Verbintenissenrecht
Eindvonnis, deskundigenonderzoek, vervangende en aanvullende schadevergoeding, verzuim.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10712 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2026-10712
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- C/02/405008/HA ZA 23-9
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T. Steenbeek, mr. H.K. Folkerts
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10712
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindvonnis, deskundigenonderzoek, vervangende en aanvullende schadevergoeding, verzuim.
Uitspraak
RECHTBANK
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/405008/ HA ZA 23-9
Vonnis in verzet van 28 oktober 2026
[partij 1] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
gedaagde in het verzet,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. T. Steenbeek,
tegen
1 [V.O.F.] ,
te [plaats 2] ,
2. [vennoot 1],
te [plaats 2] ,
3. [vennoot 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
eisers in het verzet,
hierna samen te noemen: [partij 2] ,
advocaat: mr. H.K. Folkerts.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 januari 2025 en de onderliggende stukken,
- het addendum deskundigenbericht van 22 augustus 2025,
- de conclusie na addendum deskundigenbericht van de zijde van [partij 2] ,
- de conclusie na addendum deskundigenbericht van de zijde [partij 1] .
In de eerdere tussenvonnissen in deze zaak ging het (met name) om de benoeming van een deskundige, de vragen voor die deskundige en het voorschot. De feiten, het geschil en de grondslagen van de vorderingen in deze zaak zijn in die tussenvonnissen niet opgenomen. Voor de volledigheid en duidelijkheid zijn deze in dit vonnis opgenomen.
2 De feiten
[partij 2] heeft [partij 1] een offerte d.d. 13 mei 2018 gestuurd voor het leveren en plaatsen van een zwembad en poolhouse in de tuin [partij 1] bij zijn woning aan [adres] . Partijen hebben over deze offerte overeenstemming bereikt. Op 3 februari 2019 is tussen partijen een totaalprijs van € 70.000,- overeengekomen.
Levering en plaatsing van het zwembad en het poolhouse door [partij 2] heeft plaatsvonden in 2019.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de deugdelijkheid van het zwembad en het poolhouse en de afwerking daarvan. [partij 2] is naar aanleiding van klachten en sommaties van [partij 1] in de periode 2019-2021 meerdere keren bij [partij 1] geweest om (herstel)werkzaamheden aan het zwembad en het poolhouse te verrichten.
Bij brief van 23 maart 2021 heeft [partij 1] [partij 2] in gebreke gesteld en [partij 2] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 1 mei 2021 de openstaande punten na te komen en te herstellen.
[partij 2] heeft hierop gereageerd bij e-mail van 30 maart 2021 onder toezending van een mail met een plan van aanpak.
Bij e-mail van 12 april 2021 heeft [partij 1] deze mail beantwoord en gevraagd om een reactie met data voor herstelwerkzaamheden en een tijdpad van de kwestie rondom de folie/grondwater.
Bij e-mail van 20 april 2021 heeft [partij 2] [partij 1] bericht dat de eerder verrichte herstelwerkzaamheden goed en deugdelijk zijn verricht en dat er geen gebreken meer zijn. [partij 2] heeft aansprakelijkheid afgewezen.
[partij 1] heeft [deskundige 1] ingeschakeld om onderzoek te verrichten. [deskundige 1] heeft een rapport d.d. 12 mei 2021 uitgebracht en de schade van [partij 1] geraamd op € 5.129,99 inclusief btw (met een stel- en p.m. post).
Bij brief van 18 juni 2021 heeft [partij 1] zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot schadevergoeding.
[partij 1] heeft in verband met nieuwe klachten over het omhoogkomen van het folie van het zwembad [deskundige 2] verzocht vervolgonderzoek te doen. [deskundige 2] heeft haar bevindingen uiteengezet in een e-mail d.d. 4 november 2021. [deskundige 2] heeft de schade van [partij 1] begroot op € 14.901,-.
Bij brief van 30 november 2021 heeft [partij 1] [partij 2] verzocht de schade van [partij 1] ad € 20.031,- binnen een week te voldoen. [partij 2] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.
[partij 1] heeft [partij 2] op 16 december 2021 gedagvaard. Bij verstekvonnis van 4 mei 2022 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kamer voor Kantonzaken, locatie Breda onder zaak-/rolnummer 9603763 CV EXPL 21-4452 zijn de vorderingen van [partij 1] tot (onder meer) vergoeding van de schade ad € 19.531,- en een bedrag van € 708,- aan aanvullende schade toegewezen, evenals de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.174,08 en kosten van de deskundige ad € 2.547,41 met veroordeling van [partij 2] in de proceskosten.
3 Het geschil
Bij verzetdagvaarding van 9 april 2022 heeft [partij 2] gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verstekvonnis vernietigt en [partij 1] alsnog niet ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans hem die ontzegt en afwijst, en in alle gevallen [partij 1] veroordeelt in de kosten van beide gedingen, waaronder begrepen de kosten van het verzet en van de verstekprocedure.
