Verbintenissenrecht
De zoon van huurder is aangehouden in het kader van een onderzoek naar de handel in verdovende middelen. Naar…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10510 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2026-10510
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12063852 CV EXPL 26-293 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10510
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De zoon van huurder is aangehouden in het kader van een onderzoek naar de handel in verdovende middelen. Naar aanleiding van dit onderzoek is de woning van huurder doorzocht, waarbij in de schuur van het gehuurde een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Niet is komen vast te staan dat huurder op de hoogte was van de gedragingen van haar zoon of dat zij daarmee ernstig rekening had moeten houden. Gelet op alle omstandigheden wordt de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12063852 \ CV EXPL 26-293
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak van
DE VERENIGING MET VOLLEDIGE RECHTSBEVOEGDHEID LAURENTIUS,
te Breda ,
eisende partij,
hierna te noemen: Laurentius,
gemachtigde: mr. Y.F. Rijswijk,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. R.S. Namjesky.
De zaak in het kort
De zoon van huurder is aangehouden in het kader van een onderzoek naar de handel in verdovende middelen. Naar aanleiding van dit onderzoek is de woning van huurder doorzocht, waarbij in de schuur van het gehuurde een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Niet is komen vast te staan dat huurder op de hoogte was van de gedragingen van haar zoon of dat zij daarmee ernstig rekening had moeten houden. Gelet op alle omstandigheden wordt de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afgewezen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 13 januari 2026 met producties,
-
de conclusie van antwoord met productie(s),
-
de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
-
het bericht van 3 september 2026 met productie(s) van [huurder] ,
-
de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Laurentius verhuurt met ingang van 1 juni 2000 aan [huurder] de woning aan het [adres] . De huurovereenkomst staat ook op naam van de heer [persoon 1] , maar hij is in 2014 overleden. [huurder] woont daar met haar zoons
[persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Daarnaast heeft [huurder] ook (twee) dochters, waarvan één dochter af en toe komt logeren in de woning.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van toepassing. Hierin staat onder meer:
“Artikel 14.1: Huurder zal het gehuurde als een goed huisvader en overeenkomstig de daaraan bij overeenkomst c.q. reglement gegeven bestemming gebruiken.”.
Op 11 november 2025 is de zoon van [huurder] , [persoon 4] , door de politie aangehouden in het kader van een onderzoek naar de handel in verdovende middelen. Naar aanleiding van de aangetroffen verdovende middelen in de auto waarin de zoon reed, vond er een doorzoeking plaats in de woning aan [adres] . Daarbij werd het volgende aangetroffen:
“Trapkast begane grond:
In de trapkast hing een jas met in de binnenzak een geldbedrag van 745 euro. Dit is in beslag genomen.
Slaapkamer verdachte :
In de slaapkamer van de verdachte werden veel verschillende dure merkkleding en dure sportkleding aangetroffen van het merk Louis Vuitton.
Trapkast eerste verdieping :
in de trapkast werden schoenen aangetroffen van het merk: Louis Vuitton.
Slaapkamer moeder :
In de slaapkamer stond een leeg doosje voor een horloge van het merk: Rolex.
Zolder :
Rechts stond een ladekast met drie lades. In de onderste lade stond een metalenkistje. Het kistje zat op slot en daarvoor lag het sleuteltje onder wat kleding. In het geldkistje werd 3300 euro aangetroffen.
Schuur :
In de schuur, welke op hetzelfde perceel van de woning gevestigd is, stond een werkbank. Hierop werden een weegschaaltje met witte substantie, lege ponypacks en een witkleurige en tevens brokkelige substantie aangetroffen. Daarnaast een plastic zakje met daarin een onbekende bruine substantie. Deze goederen werden in beslaggenomen. Na later indicatief onderzoek bleek dit te gaan om: 220 gram (netto) heroïne en enkele grammen cocaïne.
Onderzoek aangetroffen drugs:
De aangetroffen middelen zijn door de politie gewogen en nader onderzocht Hierbij zijn de middelen door de politie onder meer indicatief getest.
