoerd voor [gedaagden] In beginsel moet [gedaagden] dan ook de facturen daarvoor betalen. Verder staat vast dat partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen, waarvan één termijn is betaald en de tweede niet. Anders dan [gedaagden] aanvoert, is Dchtbj! niet nog steeds gebonden aan die betalingsregeling. De kantonrechter begrijpt de afspraak zo dat [gedaagden] tijdige nakoming van de betalingsregeling als voorwaarde heeft bedongen voor de toegepaste korting en betaling in termijnen. Nu [gedaagden] de tweede termijn niet op de afgesproken datum heeft voldaan, is de betalingsregeling inclusief korting op de facturen dus vervallen. Dchtbj! heeft [gedaagden] daar ook meermaals voor gewaarschuwd in e-mails en de sommatiebrief, zodat zij er ook niet vanuit mocht gaan dat de betalingsregeling en de toegepaste korting nu nog steeds zou gelden. Dat betekent dat [gedaagden] in beginsel een betalingsverplichting tegenover Dchtbj! heeft ter hoogte van de (resterende) factuurbedragen.
geen beroep op opschorting
[gedaagden] voert aan dat zij haar betalingsverplichting mocht opschorten vanwege tekortkomingen in de werkzaamheden van Dchtbj!. De kantonrechter gaat niet mee in dit verweer. Het opschortingsrecht dient ertoe om de wederpartij tot nakoming te bewegen. [gedaagden] heeft echter desgevraagd verklaard geen nakoming meer van Dchtbj! te willen. Aan de voorwaarden om te mogen opschorten is dus niet voldaan.
geen verrekening met herstelkosten
Volgens [gedaagden] is Dchtbj! tekortgeschoten in haar werkzaamheden. Door haar nieuwe accountant is zij erachter gekomen dat Dchtbj! onder meer het gebroken boekjaar administratief niet goed verwerkt heeft. Daarom moeten de door Dchtbj! gevorderde bedragen verrekend worden met gemaakte herstelkosten van € 4.731,50 exclusief btw, aldus steeds [gedaagden]
Dchtbj! betwist dat zij haar werk niet goed heeft uitgevoerd. Daarnaast heeft [gedaagden] ook niet gevraagd om het werk te herstellen en is ze het ook niet eens met de hoogte van de herstelkosten.
Het verrekeningsverweer van [gedaagden] slaagt niet. Of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van Dchtbj! kan in het midden blijven. Er is namelijk niet gebleken dat [gedaagden] Dchtbj! in gebreke heeft gesteld. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. Kort gezegd: het moet voor de schuldenaar duidelijk zijn dat hij of zij een laatste kans heeft om te presteren. Een dergelijke herstelmogelijkheid heeft [gedaagden] niet geboden aan Dchtbj!, terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden. Dat [gedaagden] naar eigen zeggen geen vertrouwen meer had in Dchtbj!, is onvoldoende reden om die herstelmogelijkheid achterwege te laten. Zonder een ingebrekestelling staat niet vast dat Dchtbj! in verzuim is geraakt, zodat ook geen sprake is van een opeisbare tegenvordering van [gedaagden] Zij kan de herstelkosten dus niet verrekenen met de facturen van Dchtbj!.
hoogte van de vorderingen
Uit de overgelegde administratie van Dchtbj! blijkt dat er nog € 1.721,30 openstaat op [gedaagde 3] en € 6.472,29 op [gedaagde 1]. Dat laatste bedrag komt niet overeen met het bedrag van € 6.709,62 dat Dchtbj! van [gedaagde 1] vordert in deze procedure. Ter zitting heeft Dchtbj! verklaard dat de vordering op [gedaagde 1] later is gecorrigeerd, zodat MK Entertainment niet bij de procedure betrokken hoefde te worden. Zonder nadere motivering – zoals een bewijs van schuldoverneming – is echter niet begrijpelijk waarom [gedaagde 1] hierdoor schuldenaar is geworden van de (resterende) vordering van Dchtbj! op MK Entertainment. Dchtbj! heeft dan ook onvoldoende onderbouwd waarom zij ten aanzien van [gedaagde 1] recht heeft op meer dan € 6.472,29, zodat de vordering op [gedaagde 1] tot dit bedrag zal worden toegewezen.
wettelijke handelsrente
De gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar, nu [gedaagden] de facturen van Dchtbj! niet binnen de daarvoor gestelde termijn(en) heeft betaald en het handelsovereenkomsten betreffen. De wettelijke handelsrente ten aanzien van [gedaagde 3] wordt toegewezen zoals gevorderd. De wettelijke handelsrente ten aanzien van [gedaagde 1] wordt toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen in productie 3 bij dagvaarding.
buitengerechtelijke incassokosten
Dchtbj! vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Dchtbj! heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dchtbj! heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Ten aanzien van [gedaagde 1] zal een bedrag van € 698,61 worden toegewezen en ten aanzien van [gedaagde 3] een bedrag van € 258,19.
proceskosten
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Dchtbj! betalen. De proceskosten van Dchtbj! worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
134,81 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.504,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.502,81 |
hoofdelijkheid
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
uitvoerbaarheid bij voorraad
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Dchtbj! te betalen een bedrag van € 6.472,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Dchtbj! te betalen een bedrag van € 698,61 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 3] om aan Dchtbj! te betalen een bedrag van € 1.979,65, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 1.721,30, met ingang van 31 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 3] om aan Dchtbj! te betalen een bedrag van € 258,19 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.502,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
verstaat dat de procedure tegen [gedaagde 2] is geschorst,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.