Europees strafrecht

Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 17 februari 2025

Zaakgegevens

Op 17 februari 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 februari 2025
Datum publicatie
17 februari 2025
Zaaknummer
13-217497-24
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:941
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-217497-24

Datum uitspraak: 5 februari 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 21 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juli 2024 door the Local Court Osnabrück, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag 1] 1998 te [geboorteplaats],

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres],

nu gedetineerd in [detentieadres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 januari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een pre-trial detention order of the Local Court Osnabrück, date 02-07-2024, ref: 246 Gs 186/24.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit (grotendeels, zie onder 4.1) aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

4.1

Deel van het feitencomplex waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van het feitencomplex (opzettelijk veroorzaken van een ontploffing) niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op:

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.

De Staatsanwaltschaft Osnabrück heeft per brief op 20 november 2024 de volgende garantie gegeven:

“Extradition of Dutch citizen [opgeëiste persoon], born [geboortedag 1]-1998, for the purpose of prosecution
(...)
l hereby assure you that, should the prosecuted person receive a non-appealable and non-suspended prison sentence after he has been extradited from the Netherlands, he shall be transferred to the Netherlands so that the prison sentence can be served there pursuant to the COUNCIL FRAMEWORK DECISION 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition of judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving a deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.”

Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6 Eventuele beletselen voor de feitelijke overlevering

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB nu de opgeëiste persoon ieder moment een oproep van het ziekenhuis kan krijgen voor een noodzakelijke operatie aan zijn longen. Gelet hierop dient de zaak aangehouden te worden om Duitsland te voorzien van de medische informatie en vragen te stellen of de benodigde medische zorg in detentie in Duitsland kan worden verleend.

Verder heeft de opgeëiste persoon verzet ingesteld tegen een strafbeschikking waarbij een geldboete is opgelegd en wenst hij aanwezig te zijn bij de behandeling van die zaak op 25 maart 2025.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in Duitsland de vereiste medische zorg in detentie voorhanden is. Verder zijn er geen beletselen voor feitelijke overlevering, hetgeen bovendien pas aan de orde komt na het toestaan van de overlevering.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden in Duitsland (waaronder de medische zorg in detentie). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de zaak aan te houden en nadere vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten.

Hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd, komt neer op een verzoek tot uitstel van de feitelijke overlevering (artikel 35 en 36 OLW). Hoewel de feitelijke overlevering sinds 1 oktober 2024 een kwestie is waarover de rechtbank oordeelt, is het niet een beoordeling die in dit stadium van de overleveringsprocedure voorligt. Een dergelijk verzoek kan schriftelijk worden ingediend en zal na de uitspraak van de rechtbank worden behandeld door de raadkamer.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 157 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Local Court Osnabrück, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, rechter,

mrs. C. Klomp en D. Hein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ofwel na de zitting maar voorafgaand aan de uitspraak (in dat geval in voorwaardelijke vorm, namelijk voor het geval de rechtbank de overlevering toestaat) ofwel na de uitspraak.