Strafrecht overig

Onderzoek Bonsai: kinderopvangtoeslagfraude (KOT). Veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift…

Rechtbank Amsterdam, 5 april 2022

Zaakgegevens

Op 5 april 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 april 2022
Datum publicatie
6 april 2022
Zaaknummer
13-845096-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:1829
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onderzoek Bonsai: kinderopvangtoeslagfraude (KOT). Veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift, oplichting en deelneming aan een criminele organisatie tot een gevangenisstraf van 15 mnd waarvan 3 mnd voorwaardelijk. Art. 359a Sv-verweer afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-845096-17 (Promis)

Datum uitspraak: 5 april 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 10 februari 2022 en 14 februari 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. P. van Minnen en mr. L.E.M. Wösten en van wat verdachte en haar raadsman mr. S. Guman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdenking richting [verdachte] ziet op het valselijk opmaken van documenten die nodig zijn om kinderopvangtoeslag aan te vragen. Ook zou verdachte de belastingdienst opgelicht hebben omdat die op basis van onjuiste informatie kinderopvangtoeslag heeft uitgekeerd voor haar dochter. Verdachte zou verder deel uit maken van een criminele organisatie die zich bezig hield met kinderopvangtoeslagfraude.

Aan verdachte is in dat verband – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij

Feit 1:

in de periode van 4 november 2013 tot en met 2 januari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging geschriften bestemd om tot bewijs te dienen voor het ontvangen van kinderopvangtoeslag valselijk heeft opgemaakt dan wel vervalst

en/of

in de periode van 14 augustus 2013 tot en met 4 januari 2016 te Amsterdam en/of Purmerend en/of Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse dan wel vervalste geschriften bestemd om tot bewijs te dienen voor het ontvangen van kinderopvangtoeslag.

Feit 2:

in de periode van 13 februari 2014 tot en met 30 december 2016 te Arnhem en/of Heerlen, althans in Nederland, – tezamen en in vereniging –met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen – de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van geld door in strijd met de waarheid de suggestie te wekken dat zij, verdachte, recht had op kinderopvangtoeslag.

Feit 3:

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 september 2018 te Amsterdam en/of Purmerend en/of Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of ’s-Gravenhage en/of Arnhem en/of Nijmegen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en/of [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en/of [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en/of [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) welke organisatie oplichting, valsheid in geschrift en/of witwassen tot oogmerk had.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Aanleiding:

Het onderzoek met de naam ‘Bonsai’ is begonnen na een melding van het Fraudeteam van de Belastingdienst Toeslagen dat [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) bij haar aanvraag van kinderopvangtoeslag valse bewijsstukken had aangeleverd. Naar aanleiding hiervan is onderzocht welk IP-adres is gebruikt voor die aanvraag. Er bleek voor nog zeven andere personen via dit IP-adres kinderopvangtoeslag te zijn aangevraagd. Er is onderzoek naar de aanvragen van deze zeven personen gedaan en ook daarbij was in meerdere gevallen sprake van een onjuiste aanvraag waardoor onterecht kinderopvangtoeslag is uitgekeerd. Uit vervolgonderzoek is gebleken dat de aanvragen van deze zeven personen aan in totaal 23 IP-adressen zijn te koppelen. Vanaf deze 23 IP-adressen zijn in totaal voor 50 personen onjuiste aanvragen ingediend, waarbij voor ongeveer 30 personen het vermoeden bestond dat ook valse documenten waren ingestuurd.

Aan de hand van de tenaamstellingen van de IP-adressen kwamen enkele verdachten in beeld en zijn huiszoekingen gedaan. Op de laptops die zijn aangetroffen in de woningen van verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn IP-adressen aangetroffen die zijn gebruikt bij de aanvragen van kinderopvangtoeslag. Op die laptops zijn ook sporen van digitaal contact tussen de aanvragers en de Belastingdienst Toeslagen aangetroffen. Bij [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn USB-sticks met een vrijwel identieke inhoud van vermoedelijk valse bescheiden aangetroffen. Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 2] 11 DigiD-codes aangetroffen waarvan er vijf zijn te herleiden tot onjuiste aanvragen.

In de woning van [medeverdachte 1] zijn onder andere een agenda met een briefje met een inlogcode en wachtwoord aangetroffen. Tevens zijn op de telefoon en laptop van [medeverdachte 1] chatsessies met [medeverdachte 2] over kinderopvangtoeslag en betalingen aangetroffen.

Werkwijze:

Volgens de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) zijn er drie stadia waarin fraude met kinderopvangtoeslag zou zijn gepleegd. Het eerste stadium is het werven van aanvragers. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] benaderen personen en wijzen hen op de mogelijkheid om kinderopvangtoeslag aan te vragen. Zij bieden aan hen daarbij te helpen. [medeverdachte 2] wordt daarbij voorgesteld als betrouwbare belastingmedewerker of belastingadviseur. Uit het procesdossier volgt dat aanvragers [medeverdachte 2] onder verschillende namen kennen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en/of [naam 5] . Met sommige van de aanvragers onderhield [medeverdachte 2] een (seksuele) relatie.

