Verbintenissenrecht

In conventie vordering afgewezen, in reconventie geslaagd in bewijs, vordering medewerking levering woning…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
C/02/442172 HA ZA 25-638
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. G.V.M. van den Hoven, mr. R.S. Namjesky
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10717
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

In conventie vordering afgewezen, in reconventie geslaagd in bewijs, vordering medewerking levering woning toegewezen, vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/442172 / HA ZA 25-638

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

1 [persoon 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [persoon 2]

notaris te [plaats 2] ,
beiden handelend in hun hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: ‘de executeurs’,

advocaat: mr. G.V.M. van den Hoven,

tegen

1 [persoon 3] ,

te [plaats 1] ,
2. [persoon 4],

beiden wonende te [plaats 1] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: ‘ [persoon 3] en [persoon 4] ’,

advocaat: mr. R.S. Namjesky.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juli 2026 met de daarin genoemde stukken,
- de akte uitlating van de zijde van [persoon 3] en [persoon 4] met de producties 10-19,

- de antwoord akte van de executeurs.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie: de eis van de executeurs

2.1.

Bij tussenvonnis van 1 juli 2026 heeft de rechtbank overwogen dat de vordering

van de executeurs bij eindvonnis zullen worden afgewezen, zodat de rechtbank dat aan het eind van dit vonnis zal doen.

in reconventie: de tegeneis van [persoon 3] en [persoon 4]

2.2.

In voormeld tussenvonnis van 1 juli 2026 zijn [persoon 3] en [persoon 4] opgedragen te bewijzen wat de omvang is van de schenkingsbelasting, de overdrachtsbelasting en de transportkosten en zijn zij opgedragen te bewijzen dat zij in staat zijn om de koopsom van € 150.000,-, de schenkingsbelasting, de overdrachtsbelasting en de transportkosten te betalen.

2.3.

[persoon 3] en [persoon 4] hebben bij akte uitlating een aantal producties in het geding gebracht en met berekeningen toegelicht wat de omvang is van de schenkings-belasting, de overdrachtsbelasting en de transportkosten. Ook hebben zij producties overgelegd ter onderbouwing van hun stelling dat zij in staat zijn de koopsom en deze kosten te voldoen.

2.4.

De executeurs hebben zich bij antwoordakte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[persoon 3] en [persoon 4] geslaagd in bewijs omvang kosten

2.5.

[persoon 3] en [persoon 4] hebben een berekening gemaakt van de schenkingsbelasting waarbij zij zijn uitgegaan van de (WOZ-)waarde van de woning met peiljaar 1 januari 2025 (productie 10, WOZ-waarde volgens het WOZ-waardeloket), het tarief van de schenkingsbelasting 2026 volgens de Belastingdienst (productie 11) en de schenkingsvrijstelling voor 2026 volgens de Belastingdienst (productie 12). [persoon 3] en [persoon 4] hebben vervolgens twee scenario’s geschetst ten aanzien van de omvang van de schenkingsbelasting, waarbij de schenkingsbelasting in het voor [persoon 3] en [persoon 4] minst gunstige scenario € 151.917,90 bedraagt.

2.6.

[persoon 3] en [persoon 4] hebben de overdrachtsbelasting berekend op een bedrag van € 11.800,-, waarbij zij zijn uitgegaan van het tarief overdrachtsbelasting (eigen) woning 2026 van 2% en de taxatiewaarde van de woning per 13 augustus 2026 van € 590.000,-.

2.7.

Onder de transportkosten verstaan [persoon 3] en [persoon 4] de kosten van de notaris verband houdend met de levering van de woning c.q. het opmaken en verlijden van de akte van levering en de hypotheekakte en de inschrijvingen daarvan. [persoon 3] en [persoon 4] hebben een afschrift overgelegd van de website van Independer waarop is opgenomen dat deze kosten gemiddeld tussen de € 1.000,- en € 1.500,- bedragen. [persoon 3] en [persoon 4] gaan bij hun berekening uit van een bedrag van € 2.000,-.