[partij 1] heeft bij akte van 28 november 2022 zijn eis vermeerderd en gevorderd:
Primair
1. [partij 2] te veroordelen tot betaling aan [partij 1] een bedrag van € 22.666,78 aan (vervangende) schadevergoeding, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen;
2. [partij 2] te veroordelen tot betaling aan [partij 1] een bedrag van € 708,00 (kosten waterverbruik en tijd eiser) aan aanvullende schadevergoeding/gevolgschade, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen;
3. te verklaren voor recht dat [partij 2] aansprakelijk is voor de schade aan de polycarbonaat panelen van de zwembadoverkapping.
Subsidiair
4. Een in goede justitie naar redelijkheid vast te stellen bedrag aan schadevergoeding;
Meer subsidiair
5. [partij 2] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst middels goed en deugdelijk herstel, althans conform de adviezen van [deskundige 1] , [deskundige 2] en [deskundige 3] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,
6. [partij 2] te veroordelen tot betaling aan [partij 1] een bedrag van € 708,00 aan aanvullende schadevergoeding/gevolgschade, dan wel een bedrag goede justitie te bepalen:
7. [partij 2] te veroordelen tot betaling aan [partij 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 2.635,78 aan (vervangende) schadevergoeding, dan wel een bedrag in goede justitie te bepalen;
Zowel primair als subsidiair en meer subsidiair
8. [partij 2] te veroordelen om aan [partij 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen de door [partij 1] gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 1.180,13;
9. [partij 2] te veroordelen om aan [partij 1] de kosten van de deskundigenonderzoeken ( [deskundige 1] , [deskundige 2] en [deskundige 5] ) ad
€ 3.323,99 te betalen:
10. de wettelijke rente over het onder sub 1-3 en 5 gevorderde vanaf 6 december 2021 dan wel datum vonnis;
11. [partij 2] te veroordelen tot betaling in de kosten van het geding.
Bij tussenvonnis van deze rechtbank, Cluster I civiele kantonzaken, van 4 januari 2023 is deze eisvermeerdering toegestaan, waarna de zaak is verwezen naar Cluster II Handelszaken van het team civiel van deze rechtbank.
[partij 2] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [partij 1] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
[partij 1] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [partij 2] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van haar verplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst. [partij 1] stelt dat de overeengekomen werkzaamheden ondanks sommaties niet volledig zijn uitgevoerd en dat hetgeen is uitgevoerd is (deels) gebrekkig is uitgevoerd terwijl [partij 1] wel reeds de overeengekomen aanneemsom heeft voldaan. Volgens [partij 1] zijn er diverse gebreken aan het zwembad, het poolhouse en toebehoren. [partij 1] stelt dat [partij 2] in verzuim verkeert. [partij 1] heeft zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot schadevergoeding en vordert primair vervangende en aanvullende schadevergoeding.
[partij 2] betwist dat zij tekort geschoten is en dat er sprake is van verzuim. Zij betwist ook dat [partij 1] aanspraak kan maken op de gevorderde schadevergoeding. Volgens [partij 2] kan de vordering van [partij 1] tot betaling van een bedrag van € 5.129,99 zoals gegrond op het rapport van [deskundige 1] worden toegewezen tot een bedrag van € 3.629,99. Het bedrag van € 14.901,- moet worden afgewezen. [partij 2] refereert zich ten aanzien van het bedrag van het waterverbruik ad € 208,-. De overige schade wordt betwist. [partij 2] voert ten aanzien van de meer subsidiaire vordering aan dat [partij 1] niet kan terugkomen op zijn omzettingsverklaring. Verder voert [partij 2] het verweer dat de buitengerechtelijke incassokosten te hoog zijn en dat alleen de gevorderde kosten van [deskundige 1] toewijsbaar zijn.
Vaststaat dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [partij 2] bij [partij 1] een zwembad en een poolhouse heeft geleverd en geplaatst. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of er sprake is van een tekortkoming van [partij 2] in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van die aannemingsovereenkomst op grond waarvan [partij 2] gehouden is de schade van [partij 1] te vergoeden.
Benoeming deskundige en beantwoording vragen door deskundige [deskundige 4]
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling op 6 september 2023 overeenstemming bereikt in die zin dat een deskundigenonderzoek moet worden gelast. Ook hebben zij vragen voor de deskundige geformuleerd.
Bij tussenvonnis van 6 september 2023 heeft de rechtbank de heer ir. [deskundige 4] NIVRE re werkzaam bij ZNEB Expertise en Taxatie B.V. tot deskundige benoemd en aan hem voor te leggen vragen geformuleerd. Bij deskundigenrapport d.d. 12 april 2024 heeft de deskundige zijn bevindingen gerapporteerd en de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. Naar aanleiding van dat rapport zijn er door de rechtbank bij tussenvonnis van 15 januari 2025 twee aanvullende vragen gesteld over de grondwaterstand en de herstelopties bij het corrigeren van de zwembadfolie. De deskundige heeft deze vragen beantwoord in zijn addendum deskundigenbericht van 22 augustus 2025. Partijen hebben hierop gereageerd bij conclusies na addendum.
