Verbintenissenrecht
Conventie en reconventie. Partijen zijn ex-partners en hebben hun samenlevingsovereenkomst ontbonden. Deze…
Rechtbank Amsterdam, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10812 · Rechtbank Amsterdam · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-10812
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- 12200316 \ CV EXPL 26-6001
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10812
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conventie en reconventie. Partijen zijn ex-partners en hebben hun samenlevingsovereenkomst ontbonden. Deze zaak ziet hoofdzakelijk op vergoeding van kostenposten over en weer en uitleg van de samenlevingsovereenkomst en leveringsakte van de gezamenlijke woning aan de man.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12200316 \ CV EXPL 26-6001
Vonnis van 30 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. D.I.A. Schröder,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. W.D. van Doorn.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 april 2026 met producties,
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met producties,
- het tussenvonnis van 25 juni 2026 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 24 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.
2 De feiten in conventie en in reconventie
[eiser] en [gedaagde] hebben van 1998 tot eind 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad. Samen hebben zij een dochter van zeventien jaar oud.
Op 7 april 2006 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend. Deze overeenkomst is op 31 december 2024 ontbonden. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“Artikel 3.
1. a. Tenzij door partijen anders wordt overeengekomen, worden de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gedragen naar evenredigheid van ieders netto inkomsten uit arbeid.
b. Onder de kosten van de huishouding zijn onder andere begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van de vakanties, de huurprijs van de gemeenschappelijk bewoonde woning en de rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de gemeenschappelijk bewoonde woning en de vakantiewoning.
2. a. Uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding worden gedaan ten laste van een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of kas.
b. Partijen verplichten zich, met in achtneming van het bepaalde in lid 1, ten behoeven van gemelde gemeenschappelijke rekening en/of kas maandelijks of wekelijks een bedrag beschikbaar te stellen […].
3. Partijen bepalen in onderling overleg welke kosten door hen worden aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zulks met in achtneming van de normen der redelijkheid en billijkheid en hetgeen in deze akte terzake overigens is bepaald.
[…]
Artikel 9.
1. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt, heeft ieder van partijen het recht nog gedurende drie maanden te wonen in de door hen tezamen bewoonde woning.
[…]
3. a. Indien de redelijkheid dit gebiedt, is degene die de bewoning voortzet verplicht een redelijke financiële bijdrage te leveren in de verhuis- en herinrichtingskosten van de ander […].
[…]
4. a. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt, worden de overige goederen, die aan partijen gemeenschappelijk toebehoren […] bij helfte verdeeld.
[…]
5. De waardering van de gemeenschappelijke goederen geschiedt in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door een of drie deskundigen […].
Partijen waren tijdens hun relatie beide eigenaar van een woning aan de [adres] (hierna: de woning). [eiser] heeft begin november 2024 deze woning verlaten. [gedaagde] is in de woning blijven wonen tot in de zomer van 2025. [gedaagde] heeft haar eigendomsrecht op de woning overgedragen aan [eiser] .
Op 23 januari 2025 heeft [eiser] het volgende WhatsApp-bericht aan [gedaagde] gestuurd over hun onderlinge financiën:
“Ik wil graag weten wat er allemaal in en uit gaat. Onze constructie wil ik zo lang mogelijk laten zoals hij is.”
Op 13 maart 2025 heeft [eiser] het volgende WhatsApp-bericht aan [gedaagde] gestuurd:
“We laten voorlopig alles nog zoals het is, ook met de gezamenlijke rekening”
In de akte van verdeling en levering van de woning (hierna: de verdelingsakte) van 6 mei 2025 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“2.1 Verdelingsovereenkomst
[…] de datum van verdeling is: eenendertig december tweeduizend vierentwintig. Deze datum wordt in deze akte ‘de verdelingsdatum’ genoemd.
[…]
De man moet een bedrag van tweehonderdvijfentwintigduizend euro (€ 225.000,00) aan de vrouw betalen.
[…]
De man neemt de hypotheekschuld over en moet de rente en aflossingen daarvan vanaf de verdelingsdatum zelf betalen.