2.8.

Voormelde berekeningen van [persoon 3] en [persoon 4] van de omvang van de kosten komen de rechtbank niet onredelijk voor. De juistheid van die berekeningen wordt door de executeurs ook niet betwist. De rechtbank acht [persoon 3] en [persoon 4] dan ook geslaagd in hun opdracht om de omvang van de kosten te bewijzen.

[persoon 3] en [persoon 4] ook geslaagd in bewijs dat zij in staat zijn de koopsom en de kosten te betalen

2.9.

Het voorgaande betekent dat nu [persoon 3] en [persoon 4] naast bovengenoemde kosten ad respectievelijk € 11.800,-, € 151.917,50 en € 2.000,- ook de koopsom ad
€ 150.000,- moeten betalen, zij in het voor hen minst gunstige geval een bedrag van € 315.717,50 moeten betalen.

2.10.

[persoon 3] en [persoon 4] hebben onder randnummer 12 van de akte uitlating nog een aantal kosten opgenomen (taxatiekosten € 800,-, advieskosten € 3.250,- en kosten herstel woning € 20.000,-) die zij mogelijk ook verschuldigd zijn. Dit betekent volgens de berekening van [persoon 3] en [persoon 4] dat zij een bedrag van
€ 335.717,50 verschuldigd zijn. De rechtbank stelt vast dat bij de berekening van dit bedrag van € 335.717,50 per abuis alleen de mogelijke kosten herstel woning van
€ 20.000,- zijn meegenomen en niet de geschatte taxatiekosten en advieskosten ad in totaal € 4.050,-. Dit brengt het totaalbedrag, anders dan volgens de berekening van [persoon 3] en [persoon 4] , op € 339.767,50. Nu de bewijsopdracht echter niet ziet op deze kosten, kunnen deze extra kosten in zoverre buiten beschouwing blijven.

2.11.

[persoon 3] en [persoon 4] hebben als productie 17 een mail overgelegd van [naam] van [bedrijf] van 27 juli 2026. Uit deze mail kan worden afgeleid dat volgens [naam] de door [persoon 3] en [persoon 4] benodigde hypotheek van
€ 350.000,- passend is en dat hij verwacht dat in ieder geval alle grote banken in Nederland dit ook kunnen en zullen financieren. [persoon 3] en [persoon 4] hebben ook nog een eerdere mail van [naam] overgelegd waarin hij heeft bericht dat een hypotheek van € 200.000,- haalbaar is (productie 18). Tot slot heeft de vader van [persoon 3] en [persoon 4] verklaard (verklaring van 28 juli 2026 overgelegd als productie 19) dat hij bereid is aan [persoon 3] en [persoon 4] een geldlening te verstrekken van (maximaal) € 150.000,-, indien en voorzover dat [persoon 3] en/of [persoon 4] niet in staat zijn gebleken om de koopsom van de woning aan het [adres] , de daarmee verband houdende kosten koper en/of de verschuldigde schenkingsbelasting volledig via een reguliere geldverstrekker gefinancierd te krijgen.

2.12.

Al deze producties, in onderlinge samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat [persoon 3] en [persoon 4] in ieder geval een bedrag van € 350.000,- kunnen financieren. Dit betekent dat zij dus in staat zijn de koopsom, de schenkingsbelasting, de overdrachtsbelasting en de transportkosten ad € 315.717,50 te betalen. Zij zijn dan ook in deze bewijsopdracht geslaagd. Ter zijde wordt nog opgemerkt dat [persoon 3] en [persoon 4] gezien het voorgaande ook in staat zijn de door hen genoemde extra kosten die niet onder de bewijsopdracht vallen te financieren.

Toewijzing vorderingen

2.13.

Nu [persoon 3] en [persoon 4] geslaagd zijn in het hun opgedragen bewijs, kan de vordering sub I tot het verlenen van medewerking aan levering van de woning worden toegewezen.