Voor de beoordeling is allereerst van belang dat de rechtbank op grond van vaste jurisprudentie een deskundigenrapport dat is uitgebracht door een door de rechtbank benoemde deskundige en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, waarbij de conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde stukken, niet snel terzijde zal stellen. Daarvoor zullen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren ten aanzien van de wijze van totstandkoming en/of de inhoud van het deskundigenrapport moeten worden aangevoerd.
De rechtbank zal in het navolgende aan de hand van de bevindingen en de conclusies van de deskundige de verschillende gestelde gebreken, het causale verband en de schade/herstelkosten beoordelen. De rechtbank stelt vast dat de rapportage van [deskundige 1] tussen partijen niet in geschil is. Dit komt in de beantwoording van de deskundige ook naar voren. De deskundige heeft in zijn rapportage van 12 april 2024 dezelfde nummering gebruikt als in het rapport van [deskundige 1] van 12 mei 2021. De rechtbank zal deze nummering ook aanhouden.
Rapport 12 april 2024
Punt 6.1.1. Flap overkapping.
De deskundige stelt vast (pag 25 van het rapport) dat de slabbe aan het uiteinde van de overkapping van het zwembad als gevolg van de verzakkingen van de schuifrails niet meer geheel naar behoren aansluit (foto 42 en 46). Herstel van de slabbe aan de poolhousezijde zal volgens hem moeten bestaan uit het vervangen van de slabbe na het corrigeren van de ligging van de schuifrails als genoemd onder punt 6.1.5. De deskundige geeft aan dat de oorzaak van de schade het gevolg is van het handelen dan wel nalaten van [partij 2] . De kosten van het herstel worden begroot op
€ 250,-.
[partij 1] en [partij 2] kunnen zich vinden in de bevindingen van de deskundige op dit punt.
De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige overnemen dat op dit punt sprake is van een gebrek en dat de herstelkosten € 250,- bedragen.
Punt 6.1.2. Stroom
De deskundige constateert (pagina 25 van het rapport) dat de groepenkast in de technische ruimte van het poolhouse (foto 51) gelet op de verklaring van [partij 1] niet meer in de originele staat was zoals geleverd door [partij 2] en dat een toetsing van een al dan niet eerder aanwezig elektrotechnisch gebrek van het werk van [partij 2] door hem daarom niet meer kon worden aanschouwd. Een gebrek is volgens de deskundige dan ook niet aangetoond en een causaal verband en herstel is niet aan de orde.
[partij 1] en [partij 2] kunnen zich daarin vinden. [partij 1] handhaaft
wel zijn stelling dat er een gebrek is.
Vast staat dat niet (meer) kan worden vastgesteld dat er een gebrek is. De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige overnemen dat er ten aanzien van dit punt geen gebrek kan worden vastgesteld.
Punt 6.1.3. Afwerking tegelwerk en 6.1.4 tegels vloer doucheruimte
De deskundige stelt vast (pag. 26 van het rapport) dat de hoogte van de herstelkosten ten aanzien van deze punten ad € 811,48 inclusief btw tussen partijen niet in geschil is. De deskundige heeft bij de beantwoording van vraag 2 (p.32 van het rapport) aangegeven dat het causaal verband bij deze punten niet meer door [partij 2] ter discussie wordt gesteld.
Partijen zijn het eens met de bevindingen van [deskundige 1] op dat punt en zijn het ook eens over de herstelkosten.
De rechtbank zal de bevindingen van de deskundige dan ook overnemen en de herstelkosten vaststellen op € 811,48.
Punt 6.1.5 Rails overkapping
De deskundige stelt vast (pagina 26 van het rapport) onder verwijzing naar paragraaf 7.2 dat de schuifrails van de overkapping aan beide zijden van het zwembad was verzakt en dat als gevolg daarvan tussen rails en natuursteen zwembadrand hoogteverschillen waren ontstaan tot circa 20 mm waardoor men bij gebruik van het zwembad zich kan verwonden. De deskundige kiest bij herstel voor het ontwerpen van een constructie waardoor de schuifrails aan beide zijden (en ter plaatse van de stallingsruimte) afdraagt op de betonranden van de zwembadvloer. Dit herstel dient volgens de deskundige om kostentechnische redenen gecombineerd te worden met het herstel als hierna genoemd bij punt 6.1.12. Dat er noodzaak bestaat ook de zijsluitingen te vervangen zoals [deskundige 1] heeft opgenomen, wordt door de deskundige niet gesteund. Bij een juiste herplaatsing van de schuifrails aan beide zijden van het zwembad moet de overkapping volgens de deskundige naar behoren te borgen zijn zodanig dat kan worden voldaan aan de eisen vanuit de norm NF P90-309. De deskundige merkt ook op dat deze herstelwijze in lijn is met de herstelwijze door [deskundige 2] . Verder geeft de deskundige aan dat de oorzaak van de schade het gevolg is van het handelen dan wel nalaten van [partij 2] . De kosten van het herstel worden door de deskundige begroot op € 6.800,-.
Partijen zijn het, naar de rechtbank begrijpt, eens met de bevindingen en de conclusie van de deskundige dat er sprake is van een gebrek op dit punt. De deskundige heeft verder bij vraag 2 geantwoord dat er sprake is van een causaal verband met het handelen/nalaten van [partij 2] zodat de rechtbank daar ook van uit zal gaan.
