Europees strafrecht

Overlevering. Pools EAB t.b.v. vervolging. Einduitspraak na tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2026:8109…

Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
13-296186-25
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10361
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overlevering. Pools EAB t.b.v. vervolging. Einduitspraak na tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2026:8109. Wijziging van de omstandigheden binnen een redelijke termijn. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de verstrekte informatie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-296186-25

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 5 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2025 door the Regional Court in Częstochowa, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Polen),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

Zitting 28 juli 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

Tussenuitspraak 11 augustus 2026

In de tussenuitspraak van 11 augustus 2026 is – in het kader van de detentieomstandigheden in Polen – een individueel reëel gevaar aangenomen van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest). De beslissing is aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW om bij de volgende zitting na te gaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.

De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW, verlengd met zestig dagen. Op grond van artikel 27, derde lid, OLW is ook de gevangenhouding met zestig dagen worden verlengd.

Zitting 7 oktober 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en opnieuw bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak 11 augustus 2026

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de toepasselijkheid van weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de strafbaarheid van de feiten en, in het kader van artikel 11 OLW, over het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijk gerecht. Hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4 Artikel 11 OLW, Poolse detentieomstandigheden in remand prisons

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2 van de tussenuitspraak. Die overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Na de tussenuitspraak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een brief verstrekt van the Coordinator for International Cooperation and Human Rights in Criminal Matters for the Judicial Circuit of the Regional Court in Częstochowa, Regional Court Judge, van

21 september 2025, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“ [de opgeëiste persoon] will be provided with a minimum of 3 square metres of personal space (excluding sanitary facilities), even if he is placed in a multiple-occupancy cell.

Furthermore, while detained at the Częstochowa Remand Centre, he will have the opportunity to spend two hours outside his cell each day, including one hour for outdoor exercise and one hour for cultural, educational and sports activities. In addition, should he wish to do so, he will have the opportunity to consult a psychologist and a prison officer responsible for his rehabilitation and welfare, with no time limit.”

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. De verstrekte garantie kan het eerder vastgestelde gevaar niet wegnemen omdat niet duidelijk wordt gemaakt welke mogelijkheden de opgeëiste persoon heeft wanneer hij buiten de cel kan verblijven. Omdat onduidelijk is of hij op die momenten met anderen kan recreëren of bezoek kan ontvangen, is nog altijd te weinig duidelijkheid om te kunnen spreken van een humaan verblijf in detentie. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om nogmaals vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet in de weg staat aan de overlevering. Uit de verstrekte aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, zodat het algemene gevaar wordt weggenomen. Het gevaar ziet niet op te weinig contact met anderen, maar op structureel

23 uur per dag in een meerpersoonscel moeten verblijven met een persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 september 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Er is dus sprake van een wijziging van de omstandigheden binnen een redelijke termijn. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hem de mogelijkheid wordt geboden om in ieder geval twee uur per dag buiten de cel te verblijven. Dat volgt immers uit de mededeling dat “he will have the opportunity to spend two hours outside his cell each day, including one hour for outdoor exercise and one hour for cultural, educational and sports activities.” Daarnaast kan de opgeëiste persoon desgewenst buiten de cel verblijven in het kader van contacten met een psycholoog of een penitentiaire medewerker “responsible for his rehabilitation and welfare”.

De rechtbank benadrukt dat het vastgestelde reële gevaar niet ziet op de omstandigheid dat gedetineerden te weinig contact met anderen zouden hebben, maar op de omstandigheid dat gedetineerden in het remand regime structureel 23 uur per dag in een meerpersoonscel verblijven, terwijl slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in die meerpersoonscel is gegarandeerd. Het verweer wordt verworpen en de rechtbank ziet ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

6 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, en 7 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Częstochowa, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,

mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:8109.