[…]
Verdere afspraken over het registergoed
[…]
De vrouw mag het registergoed tot [1 september 2025] in gebruik houden, op voorwaarde dat zij het dan in de huidige staat, ontruimd ter beschikking van de man stelt.
[…]
De vrouw is voor dit voortgezet gebruik geen afzonderlijke vergoeding verschuldigd. Dit voortgezet gebruik vormt een onderdeel van de gemaakte afspraken ter afwikkeling van de scheiding en is geen huur.
[…]
De periodieke lasten die door publiekrechtelijke organen met betrekking tot de eigendom van het registergoed worden geheven, moeten vanaf de verdelingsdatum door de man worden betaald. Alle andere eigenaarslasten die gebruikelijk worden verrekend, zijn tussen ex-partners vanaf de verdelingsdatum verrekend.”
In de maanden december 2024 tot en met juni 2025 heeft [gedaagde] in totaal € 35.020,03 aan salaris overgemaakt naar de privérekening van [eiser] .
Tussen 1 januari en begin augustus 2025 heeft [eiser] in totaal € 63.355,77,- betaald aan verschillende kostenposten die verband houden met de woning, verzekeringen, het huishouden, leningen en de dochter.
Partijen hadden een gezamenlijke spaarrekening. Hierop stond op 31 december 2024 een bedrag van € 75.000,-. [gedaagde] heeft op 15 mei 2025 van deze rekening € 37.500,- naar zichzelf overgemaakt. Op 19 mei 2025 heeft zij hierover een e-mail naar [eiser] gestuurd waarin zij onder meer het volgende schrijft:
“In goed vertrouwen heb ik de afgelopen maanden van jou aangenomen dat je de financiën naar alle eerlijkheid en openheid zou regelen. Afgelopen week kwam ik erachter dat er nog een gezamenlijke spaarrekening is met een aanzienlijk bedrag. (…) Dit heb ik dus overgemaakt, volledig legaal, het is ook van mij.”
Op 5 september 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief aan [gedaagde] gestuurd waarin hij haar sommeert om een bedrag van € 35.392,- aan [eiser] over te maken ter betaling van gezamenlijke kosten. Op 20 september 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] hier afwijzend op gereageerd. In een e-mail van 17 november 2025 heeft [eiser] dit bedrag verlaagd tot € 26.203,-, waarna de gemachtigde van [gedaagde] op 19 november 2025 opnieuw afwijzend heeft gereageerd.
3 Het geschil
In conventie
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om € 25.000,- te betalen, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] heeft zijn vordering opgesplitst in deelvorderingen, die hieronder in de beoordeling worden behandeld conform de nummering I tot en met XI in de dagvaarding. Onder XII vordert [eiser] verder nog dat voor zover de vorderingen I tot en met XI worden toegewezen tot een totaal van meer dan € 25.000,-, dit bedrag wordt gemaximeerd tot € 25.000,-. Onder XIII vordert [eiser] tot slot dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van zijn daadwerkelijke proceskosten.
[eiser] stelt dat [gedaagde] een terugbetalingsverplichting heeft. Ten eerste omdat zij zonder overleg de helft van het gezamenlijke spaargeld naar zichzelf heeft overgemaakt. Hoewel het klopt dat zij op grond van de overeenkomst recht heeft op de helft van het gezamenlijke spaargeld, heeft zij ook een verplichting om voor de helft bij te dragen in de gezamenlijke lasten. Het geld van de spaarrekening had [eiser] nodig voor deze gezamenlijke lasten. Ten tweede moet [gedaagde] ook voor de helft bijdragen in gezamenlijke leningen en overige kosten die [eiser] voor haar heeft voorgeschoten.
