Europees strafrecht

Vervolgings-EAB Duitsland; artikel 2 OLW: verweer op genoegzaamheid verworpen; artikel 7 OLW…

Rechtbank Amsterdam, 28 mei 2026

Zaakgegevens

Op 28 mei 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 mei 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Zaaknummer
13-127224-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:5905
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB Duitsland; artikel 2 OLW: verweer op genoegzaamheid verworpen; artikel 7 OLW: lijstfeitverweer; overlevering toestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-127224-26

Datum uitspraak: 28 mei 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 11 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2026 door het Amtsgericht Augsburg, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Griekenland) op [geboortedag] 2007,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer en door een tolk in de Turkse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Griekse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 26 maart 2026 van het Amtsgericht Augsburg met kenmerk 31 Gs 620/26jug.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

3.1

Genoegzaamheid

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende genoegzaam is omschreven in het EAB. De Duitse autoriteiten hebben niet onderbouwd dat er sprake zou zijn van nauwe en bewuste samenwerking.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.

Uit de feitomschrijving in het EAB blijkt onder andere dat de opgeëiste persoon als dader “deel uitmaakt van een internationaal opererende bende die zich met behulp van de modus operandi van nep-bankmedewerkers gedurende een bepaalde periode niet slechts onaanzienlijke inkomsten verschaft” en dat de opgeëiste persoon rekeninghouder is van de rekening waarnaar het slachtoffer het geld heeft overgemaakt. De opgeëiste persoon heeft vervolgens delen van dit geld overgemaakt naar medeverdachten.

De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een genoegzame omschrijving van het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon bij dit feit betrokken zou zijn geweest. Een verdere omschrijving in het EAB is niet vereist. Er is sprake van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek in Duitsland. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

witwassen van opbrengsten van misdrijven;


informaticacriminaliteit;


oplichting.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 22 januari 2021 op het standpunt gesteld dat de omschrijving van de feiten in het EAB niet onder het lijstfeit ‘informaticacriminaliteit’ geschaard kan worden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit ‘informaticacriminaliteit’ niet evident tegenstrijdig is met de feitsomschrijving in het EAB. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft daarom in redelijkheid het lijstfeit aangekruist.

Oordeel van de rechtbank

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. De rechtbank toetst dus niet of de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit in redelijkheid heeft aangekruist. Van een evident onjuist aangekruist lijstfeit is in dit geval geen sprake, nog daargelaten dat de raadsman niet heeft aangevoerd dat het gaat om een feit dat naar Nederlands recht niet strafbaar is. Slechts dan zou de rechtbank immers toekomen aan de vraag of zij gebruik zou maken van de in artikel 7 OLW opgenomen facultatieve weigeringsgrond. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Augsburg voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. E. de Bie en A. Pahladsingh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam, 22 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:419. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Invordering van verkeersboeten)), punt 42.