Woning:
• 1,7 gram (netto) Cocaïne
• 1,5 gram (netto) Cocaïne HCI
• 220 gram (netto) Heroïne
Op 9 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Laurentius en [huurder] waarbij ook de advocaat van [huurder] aanwezig was.
Per brief van 18 december 2025 heeft Laurentius gemeld dat zij een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zal starten.
3 Het geschil
Laurentius vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen.
Laurentius legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, omdat zij de woning niet als goed huurder heeft gebruikt. In de schuur van het gehuurde is een handelshoeveelheid drugs gevonden en daarmee wordt de Opiumwet overtreden. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens Laurentius de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
[huurder] voert verweer. [huurder] voert - samengevat - aan dat zij niets van de drugs af wist en dat er ook geen aanleiding was om te vermoeden dat er drugs (van haar zoon) in de schuur aanwezig waren. De drugs zijn in de schuur aangetroffen, waar zij zelf nooit komt. Er is geen drugs in de woning aangetroffen. Verder heeft [huurder] omstandigheden aangevoerd die maken dat ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee samenhangende ontruiming van de woning niet gerechtvaardigd zijn.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Toetsingskader
Het uitgangspunt is dat [huurder] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [huurder] zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Als [huurder] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Vast staat dat er 220 gram heroïne en iets meer dan drie gram cocaïne is gevonden in de schuur en dat deze drugs (vermoedelijk) van haar zoon zijn. De drugs zijn weliswaar niet in de woning aangetroffen, maar de schuur behoort wel tot het gehuurde. De kantonrechter stelt voorop dat de aanwezigheid van deze handelshoeveelheid drugs in het gehuurde een ernstig feit is. De enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs betekent echter niet automatisch dat sprake is van een tekortkoming van de huurder. In de huurovereenkomst of de daarbij behorende algemene huurvoorwaarden is niet specifiek bepaald dat de aanwezigheid van drugs in het gehuurde, of het handelen in strijd met de Opiumwet een tekortkoming oplevert, die gesanctioneerd wordt met een einde van de huurovereenkomst. Beoordeeld moet daarom worden of [huurder] zich niet als goed huurder heeft gedragen. Dit in het licht van de gedragingen van haar zoon, ervan uit gaande dat hij de drugs in de schuur heeft gehad. Volgens vaste rechtspraak moet de kantonrechter beoordelen of [huurder] van de gedragingen van haar zoon op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had moeten houden, maar heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van haar gevraagd mochten worden.
Heeft [huurder] zich niet als goed huurder gedragen?
Volgens Laurentius wist of had [huurder] moeten weten waar haar zoon zich mee bezighield. Zij verwijst daarbij naar de bestuurlijke rapportage waaruit volgt dat onder andere in de slaapkamer van de zoon en in de trapkast dure merkkleding en/of schoenen van het merk Louis Vuitton zijn aangetroffen en in de slaapkamer van [huurder] een doosje van Rolex. Daarnaast is in een jas aan de kapstok € 745,00 in contanten aangetroffen en op zolder in een kistje een bedrag van € 3.300,00 in contanten. Gelet op wat er is aangetroffen is het volgens Laurentius niet aannemelijk dat [huurder] niets afwist van de activiteiten van haar zoon. Er was genoeg aanleiding om haar zoon te vragen hoe hij aan die spullen komt, mede gelet op de omstandigheid dat ze in een sociale huurwoning wonen.