[gedaagde] voert verweer en betwist dat zij een terugbetalingsverplichting heeft. Gedurende haar relatie met [eiser] hadden zij namelijk een financiële constructie afgesproken die inhield dat [gedaagde] haar salaris overmaakte naar [eiser] , waarna [eiser] alle gezamenlijke kosten betaalde. Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan hebben zij afgesproken dat ze deze constructie voorlopig zouden voortzetten. Dit heeft [gedaagde] ook gedaan door in de periode december 2024 tot en met juni 2025 haar salaris aan [eiser] over te maken. Het merendeel van de posten die [eiser] vordert vallen onder deze constructie.
In reconventie
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om € 17.673,79 te betalen, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] stelt dat zij op grond van artikel 9 lid 3 sub a van de overeenkomst recht heeft op een bijdrage in haar verhuis- en herinrichtingskosten, omdat [gedaagde] de gezamenlijke woning heeft verlaten halverwege 2025 en daardoor deze kosten moest maken. Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiser] de gemeenschappelijke inboedel heeft behouden, waardoor zij ingevolge artikel 9 lid 4 sub a van de overeenkomst recht heeft op de (geschatte) helft van de waarde.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard bereid te zijn bij te dragen in de herinrichtingskosten van hun dochter en de verhuiskosten te betalen. De overige kosten betwist hij.
4 De beoordeling
In conventie
De hoofdsom van [eiser] vordering bestaat uit elf deelvorderingen voor verschillende kostenposten. Hieronder volgt de beoordeling van deze deelvorderingen. Voor al deze vorderingen geldt dat tussen partijen vaststaat dat [eiser] deze bedragen heeft betaald. De vraag die partijen aan de kantonrechter hebben voorgelegd is of [gedaagde] deze (deels) moet vergoeden. Uiteindelijk concludeert de kantonrechter tot afwijzing van de gehele vordering van [eiser] .
Vordering II: hypotheekrente
[eiser] heeft op de zitting zijn vordering ten aanzien van de hypotheekrente verminderd en vordert nu alleen nog betaling van € 1.839,61 aan hypotheekrente over de periode 1 januari 2025 tot 6 mei 2025 (het moment van levering van de woning aan [eiser] ). Dit bedrag is de helft van het totale bedrag aan hypotheekrente over deze periode. [eiser] stelt dat de woning tot 6 mei 2025 aan partijen gezamenlijk toebehoorde, waardoor partijen gehouden zijn naar evenredigheid van hun aandeel in het eigenaarschap bij te dragen in de eigenaarslasten. Dit betekent dat beide partijen voor de helft moeten bijdragen in de hypotheekrente en dat [eiser] nu een regresvordering heeft op [gedaagde] omdat hij haar deel heeft betaald (artikel 6:10 lid 2 Burgerlijk Wetboek).
De kantonrechter volgt het standpunt van [gedaagde] dat zij de hypotheekrente op grond van artikel 2.1. van de verdelingsakte (zie 2.6) niet hoeft te betalen. Uit dit artikel volgt dat [eiser] de hypotheekschuld overneemt en de rente en aflossingen daarvan vanaf de verdelingsdatum (31 december 2024) zelf moet betalen. Partijen hebben daarnaast bepaald dat [gedaagde] de woning tot uiterlijk 1 september 2025 in gebruik mag houden en voor dit voortgezette gebruik geen afzonderlijke vergoeding verschuldigd is. Gelet hierop hoeft [gedaagde] niet bij te dragen aan de hypotheekrente. Deze vordering wordt afgewezen.
Vordering III: pruik en fotoshoot
[eiser] vordert terugbetaling van € 4.355,85. Hij stelt dat hij dit bedrag voor een fotoshoot en pruik voor [gedaagde] heeft voorgeschoten en dat zij dit aan hem moet terugbetalen. [gedaagde] betwist dat sprake was van een lening.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een verplichting tot terugbetaling zijn overeengekomen. Uit de WhatsApp-berichten volgt die afspraak niet. Integendeel, daarin schrijft [eiser] op 6 december 2024: “Koop die pruik maar! Ik betaal hem wel.” en “Zeg maar wanneer ik het moet overmaken”. En op 10 januari 2025 stuurt [eiser] een e-mail aan [gedaagde] over de fotoshoot waarin hij schrijft: “Ik vind het behoorlijk veel geld voor foto’s, maar ook dit zal ik voor je betalen.” Uit deze bewoordingen blijkt niet dat aan de betaling de voorwaarde van terugbetaling was verbonden. Nu niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] dit bedrag zou terugbetalen, wordt de vordering afgewezen.
