Europees strafrecht

Vervolgings-EAB uit Duitsland. Art 6 OLW: beroep op terugkeergarantie. Evenredigheidsverweer en verzoek tot…

Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
13-216642-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10462
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB uit Duitsland. Art 6 OLW: beroep op terugkeergarantie. Evenredigheidsverweer en verzoek tot schorsing na uitspraak verworpen. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-216642-26

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 13 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2026 door the Trier District Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J.H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Trier District Court van 29 januari 2026, met kenmerk 35b Gs 257/26.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Duitsland. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Duitsland onherroepelijk wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De Staatsanwältin bij de Staatsanwaltschaft Trier, Duitsland, heeft op 11 augustus 2026 ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:

“It is hereby assured that, in the event of a final conviction in the Federal Republic of Germany, the person subject to prosecution will, on the basis of the current version of Council Framework Decision 2008/ 909/JI of the Council of November 27, 2008, on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty, for the purposes of their enforcement in the European Union (OJ L 327 of December 5, 2008, page 27), be transferred back to the Netherlands for the further enforcement of the sentence.”

Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6 Beroep op evenredigheidsbeginsel

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een beroep gedaan op de onevenredigheid van het EAB en zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd, omdat in dit concrete individuele geval de overlevering onevenredig bezwarend is.

De opgeëiste persoon wordt namelijk in het kader van een reclasseringstoezicht door verschillende instanties begeleid. Zo wordt hij begeleid bij zijn verslavingsproblematiek, waarvoor hij op korte termijn in aanmerking komt voor een detoxopname. Ook ontvangt hij begeleiding bij zijn huisvesting, financiën en het verkrijgen van stabiliteit.

Subsidiair moet de zaak worden aangehouden om de hiervoor genoemde omstandigheden voor te kunnen leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, waarop zij opnieuw de evenredigheid van het EAB kan beoordelen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt. Een dergelijk beroep slaagt namelijk slechts indien sprake is van een uitzonderlijke situatie. Een onzekere, toekomstige detoxopname is niet zo’n omstandigheid. Daarbij is de afweging om een EAB uit te vaardigen voorbehouden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.

Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Duitse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Duitse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.

Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

7 Schorsingsverzoek

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om de schorsing van de overleveringsdetentie ook na de uitspraak te laten voortduren tot aan de feitelijke overlevering, wegens de hiervoor onder punt 6. genoemde omstandigheden.

Het standpunt van de raadsman

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek van de raadsman. De gevangenhouding van de opgeëiste persoon is eerder geschorst geweest, waarbij de opgeëiste persoon een meldplicht had. Hij heeft meermaals niet aan deze meldplicht voldaan. Daarbij neemt het vluchtgevaar toe na een uitspraak waarin de overlevering wordt toegestaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van de overleveringsdetentie tot aan de feitelijke overlevering af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Trier District Court, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

WIJST AF het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie tot aan het moment van feitelijke overlevering.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.B.M. Wijnveldt, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Mulder en mr. E.A. Harland, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O.G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.