Europees strafrecht

Vervolgings-EAB uit Duitsland. Gelijkstellingsverweer op grond van humanitaire omstandigheden verworpen…

Rechtbank Amsterdam, 24 april 2025

Zaakgegevens

Op 24 april 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
24 april 2025
Datum publicatie
24 april 2025
Zaaknummer
13-055233-25
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:2675
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB uit Duitsland. Gelijkstellingsverweer op grond van humanitaire omstandigheden verworpen, aangezien de Overleveringswet daarvoor geen ruimte biedt. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-055233-25

Datum uitspraak: 24 april 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 28 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 januari 2025 door het Amtsgericht Erfurt, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] (Oekraïne),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres],

gedetineerd in [detentieplaats],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 april 2025, in aanwezigheid van mr. N.M. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Oekraïense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel ten behoeve van voorlopige hechtenis uitgevaardigd door het Amtsgericht Erfurt van 4 december 2024, met dossiernummer 45 Gs 4950/24.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar is zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

- poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

- meerdaadse samenloop van
- medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
- medeplegen van mishandeling en;
- medeplegen van bedreiging met zware mishandeling;

- diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, subsidiair opzetheling.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling

Verzoek van de raadsman

De raadsman verzoekt de rechtbank primair de overlevering te weigeren. Subsidiair verzoekt de raadsman om de opgeëiste persoon op humanitaire gronden gelijk te stellen met een Nederlander zodat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die straf vervolgens in Nederland kan ondergaan. De opgeëiste persoon is een oorlogsvluchteling uit Oekraïne. Zijn vrouw en kind, zijn broer en diens kinderen bevinden zich in Nederland. Zij hebben niet de mogelijkheid of de middelen om de opgeëiste persoon in Duitsland te bezoeken. De raadsman verzoekt daarom de behandeling van de zaak aan te houden totdat een terugkeergarantie vanuit Duitsland is ontvangen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de OLW geen mogelijkheid biedt tot gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander op grond van humanitaire redenen.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet aan de hand van overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

Omdat aan de eerste voorwaarde niet is voldaan, kan de tweede voorwaarde onbesproken blijven.

De rechtbank overweegt voorts dat de OLW geen ruimte biedt voor gelijkstelling met een Nederlander op humanitaire gronden en verwerpt daarom het subsidiaire verweer van de raadsman. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling aan te houden teneinde een terugkeergarantie te verkrijgen vanuit Duitsland.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45, 285, 300, 311, 350 en 416 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Erfurt, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A. Segbedzi, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 april 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG913121019219DÈ G913121019219 Zie onderdeel e) van het EAB.