Vordering I, IV-VI, VIII, IX en XI: diverse kosten
[eiser] vordert daarnaast vergoeding van verschillende kosten die hij na de verdelingsdatum van 31 december 2024 heeft gemaakt. Het gaat om de volgende posten:
Vordering I: € 3.112,24 aan gebruikerslasten voor de woning in de periode van 1 januari 2025 tot en met 1 augustus 2025;
Vordering IV: € 700,- aan kosten voor de schoonmaakster in de periode januari tot en met juli 2025;
Vordering V: € 1.805,59 aan kosten voor de auto in de periode januari tot en met juli 2025;
Vordering VI: € 8.190,96 aan huishoudkosten in de periode januari tot en met juli 2025;
Vordering VIII: € 1.304,16 aan kosten voor abonnementen, goede doelen en loterijen in de periode januari tot en met juli 2025;
Vordering IX: € 5.175,- aan kosten voor een hypotheekadviseur en projectontwikkelaar voor het nieuwbouwhuis dat partijen samen gingen kopen;
Vordering XI: € 3.360,09 aan kosten voor hun dochter.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens hun relatie een financiële constructie hanteerden waarbij [gedaagde] haar beide salarissen op de privérekening van [eiser] stortte. [eiser] stortte vervolgens bedragen op de gezamenlijke betaalrekening, waarvan de dagelijkse boodschappen en andere huishoudelijke uitgaven werden betaald. Ook nadat partijen uit elkaar gingen hebben zij deze constructie voortgezet. Uit de overgelegde WhatsApp-berichten (zie 2.4 en 2.5) blijkt dat [eiser] in januari en maart 2025 aan [gedaagde] heeft voorgesteld de financiële constructie zoals partijen die gewend waren in stand te houden. [gedaagde] is daarop haar salaris op de privérekening van [eiser] blijven storten en [eiser] is bedragen voor de dagelijkse uitgaven beschikbaar blijven stellen en kosten ten behoeve van [gedaagde] en de dochter van partijen blijven betalen.
[eiser] betoogt dat [gedaagde] zich niet op de afspraak dat de financiële constructie werd voortgezet kan beroepen, omdat zij op 15 mei 2025 zonder overleg met hem de helft van het saldo van de gezamenlijke spaarrekening naar haar eigen rekening heeft overgeboekt. Kennelijk bedoelt [eiser] daarmee te zeggen dat aan deze afspraak de voorwaarde was verbonden dat [gedaagde] het saldo op de gezamenlijke spaarrekening ongemoeid zou laten. De kantonrechter volgt hem daarin niet. Niet in geschil is dat [gedaagde] op grond van de verdelingsakte recht had op de helft van het saldo op de gezamenlijke spaarrekening. Ook na de overboeking is [gedaagde] tot en met juni 2025 haar salaris op de privérekening van [eiser] blijven storten. Voor zover [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat de voorwaarde wel is besproken, heeft [gedaagde] dit ontkend, en kan de kantonrechter dat ook niet goed plaatsen, omdat [gedaagde] geen weet had van het bestaan van de gezamenlijke spaarrekening tot 6 mei 2025, het moment dat partijen de verdelingsakte ondertekenden. Partijen hebben hun financiële constructie nadat zij de relatie hebben beëindigd dus voortgezet zonder de door [eiser] gestelde voorwaarde. Op grond van het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat ten aanzien van de kosten zoals opgenomen onder 4.6 een terugbetalingsverplichting door [gedaagde] is overeengekomen. Deze vorderingen worden dan ook afgewezen.
