Europees strafrecht

EAB Duitsland; verweer m.b.t. de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan

Rechtbank Amsterdam, 8 mei 2024

Zaakgegevens

Op 8 mei 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 mei 2024
Datum publicatie
10 mei 2024
Zaaknummer
13/055229-24
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:2653
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Duitsland; verweer m.b.t. de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/055229-24

Datum uitspraak: 8 mei 2024

UITSPRAAK

op de vordering van 5 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 januari 2024 door het Landgericht Mönchengladbach (Mönchengladbach Regional Court), Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Lokollo, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst, omdat er geen tolk in de Duitse taal beschikbaar was zodat het onderzoek niet kan plaatsvinden met bijstand van een tolk voor die taal.

De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 25 april 2024 in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Lokollo, advocaat te Utrecht en een tolk in de Duitse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een final judgement van de Mönchengladbach Regional Court van 1 september 2016, met referentie 23 KLs – 720 Js 365/14 – 2/16.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 365 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het tweede strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:

oplichting.


Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het eerste en derde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal;

5 Overige verweren

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon in de Duitse gevangenis zal worden bedreigd door leden van een motorclub, omdat hij een schuld bij heeft bij hen. Ook is de verloofde van de opgeëiste persoon hiervoor bedreigd en zij is inmiddels ondergedoken. De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden om in het kader van de tweestappentoets van het Hof van Justitie van de Europese Unie individuele garanties te vragen om de veiligheid van de opgeëiste persoon in detentie in Duitsland te garanderen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze bedreigingen niet onder artikel 11 OLW vallen.

De rechtbank overweegt dat er geen algemeen gevaar is aangenomen vanwege het geweld tussen gedetineerden in Duitse gevangenissen. De rechtbank beschikt niet over bewijzen die een dergelijk gevaar aantonen, zodat zij niet toekomt aan de vraag of de opgeëiste persoon bij overlevering aan Duitsland zal worden blootgesteld aan een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek af.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht, 5a en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Mönchengladbach (Mönchengladbach Regional Court), Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.W.T. Klappe en H.P. Kijlstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 mei 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Caldararu.