[partij 1] legt zich voor een oplossing neer bij de bevindingen van de
deskundige. [partij 1] is in aanvulling op het deskundigenrapport van
mening dat de rails bij herstel vervangen moet worden. Vlak na oplevering was de
verzakking al aanwezig. Deze is volgens [partij 1] inmiddels alleen maar erger geworden.
Volgens [partij 2] is het door de deskundige voorgestelde herstel te rigoureus en niet nodig en zit er wel een constructie achter de rails. De (herstel-)oplossing die [partij 2] voorstaat is dat de overkapping zal worden gedemonteerd, dat de schuifrails worden losgehaald en vervolgens schuifrails op juiste hoogte worden gelijmd in dikbedtegellijm op de betonnen ondergrond. Na een aantal dagen kan de rails worden vast geboord op de betonnen ondergrond en kan de overkapping worden teruggeplaatst. [partij 2] schat de kosten van arbeid en materiaal in op maximaal € 1.250,00 inclusief BTW.
Ten aanzien van de herstelkosten zal worden aangeknoopt bij de aanname van de deskundige dat de rails kunnen worden hergebruikt. De deskundige heeft zowel op pagina 26 en 27 van het rapport als op pagina 39 gereageerd op de vragen van [partij 1] ten aanzien van het hergebruiken van de rails en (pagina 39) heeft aangegeven dat hij niet inziet waarom de rails niet zouden kunnen worden hergebruikt. Ook heeft hij aangegeven dat de tegels volgens hem van een afdoende dikte zijn om uit te nemen en afdoende te kunnen ontdoen van de mortel aan de onderzijde. De deskundige acht het wel correct dat schade aan de tegels niet 100% zal kunnen worden voorkomen. Hij acht daarom een stelpost van
€ 500,- inclusief btw redelijk. De rechtbank zal [partij 2] niet volgen in haar stelling dat het herstel door de deskundige te rigoureus is. [partij 2] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat er sprake is van zwaarwegende of steekhoudende bezwaren op grond waarvan de bevindingen en de conclusie van de deskundige terzijde zouden moeten worden gelaten. Het voorgaande betekent dat aangenomen wordt dat de herstelkosten € 6.800,00 bedragen te vermeerderen met een stelpost van € 500,- inclusief btw.
Punt 6.1.6 Backwash
De deskundige heeft op dit punt geen gebrek geconstateerd (pagina 27 van het rapport). Van een causaal verband en herstel is dan ook geen sprake.
[partij 1] en [partij 2] kunnen zich vinden in de bevindingen en de
conclusie van de deskundige.
De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige dat er ten aanzien van dit punt geen gebrek is, overnemen.
Punt 6.1.7 vocht natte ruimte
De deskundige stelt vast (pagina 28 van het rapport) dat de herstelkosten ad
€ 168,19 met betrekking tot het vocht in de natte ruimte niet meer in geschil zijn tussen partijen. Een nadere herbeoordeling was volgens partijen niet nodig en derhalve ook niet uitgevoerd, aldus de deskundige. De deskundige heeft bij de beantwoording van vraag 2 (p.32 van het rapport) aangegeven dat het causaal verband bij deze punten niet meer door [partij 2] ter discussie wordt gesteld.
Zowel [partij 1] als [partij 2] kunnen zich vinden in de bevindingen en de conclusie van de deskundige.
De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige overnemen en de herstelkosten vaststellen op € 168,19 inclusief btw.
Punt 6.1.8. Leidingen poolhouse
De deskundige heeft ten aanzien van dit punt geconstateerd (pagina 28 van het rapport) dat de elektrische bekabeling aan de buitenzijde van het poolhouse onbeschermd is en dat deze in een mantelbuis gelegd had dienen te zijn dan wel onder het maaiveld aangebracht. Wat de oorspronkelijk toegepaste diepte was voordat de bedrading klaarblijkelijk uit de grond is gehaald en tegen de buitenzijde van het poolhouse is gehangen, was op basis van de aangeleverde bescheiden door de deskundige niet meer te controleren. Volgens de deskundige zou het herstel kunnen bestaan in het alsnog/wederom weer op circa 60 cm onder maaiveld plaatsen van de bekabeling waarbij gelijktijdig zonder noemenswaardige meerkosten de tweede kabel van de jacuzzi (welke volgens beide partijen niet door [partij 2] is aangebracht) kan worden gecorrigeerd. Het alternatief is om de door [partij 2] geleverde kabel in een elektrabuis te plaatsen en deze met de nodige beugels tegen de buitenzijde van het poolhouse te monteren, aldus de deskundige. De deskundige heeft bij het antwoord op vraag 2 aangevoerd dat de oorzaak wordt gezien als een mogelijk gevolg van het handelen van [partij 2] omdat niet bekend is of de door [partij 2] aangebrachte elektrische bekabeling op een juiste diepte was aangelegd voordat de kabel tegen de buitenzijde van de zijgevel van het poolhouse werd opgehangen.
Zowel [partij 1] als [partij 2] kunnen zich vinden in de bevindingen en de
conclusie van de deskundige.