Vordering VII: uitkoopsom woning
[eiser] vordert betaling van € 11.500,-. Hij stelt dat hij [gedaagde] bij de overname van de woning, bovenop de uitkoopsom, een bedrag van € 11.500,- heeft geleend. Ter onderbouwing verwijst hij naar een e-mail die hij op 24 februari 2025 aan zijn notaris heeft gestuurd: “Wij hebben nog een deel gespaard binnen de hypotheekvorm. In dat potje zit zo’n 45.000,-. Ik wil daar graag 225.000,- om mijn ex goed op weg te helpen met een andere hypotheek.”
[gedaagde] betwist dat sprake is van een lening. De kantonrechter volgt haar hier in. In artikel 2.1 van de verdelingsakte is opgenomen dat [eiser] in verband met de toedeling van de woning € 225.000,- aan [gedaagde] moet betalen. Uit de akte blijkt niet dat € 11.500,- van dit bedrag als lening is verstrekt of dat [gedaagde] gehouden is dit bedrag terug te betalen. Ook uit de e-mail van 24 februari 2025 aan de notaris volgt dit niet. [eiser] schrijft daarin weliswaar dat hij [gedaagde] goed op weg wil helpen, maar maakt geen melding van een lening of een verplichting tot terugbetaling. Dat het bedrag van € 225.000,- hoger was dan de uitkoopsom waarop [gedaagde] volgens [eiser] aanspraak had, is onvoldoende om het bestaan van een lening aan te nemen. [eiser] heeft de gestelde lening van € 11.500,- daarom onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt afgewezen.
Vordering X: lening van moeder van [eiser]
Volgens [eiser] hebben partijen toen ze nog een relatie hadden gezamenlijk € 10.000,- van zijn moeder geleend voor de bouw van een tuinhuis bij hun woning. Hij vordert van [gedaagde] de helft van dit bedrag. [gedaagde] betwist dat deze lening is aangegaan en voert aan daarvan niet op de hoogte te zijn. Tegenover deze betwisting heeft [eiser] het bestaan van deze lening niet nader onderbouwd. Hij heeft geen stukken overgelegd of andere concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zijn moeder € 10.000,- aan partijen heeft geleend en dat [gedaagde] voor de helft daarvan draagplichtig is. [eiser] heeft zijn vordering daarmee onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt afgewezen.
Vordering XIII: daadwerkelijke proceskosten
[eiser] heeft tot slot gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van zijn daadwerkelijke proceskosten gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. Volgens hem heeft [gedaagde] hem nodeloos gedwongen tot het voeren van deze procedure. De kantonrechter ziet dit anders, omdat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen en er verder geen omstandigheden zijn die aanleiding geven om [gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd (artikel 237 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Conclusie in conventie
De kantonrechter komt tot de conclusie dat de gehele vordering van [eiser] wordt afgewezen.
In reconventie
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld en vordert vergoeding van herinrichtingskosten voor haar nieuwe woning (€ 15.620,79), een vergoeding voor de inboedel die ze heeft achtergelaten (€ 1.965,-) en verhuiskosten (€ 88,-). De verhuiskosten heeft ze al daadwerkelijk gemaakt, de herinrichtings- en inboedelkosten nog niet, deze heeft ze begroot. Op de zitting heeft [eiser] aangegeven bereid te zijn de verhuiskosten te betalen en de herinrichtingskosten voor zover die zien op de kamer van hun dochter. Deze zullen worden toegewezen, wat neerkomt op een totaal van € 3.443,-, bestaande uit:
Verhuiskosten: € 88,-
En voor de slaapkamer van de dochter:
Bed en matras: € 1.021,-
Kast: € 860,-
Bureau: € 290,-
Dressoir: € 440,-
Gordijnen: € 375,-
Tv: € 369,-
De resterende herinrichtingskosten
Voor de overige herinrichtingskosten stelt [gedaagde] dat ze op grond van artikel 9 lid 3 sub a van de overeenkomst (zie 2.2) recht heeft op een bijdrage hierin. Daarnaast stelt ze dat [eiser] mondeling heeft toegezegd de kosten van haar nieuwe keuken van € 11.240,81 te vergoeden.