[huurder] betwist dat zij had moeten weten dat er drugs in de schuur lagen. Zelf komt zij nooit of zelden in de schuur, zodat zij van drugs niet op de hoogte was. Voor zover zij in de schuur zou komen, dan zou zij dit ook niet als drugs herkennen. Dat haar zoon wel eens naar de schuur ging is niet vreemd, omdat het gehuurde via de schuur aan de achterzijde kan worden verlaten. Verder was er ook geen aanleiding voor haar om iets te vermoeden. Zij heeft aangevoerd dat zij de (dure) merkkleding niet herkend heeft, nog daargelaten dat zij ook niet weet of het wel echte merkkleding was en dus veel geld kost. Daarnaast was zij ook niet bekend met contant geld in een jaszak. Wel was zij op de hoogte van het geld in het kistje op zolder, maar hierover is verklaard dat dit het spaargeld is van haar dochter.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Laurentius, gelet op de betwisting daarvan door [huurder] , op basis van bovenstaande omstandigheden onvoldoende onderbouwd dat [huurder] met de aanwezigheid van de drugs in de schuur bekend was of had moeten zijn. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat niet is gebleken dat [huurder] ooit door politie of buurtbewoners is aangesproken op vermeend gedrag van haar zoon. Ook is niet weersproken dat haar kinderen nooit zijn vervolgd of veroordeeld voor enig drugsgerelateerd feit, zodat daarin ook geen aanleiding voor haar heeft gelegen om extra alert te zijn op het gedrag van haar zoon. Of sprake was van echte dure merkkleding is niet met zekerheid te zeggen. Niet is komen vast te staan van wie het geld in de jaszak was, laat staan dat voor [huurder] helder moet zijn geweest dat het om crimineel verworven geld ging. Ten aanzien van het geld in een kistje op zolder, is een verklaring van de dochter van [huurder] in het geding gebracht waarin zij verklaart dat het haar spaargeld is. Van het tegendeel is niet gebleken. Tijdens het gesprek op kantoor bij Laurentius zou [huurder] volgens Laurentius hebben toegegeven dat zij wel eens in de schuur kwam vanwege de koelkast die daar stond. Ter zitting heeft [huurder] hierover toegelicht dat zij zelden in de schuur komt en enkel bij feesten of gelegenheden gebruik maakt van de koelkast in de schuur. Wat daar ook van zij, de enkele omstandigheid dat [huurder] wel eens in de schuur kwam, betekent in dit geval nog niet dat zij de drugs had moeten ontdekken. Zo is niet duidelijk hoe lang de drugs daar al lag.
Ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd
Zelfs als aangenomen zou moeten worden dat [huurder] een verwijt treft, omdat zij had moeten doorvragen naar de (dure) merkkleding van haar zoon en dat zij had moeten controleren wat er in de schuur gebeurde, dan geldt dat in de gegeven omstandigheden een ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd wordt geacht. In dit verband is van belang dat de zoon van [huurder] naar aanleiding van een controle buiten de woning is aangehouden en dat de toen bij hem aangetroffen drugs reden was om de woning te doorzoeken. Er is dus geen sprake geweest van een doorzoeking naar aanleiding van een melding betreffende drugs in of rondom de woning. Ook is niet gesteld of gebleken dat de woning bekend staat als drugspand. Verder geldt dat [huurder] al 25 jaar in de woning woont. Niet is gebleken dat er in die periode sprake is geweest van enige vorm van overlast of onregelmatigheden. Het is begrijpelijk dat Laurentius een zero tolerance beleid ten aanzien van drugs voert, omdat zij moet waken voor de leefbaarheid en veiligheid van de woonomgeving van haar huurders. De aanwezigheid van harddrugs kan leiden tot overlast en criminaliteit rondom de woning. Hierbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat [huurder] in dit geval zelf geen gevaar of overlast heeft veroorzaakt. De veiligheid in de buurt wordt door de aanwezigheid van [huurder] niet aangetast. Voor zover de veiligheid door de zoon wordt aangetast, heeft [huurder] ter zitting toegelicht dat haar zoon [persoon 4] meteen uit de woning is vertrokken en hij daar niet meer woont. Tot slot weegt mee dat [huurder] psychische klachten ondervindt en ook één van haar andere zoons kampt met psychische klachten, waarvoor hij onder behandeling is bij [hulpverlening] in [plaats] .
[huurder] mag in de woning blijven
Alle omstandigheden afwegend is de kantonrechter van oordeel dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in dit geval niet gerechtvaardigd is. Er is immers niet komen vast te staan dat [huurder] van de gedragingen van haar zoon op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had moeten houden. De kantonrechter benadrukt dat er vanaf nu wel aanleiding voor [huurder] bestaat om rekening te houden met de gedragingen van haar zoon in en rondom het gehuurde. Zij is vanaf nu dus wel een gewaarschuwd mens.
De proceskosten
Laurentius is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [huurder] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
542,50 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt Laurentius in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Laurentius niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Laurentius tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026. |
||