De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige overnemen dat er sprake is van een gebrek. Nu [partij 2] niet heeft betwist dat er sprake is van een causaal verband met haar handelen/nalaten zal dit worden aangenomen. De rechtbank begrijpt uit de opgave van de herstelkosten herstel (pagina 33 van het rapport) dat de deskundige opteert voor het door hem genoemde alternatief en dat de herstelkosten in dat geval € 175,- inclusief btw bedragen. De herstelkosten zullen dan ook op dat bedrag worden vastgesteld.
punt 6.1.9. Schade achterkant schuur en punt 6.1.10 Latten geverfd met andere kleur
De deskundige stelt ten aanzien van deze punten vast (pagina 28 en 29 van het rapport) dat de hoogte van de herstelkosten ad in totaal € 463,78 inclusief btw niet meer in geschil is tussen partijen. Een nadere herbeoordeling was volgens partijen niet nodig en is niet uitgevoerd, aldus de deskundige. De deskundige heeft bij de beantwoording van vraag 2 (p.32 van het rapport) aangegeven dat het causaal verband bij deze punten niet meer door [partij 2] ter discussie wordt gesteld.
Zowel [partij 1] als [partij 2] kunnen zich vinden in de bevindingen en de
conclusie van de deskundige.
De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige overnemen en de herstelkosten vaststellen op € 463,78 inclusief btw.
Punt 6.1.11. Deur technische ruimte
De deskundige constateert (pagina 29) dat de betreffende deur ten tijde van de schouw naar behoren te openen en te sluiten was (foto 59) alsook op slot te draaien. Verder geeft hij aan dat als gevolg van het niet afdoende arm schaven van de deur in combinatie met de beperkte sluitnaad een verminderde gebruiksvriendelijkheid gelet daarop in de zomerperiode niet is uit te sluiten maar dat het klemmen van de deur van de technische ruimte vooralsnog niet is aangetoond. Daarbij merkt hij op dat tekenen van klemmen in de vorm van schade aan het witte lakwerk van de deur en/of de zwarte houten bekleding aan de sluitzijde van de deur niet zichtbaar is. Er is volgens de deskundige in zoverre dan ook geen sprake van een gebrek.
[partij 1] en [partij 2] kunnen zich vinden in de bevindingen en de
conclusie van de deskundige.
De rechtbank zal de bevindingen en de conclusie van de deskundige overnemen en er van uitgaan dat er ten aanzien van dit punt geen gebrek is.
Punt 6.1.12. Folie zwembad
In het tussenvonnis van 16 oktober 2024 is reeds uiteengezet wat de bevindingen zijn van de deskundige ten aanzien van de folie en zijn antwoord bij vraag 4 naar de oorzaak daarvan. De deskundige heeft bij vraag 2 in het rapport aangegeven dat er een causaal verband is met het handelen/nalaten van [partij 2] . In voormeld tussenvonnis is ook geoordeeld dat het antwoord van de deskundige de vraag doet rijzen of het in het algemeen vaker voorkomt dat het grondwater te hoog is en leidt tot het omhoog komen van de folie en welke maatregelen gebruikelijk zijn om dat te voorkomen. De rechtbank heeft deze vraag als aanvullende vraag aan de deskundige gesteld en ook of de situatie met het grondwater bij [partij 1] die maatregelen juist wel of niet noodzakelijk maakt, ervan uitgaande dat de noodzaak voor drainage niet is vastgesteld.
De deskundige heeft deze aanvullende vraag beantwoord op pagina 11-13 van het Addendum deskundigenbericht. De deskundige trekt daar de sub conclusie dat het grondwater naar zijn zienswijze normaliter niet zo hoog hoeft te komen dat de grondwaterstand boven de winterstand van het zwembad hoeft te komen. Ofwel de situatie maakt het naar de zienswijze van de deskundige niet nodig om een tijdelijke verlaging van het grondwater te bewerkstelligen (zoals bijvoorbeeld een bronbemaling of drainage) indien er geen sprake is van normaal te verwachten grondwaterstanden (niet zijnde een exces) en de winterstand van het zwembad aangehouden wordt, aldus de deskundige.
[partij 1] en [partij 2] kunnen zich vinden in voormelde bevindingen en conclusie van de deskundige.
De rechtbank begrijpt uit de bevindingen van de deskundige dat hij ervan uit gaat dat het omhoog komen van het folie een gebrek is waarvan de oorzaak is gelegen in de druk van het grondwater en dat dit in causaal verband staat met het handelen/nalaten van [partij 2] . [partij 2] heeft dat niet betwist. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan.