[eiser] betwist dat hij deze kosten moet betalen. De balkonset voor de dochter van € 845,- vindt hij onnodig en hij betwist dat hij heeft toegezegd de kosten van de nieuwe keuken te vergoeden.
De kantonrechter overweegt dat het feit dat de herinrichtingskosten nog niet gemaakt zijn, niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Partijen hebben in artikel 9 lid 3 onder a van de overeenkomst afgesproken dat degene die de woning verlaat recht heeft op een redelijke financiële bijdrage in de herinrichtingskosten. Tussen partijen is in geschil of daaronder ook de kosten van een nieuwe keuken (€ 11.240,81), de balkonset voor de dochter (€ 845,-) en twee nachtkastjes (€ 179,98) vallen.
De kosten van de nieuwe keuken vallen naar het oordeel van de kantonrechter niet onder de in de overeenkomst bedoelde herinrichtingskosten. Bij herinrichting gaat het naar normaal spraakgebruik om het opnieuw inrichten van een woning. Het plaatsen of vervangen van een keuken heeft een ander karakter en betreft een meer ingrijpende en duurzame aanpassing van de woning. Zonder nadere aanknopingspunten kan daarom niet worden aangenomen dat partijen met “herinrichtingskosten” ook de kosten van een nieuwe keuken hebben bedoeld. Artikel 9 lid 3 onder a biedt daarom geen grond voor vergoeding van de keuken.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiser] mondeling heeft toegezegd de kosten van de keuken te vergoeden. [eiser] betwist dat. [gedaagde] heeft tegenover die betwisting geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit de gestelde toezegging kan worden afgeleid. De toezegging is daarom niet komen vast te staan. Ook op deze grond kan de vordering ten aanzien van de keuken dus niet worden toegewezen.
De balkonset en de nachtkastjes kunnen naar hun aard wel als herinrichtingskosten worden aangemerkt. [eiser] heeft ten aanzien van de balkonset alleen aangevoerd dat hij deze niet noodzakelijk vindt. Hij heeft niet toegelicht waarom de aanschaf van een balkonset in dit geval niet redelijk is. Dat is onvoldoende om deze post af te wijzen. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 845,- heeft [eiser] niet betwist. Ook de kosten van de twee nachtkastjes van € 179,98 heeft hij niet betwist. Deze posten, die samen € 1.024,98 bedragen, worden daarom toegewezen.
De inboedel
[gedaagde] stelt ze dat ze op grond van artikel 9 lid 4 sub a van de overeenkomst recht heeft op de helft van de waarde van de gemeenschappelijke inboedel die ze in de woning heeft achtergelaten. Volgens [gedaagde] heeft ze de gehele gemeenschappelijke inboedel achtergelaten. Per meubelstuk heeft ze de waarde ervan geschat.
[eiser] betwist dat [gedaagde] alle spullen in de woning heeft achtergelaten. Volgens hem heeft ze wel degelijk een deel van de inboedel meegenomen. Hij betwist dan ook dat hij hiervoor een vergoeding verschuldigd is.
Omdat [gedaagde] aanspraak maakt op een vergoeding voor de achtergelaten gemeenschappelijke inboedel, is het aan haar om voldoende te onderbouwen welke gemeenschappelijke goederen zij in de woning heeft achtergelaten en wat de waarde daarvan was. [eiser] heeft betwist dat [gedaagde] alle door haar genoemde goederen heeft achtergelaten. Tegenover die betwisting heeft [gedaagde] haar stelling niet nader onderbouwd. Daardoor kan niet worden vastgesteld welke gemeenschappelijke goederen zij heeft achtergelaten en op welke vergoeding zij op grond van de overeenkomst aanspraak heeft. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Conclusie in reconventie
De kantonrechter komt tot de conclusie dat een deel van de vordering van [gedaagde] wordt toegewezen, namelijk de verhuiskosten en een deel van de herinrichtingskosten. Dit komt in totaal neer op € 4.467,98.
De proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [eiser] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 4.467,98 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van indiening van de vordering in reconventie, tot de dag van volledige betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026. |
||