2.14.

De executeurs hebben nog verweer gevoerd tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen en de rechtbank verzocht om de veroordeling sub I niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De executeurs voeren aan dat de koopovereenkomst al in 2024 is ondertekend en dat [persoon 3] en [persoon 4] geen spoedeisend belang hebben bij de levering. Verder voeren zij aan dat het onmogelijk zal zijn om de situatie te herstellen indien de woning is geleverd en het vonnis in hoger beroep zal worden vernietigd. Volgens de executeurs zal de woning dan inmiddels bewoond zijn, waarvoor zij hun huurovereenkomst voor de huidige woning hebben opgezegd of de woning verkocht is aan een derde. In dat kader bestaat er volgens de executeurs een restitutierisico. Zij verzoeken de rechtbank op grond van deze belangenafweging ook de vordering sub II af te wijzen.

2.15.

Het is aan het oordeel van de rechter overgelaten of hij zijn vonnis al dan niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart (art. 233 Rv). Bij de beoordeling van een vordering op grond van dit artikel dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Bij de belangenafweging moet de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten wel worden meegewogen bij de belangenafweging.

2.16.

In het licht van alle omstandigheden in deze zaak weegt volgens de rechtbank het belang van [persoon 3] en [persoon 4] bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen zwaarder dan het belang van de executeurs bij behoud van de bestaande toestand. Nu de koopovereenkomst reeds in 2024 is getekend en er nog steeds geen levering heeft plaatsgevonden, kan worden aangenomen dat [persoon 3] en [persoon 4] een voldoende belang hebben bij levering binnen een redelijke termijn. [persoon 3] en [persoon 4] hebben terecht aangevoerd dat een spoedeisend belang niet vereist is. Dat er door de levering een onomkeerbare situatie ontstaat (zoals in het geval van de door de executeurs geschetste situatie van een verbouwing), staat ook niet aan de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis in de weg. Indien het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd, zijn er voor de executeurs mogelijkheden tot schadeloosstelling.

2.17.

De slotsom is dat ook de vordering sub II zal worden toegewezen en dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard.

Proceskosten

in conventie: de eis van de executeurs

2.18.

De executeurs zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 3] en [persoon 4] worden begroot op:

- griffierecht

€

331,00

- salaris advocaat

€

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.785,00

2.19.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In reconventie: de tegeneis van [persoon 3] en [persoon 4]

2.20.

De executeurs zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 3] en [persoon 4] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

816,25

(2,5 punten × factor 0,5 × € 653,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

964,25

2.21.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie: de eis van de executeurs

3.1.

wijst de vordering van de executeurs af,

3.2.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk in de proceskosten van € 1.785,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie: de tegeneis van [persoon 3] en [persoon 4]

3.3.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk om uiterlijk binnen vier weken na betekening van het vonnis volledige medewerking te verlenen aan levering van de onroerende zaak, staande en gelegen te [adres] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , groot (ca) 3 are, 4 centiare, aan [persoon 3] en [persoon 4] conform de op of omstreeks 7 maart 2024 tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst, en daartoe alle benodigde handelingen te verrichten die daartoe nodig zijn zoals te verschijnen bij een door executeurs aan te wijzen notaris;

3.4.

bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de voor het opmaken van de akte vereiste (wils)verklaringen van de executeurs, die vereist is voor de levering van de onder 3.3. bedoelde onroerende zaak, indien de executeurs geen gevolg geven aan de veroordeling onder 3.3, zodat de levering zal plaatsvinden door inschrijving van het vonnis samen met de leveringsakte in de daartoe bestemde openbare registers;

3.5.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk in de proceskosten van € 964,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

3.6.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als de executeurs niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

3.7.

veroordeelt de executeurs hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

HR 27 februari 1998, NJ 1998/512 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311 HR 28 mei 1993, NJ 1993/468