De deskundige stelt verder vast dat er twee herstelopties zijn; optie 1. partieel herstel met behoud van folie en optie 2. algeheel herstel met nieuwe folie. De deskundige merkt op dat afhankelijk van de bereidwilligheid van een derde partij optie 1 praktisch uitvoerbaar moet zijn. Bij optie 2 merkt de deskundige nog op dat deze moet worden gezien als een alternatief voor optie 1. Bij beide opties moet herstel om kostentechnische redenen gecombineerd worden met het herstel als genoemd bij 6.1.5. De deskundige begroot de kosten voor het corrigeren van de
zwembadfolie volgens herstel optie 1 op € 3.750,- met een gelijktijdig herstel met 6.1.5 en de extra kosten voor gehele vervanging van de zwembadfolie als meerwerkstelpost op € 5.000,- (herstel optie 2). De deskundige merkt in reactie op een reactie van [partij 2] ten aanzien van het herstel op dat hersteloptie 1 moet worden gezien als het minimaal benodigde herstel om folie geheel weer naar behoren aan te kunnen brengen en dat hersteloptie 2 is opgenomen in geval er geen partij is te vinden welke het genoemde herstel onder hersteloptie 1 zou willen uitvoeren.
[partij 1] stelt dat de deskundige in reactie op het rapport van [deskundige 1] concludeert dat de wijze van herstel zoals [deskundige 1] heeft opgenomen, te zien is als een oplossing maar dat er in dat geval een ‘lappendeken’ ontstaat. Volgens [partij 1] blijkt uit het rapport van de deskundige dat dit niet de meest wenselijke oplossing is. Hij voert aan dat van hem niet gevergd kan worden dat hij genoegen moet nemen met een “lappendeken” dit mede gezien het feit dat de problemen aan de folie van het zwembad relatief kort na oplevering van het zwembad zijn ontstaan en de meerkosten om het folie te vervangen van € 1.250,- (€ 5.000.- minus
€ 3.750,-) niet buitensporig zijn. Daarbij komt dat uit artikel 7:759 lid 1 BW volgt dat een opdrachtgever in beginsel recht heeft op wegneming van de gebreken, ofwel volledig herstel, aldus [partij 1] .
[partij 2] is het ook niet eens met de herstelopties en voert aan dat aangeknoopt kan worden bij de hersteloptie zoals die in het rapport van [deskundige 1] werd voorgesteld. Die optie is de minst prijzige en wordt volgens [partij 2] ook door de deskundige onderschreven. Volgens [partij 2] zijn de door de deskundige voorgestelde opties 1 en 2 onnodig ingrijpend en duur en moet de door [deskundige 1] voorgestane hersteloptie als proportioneel worden beoordeeld. [partij 2] stelt verder dat [partij 1] onvoorwaardelijk vordert dat [partij 2] zal worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding maar dat de genoemde optie 2 benoemd is als meerwerk of stelpost en dat van een vaststaande schadepost daarom geen sprake is. [partij 2] voert ook nog aan dat in de hersteloptie van [deskundige 1] ook de kosten van een bronbemaling zijn opgenomen en dat daarom de door de deskundige opgenomen post van € 2.000.- onder het kopje Algemeen op pagina 33 onnodig is opgenomen.
De bezwaren van [partij 1] en [partij 2] tegen de herstelopties van de deskundige zijn niet dusdanig steekhoudend of zwaarwegend dat de bevindingen van de deskundige op dat punt terzijde moeten worden gelaten. De vraag is dan voor welke hersteloptie van de deskundige moet worden gekozen. De rechtbank ziet aanleiding te kiezen voor hersteloptie 1 omdat de kans dat de vervormingen en de plooien bij herplaatsing van het bestaande zwembadfolie niet verdwijnen en er daarmee een esthetisch verschil bestaat met hersteloptie 2, klein is. Omdat deze kans echter niet is uit te sluiten, zal de rechtbank reeds nu rekening houden met de in redelijkheid in dat geval te maken kosten. Zij zal deze kosten naar redelijkheid en billijkheid bepalen op € 1.250,- (25% van € 5.000,-). Dit bedrag moet opgeteld worden bij het bedrag van € 3.750,- behorende bij hersteloptie 1. De herstelkosten van de folie komen daarmee op een bedrag van € 5.000,-. Dit is ook het bedrag dat volgens [partij 1] met vervanging van de folie (optie 2) is gemoeid.
Vraag 5 noodzaak drainage
De deskundige stelt vast (pagina 35 van het rapport) dat bij een normaal gebruik van het zwembad in de zomer het grondwater niet boven de stand van het water in het zwembad zal uitkomen. In geval van een winterstand van het zwembad tot onder de onderzijde van de skimmers zal de waterstand in het zwembad met circa 200 mm verlaagd worden, waardoor de waterstand in het zwembad grofweg zal komen te slaan op circa (200 + 145 =) 350 mm onder de bovenzijde van de natuursteen zwembadrand = maaiveld. Of bij de onderhavige casus de grondwaterstand zonder inzet van drainage voor een langere periode boven de winterstand van het zwembad uit kan komen, is volgens de deskundige niet aangetoond. De deskundige concludeert dat de noodzaak voor het aanbrengen van een drainage om het zwembad normaal te gebruiken en het zwembad in de winterstand te kunnen zetten zonder kans op het omhoog komen van de zwembadfolie niet is vastgesteld.
[partij 1] voert aan dat de deskundige in zijn rapport concludeert dat het niet
noodzakelijk is om een drainage aan te leggen maar dat de deskundige ook
concludeert dat de grondwaterdruk een oorzaak is van het omhoogkomen van de zwembadfolie en dat de deskundige niet uit sluit dat dit komt door een te hoge grondwaterstand. [partij 1] stelt dat hij er bij de aanleg van het zwembad niet voor is gewaarschuwd dat een hoge grondwaterstand mogelijk tot het omhoogkomen van de zwembadfolie zou leiden en dat dit risico eenvoudig en relatief goedkoop vermeden kan worden door bij de aanleg van liet zwembad direct een drainage aan te leggen. Volgens [partij 1] mag van een goed en zorgvuldig zwembadbouwer, zeker nu er gebouwd is in klei grond en er bij de bouw bronbemaling noodzakelijk was, verwacht worden dat wel op dit risico gewezen wordt. [partij 1] stelt ook dat [partij 2] door het achterwege laten van het wijzen op dit risico tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en zij door het achterwege laten van een dergelijke waarschuwing in verzuim is komen te verkeren. Verder blijkt volgens [partij 1] uit het rapport dat bij het herstel als genoemd bij punt 6.1.5 onder onderzoeksvraag 5 zonder extreme meerkosten alsnog een extra string drainage aan kan worden gelegd. [partij 1] is van mening dat [partij 2] gezien het voorgaande gehouden kan worden tot betaling van de meerkosten om alsnog een extra streng drainage aan te leggen.
De deskundige heeft gereageerd op de vragen van [partij 1] over de drainage (pagina 40 van het rapport) en heeft aangegeven dat het toepassen van een drainage niet functioneel wordt gezien in het kader van uit te voeren herstelwerkzaamheden, oftewel het aanbrengen van een drainage aan 3 zijden op een diepte van 50 cm is nutteloos.
[partij 2] kan zich vinden in de bevindingen en de conclusie van de deskundige.
Nu de deskundige in reactie op de vragen [partij 1] uitvoerig heeft toegelicht waarom er geen drainage noodzakelijk is, neemt de rechtbank de bevindingen en de conclusie dat een drainage niet noodzakelijk is over. Hetgeen de deskundige nog in het addendum heeft aangevoerd maakt zijn eerdere bevindingen en conclusies niet anders. Van een gebrek op dit punt is in zoverre geen sprake. [partij 2] had daarmee ook geen waarschuwingsplicht ten aanzien van de drainage en verkeert in zoverre dan ook niet in verzuim, zoals [partij 1] nog heeft aangevoerd.
Resterende posten
De algemene kosten voor bronbemaling ad € 2.000,- kunnen als herstelkosten worden vastgesteld nu uit de bevindingen bij de herstelopties van de deskundige blijkt dat de grondwaterstand voor beide herstelopties van het folie moet worden verlaagd. Dit geldt ook voor de kosten onder algemeen ad € 500,- voor het afvoeren van afval en zwembadwater en het opnieuw vullen van het zwembad en het in werking stellen. Ook als herstelkosten kunnen worden aangemerkt de op pagina 39 van het rapport genoemde stelpost van € 500,- voor schade aan tegelwerk.
[partij 1] vordert bij eisvermeerdering subsidiair ook nog vergoeding van de factuur van APP voor herstel inspuiter ad 1.200,-, van de offerte van APP voor een nieuwe lamp ad 375,- inclusief btw, voor kosten van de Open Kast ad € 79,95 inclusief btw en een factuur van Lighthouse voor dringend herstel polycarbonaat ad € 980,83, in totaal € 2.635,78. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de vragen aan de deskundige en deze posten daarin niet zijn meegenomen en de deskundige zich daar ook niet over heeft uitgelaten, zijn deze posten en het causaal verband met het handelen/nalaten van [partij 2] daarmee niet voldoende komen vast te staan. Deze posten zullen dan ook worden afgewezen.
Gebreken en herstelkosten
Op grond van het voorgaande is vast komen te staan dat er sprake is van een aantal gebreken (met bijbehorende herstelkosten) aan het zwembad en poolhouse en dat er ten aanzien van deze gebreken ook sprake is van een causaal verband met het handelen/nalaten van [partij 2] . Samenvattend betreft het de volgende gebreken en bijbehorende herstelkosten:
- 6.1.1 flap overkapping € 250,-
- 6.1.3 en 6.1.4 afwerking tegels € 811,48
- 6.1.5 rails overkapping € 6.800,-
- 6 1.7 vocht natte ruimte € 168,19
- 6.1.8 leidingen poolhouse € 175,00
- 6.1.9 schade schuur en 6 1.10 latten € 463,78
- 6.1.12 kosten corrigeren folie partieel 1 € 3.750,00
- 6.1.12 meerkosten vervangen gehele folie € 1.250,-
- Algemene kosten bronbemaling € 2.000,-
- Algemeen: kosten afvoeren en opnieuw vullen € 500,-
- stelpost schade tegels p. 39 € 500,-
Totaal € 16.668,44
Voormelde gebreken leveren een tekortkoming op van [partij 2] in de nakoming van de overeenkomst. Artikel 6:74 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, de schuldenaar verplicht om de schade die de schuldeiser daardoor lijdt, te vergoeden. Uit lid 2 volgt dat, als nakoming nog niet blijvend onmogelijk is, lid 1 pas geldt als de schuldenaar in verzuim is.
verzuim
De rechtbank stelt vast dat [partij 1] [partij 2] meerdere malen in gebreke heeft gesteld ten aanzien van een aantal van de gebreken en [partij 2] in de gelegenheid heeft gesteld de gebreken te herstellen (in de zin van artikel 7:759 BW. [partij 2] heeft in reactie daarop bij brief van 20 april 2021 gesteld dat er geen sprake is van gebreken. Op dat moment verkeerde [partij 2] ten aanzien van die gebreken in verzuim. [partij 1] heeft zijn vordering tot nakoming vervolgens bij brief van 18 juni 2021 omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Door die omzetting is het verzuim ten aanzien van de nakoming geëindigd. [partij 2] is door vervolgens de schadevergoeding niet terstond te voldoen ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding in verzuim komen te verkeren (art. 6:83 sub b BW). [partij 1] heeft [partij 2] bij brief van 30 november 2021 gesommeerd om de schadevergoeding binnen een week te voldoen, aan welke sommatie [partij 2] geen gehoor heeft gegeven. [partij 2] verkeert derhalve in verzuim.
Vervangende schadevergoeding
Gezien het voorgaande is de vordering van [partij 1] terzake de vervangende schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 16.668,44, een en ander zoals onder 4.52 uiteengezet.
Aanvullende schadevergoeding
De door [partij 1] sub 2 als aanvullende schade gevorderde kosten van het waterverbruik en de tijd van [partij 1] ad in totaal € 708,- zijn als niet voldoende gemotiveerd betwist eveneens toewijsbaar.
Schade polycarbonaat panelen van de zwembadoverkapping afgewezen
De sub 3 gevraagde verklaring voor recht ten aanzien van de schade aan de panelen van zwembadoverkapping wordt afgewezen nu deze schade geen afzonderlijk onderdeel van het debat tussen partijen is geweest en de deskundige zich daarover niet specifiek heeft uitgelaten. Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen ten aanzien van de eisvermeerdering bij r.o. 4.51 is opgenomen.
Kosten deskundige [deskundige 1] en [deskundige 2] toegewezen
De kosten van de deskundigen van [deskundige 1] en [deskundige 2] ad € 2.547,21 zijn toewijsbaar als redelijk gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Deze rapportages zijn door de deskundige meegenomen en op een aantal punten als juist aangemerkt. De rapportage van [deskundige 1] is tussen partijen zelfs in het geheel niet in geschil. Ten aanzien van beide rapportages is bovendien gesteld noch gebleken dat de kosten hiervoor niet redelijk zijn. Dit alles geldt niet voor de kosten van [deskundige 5] . Niet is vastgesteld dat de bevindingen van [deskundige 5] juist zijn, terwijl ook de redelijkheid van deze kosten niet kan worden vastgesteld.
Buitengerechtelijke kosten
De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [partij 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten zijn conform de staffel toewijsbaar tot een bedrag van € 958,42 (€ 625,- over de eerste
€ 10.000,-) en € 333,42 (5% over het meerdere)).
Wettelijke rente
De wettelijke rente over de posten die reeds volgen uit het rapport van [deskundige 1] , waaronder de afwerking tegels ad € 811,48, de kosten van vocht natte ruimte ad
€ 168,19, de schade aan de schuur en de latten ad € 463,78 (totaal € 1.443,45) kan worden toegewezen vanaf de gevorderde datum van 6 december 2021. [partij 1] is op die datum in verzuim. Voor de overige schadeposten geldt dat de rente pas vanaf de datum van dit vonnis toewijsbaar is omdat deze posten niet vallen onder de omzettingsverklaring en de uit dien hoofde gevorderde schadevergoeding bij brief van 30 november 2021. De kosten van [deskundige 1] en [deskundige 2] zijn ook toewijsbaar met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.
Op grond van al het vorenstaande zal het verstekvonnis worden vernietigd. De
vorderingen van [partij 1] zullen worden toegewezen als hierna te melden.
proceskosten
Waterwelness is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen waaronder begrepen de kosten van het verzet en de verstekprocedure. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- kosten oorspronkelijke dagv € 133,87
- griffierecht verstek € 693,00
- griffierecht verzet € 608,00
- kosten deskundige € 8.570,11 (€ 7.552,80 + aanv. € 1.017,31)
- salaris advocaat € 2.285,50 (3,5 punten x € 653,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.479,48
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
vernietigt het verstekvonnis van 4 mei 2022 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kamer voor Kantonzaken, locatie Breda onder zaak-/rolnummer 9603763 CV EXPL 21-4452 en opnieuw rechtdoende/beslissend:
veroordeelt [partij 2] tot betaling aan [partij 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 16.668,44 aan (vervangende) schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.443,45 vanaf 6 december 2021 en over € 15.224,99 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [partij 2] tot betaling aan [partij 1] van een bedrag van
€ 708,00 (kosten waterverbruik en tijd [partij 1] ) aan aanvullende schadevergoeding/gevolgschade met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te voldoen de door [partij 1] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te bepalen conform de staffel incassokosten op een bedrag van € 958,42,
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 12.479,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken door mr. Van ‘t Nedereind op 28 oktober 2026.