Het tweede stadium is het indienen van de aanvraag tot kinderopvangtoeslag. Aan aanvragers werd gevraagd om hun DigiD-wachtwoord, bankgegevens en andere persoonlijke gegevens af te geven, veelal aan [medeverdachte 3] . Vervolgens werden valse bescheiden opgemaakt en bij de aanvraag gevoegd. Volgens de FIOD zou dit door [verdachte] zijn gedaan. Daarna werd de aanvraag bij de Belastingdienst Toeslagen ingediend of gewijzigd.

Het laatste stadium is de betaling. Er werd met aanvragers afgesproken welk deel van de ontvangen kinderopvangtoeslag zij moesten afdragen, aan wie zij dit moesten afdragen en hoe zij dit moesten betalen. Een aantal bedragen hiervan zijn overgemaakt op de bankrekening van [medeverdachte 1] .

3 Artikel 359a Sr verweer

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – in aansluiting op het standpunt van mr. M.J.R. Roethof in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] – op het standpunt gesteld dat artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is geschonden. Op basis van het door het Openbaar Ministerie verstrekte procesdossier bestaat te veel onduidelijkheid over de bruikbaarheid van de startgegevens waardoor er niet kan worden gesproken van een eerlijk proces. Uit het procesdossier valt niet af te leiden op welke basis aanvrager [persoon 1] is geselecteerd, zodat niet kan worden uitgesloten dat dit is gebeurd op basis van discriminatoire algoritmes. De naam [persoon 1] is een bekende Surinaamse naam. Gelet op het feit dat – indien er sprake is geweest van een selectie op basis van discriminatoire algoritmes – het een ernstige schending betreft en er tevens sprake is van een direct causaal verband tussen het geschonden voorschrift en het verkregen bewijsmateriaal, moet er in dit geval op grond van art. 359a lid 1 onder b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) worden overgegaan tot uitsluiting van het bewijs dat door middel van het onrechtmatige, niet onafhankelijke en niet onpartijdige onderzoek is verkregen. Bij de beoordeling van de (omvang van de) ernst van het verzuim moet daarnaast ook betrokken worden dat de opsporingmethode op basis van discriminatoire algoritmes kennelijk gedurende vele jaren structureel werd toegepast in Nederland. Een structurele schending is extra reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan. De consequentie hiervan is dat verdachte moet worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt voorop dat in beginsel alleen vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek kunnen leiden tot rechtsgevolgen in een strafzaak. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat een rechtsgevolg ook op zijn plaats is indien het vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (de voorfase).

Wat betreft die voorfase verwijst het Openbaar Ministerie naar de brief ‘Openbaarmaking risicoclassificatiemodel Toeslagen’ van 26 november 2021 van de staatssecretaris waarin de werkwijze van de Belastingdienst Toeslagen uiteen wordt gezet. Wat uit die brief in ieder geval kan worden afgeleid is dat er met algoritmes werd gewerkt bij de Belastingdienst Toeslagen en dat op basis van meerdere indicatoren werd gekomen tot een risico-score per aanvraag. Scoorde een aanvraag hoog, dan liep die aanvraag meer kans om gecontroleerd te worden. Over de wenselijkheid van de gehanteerde indicatoren is veel politiek debat gevoerd. Zeker bijvoorbeeld over een indicator op het gebied van nationaliteit. [persoon 1] had in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en in dat geval werd er door de Belastingdienst Toeslagen geen nadere selectie gemaakt op het bestaan van een eventuele tweede nationaliteit bij de selectie van het controleren van de aanvragen kinderopvangtoeslag. De keuze om de aanvraag van [persoon 1] te controleren had dus niet te maken met haar afkomst.

Voor zover er al sprake zou zijn geweest van een vormverzuim in de voorfase door toepassing van de selectiemethodiek zoals beschreven in de brief van de staatssecretaris, dan geldt bovendien dat dit is begaan in het onderzoek tegen verdachte [persoon 1] . In de zaak van verdachte zou dit dus niet kunnen leiden tot enig rechtsgevolg.

Ook indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er wel sprake is van een vormverzuim in het onderzoek tegen verdachte dan kan dit desondanks niet tot een rechtsgevolg leiden, omdat het niet verdachten zijn die door het vormverzuim in het belang zijn geschaad dat de overtreden norm beoogt te beschermen. De norm beoogt een aanvrager van kinderopvangtoeslag te beschermen tegen controle op basis van discriminatoire gronden. Verdachten kwamen pas in beeld na een in ieder geval rechtmatig verlopen strafrechtelijk onderzoek.

De tweede reden dat een eventueel vormverzuim op dit punt nooit tot een rechtsgevolg kan leiden in de strafzaken tegen verdachten, is dat deze verdachten geen rechtens te respecteren nadeel van het betreffende vormverzuim hebben ondervonden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv, waardoor bewijsuitsluiting zou moeten volgen.

Beoordelingskader

De toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek. Volgens artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het (strafrechtelijk) onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling op de zitting. Het voorbereidend onderzoek in artikel 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte over het aan hem/haar ten laste gelegde feit waarover de rechtbank heeft te oordelen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling tegen verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Als algemene overkoepelende maatstaf hiervoor geldt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn, indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van de voorfase.

Controle door de Belastingdienst

In de brief van de staatssecretaris van 26 november 2021 wordt de werkwijze van het risicoclassificatiemodel Toeslagen (hierna: het model) uiteengezet. De focus van Toeslagen bij de Belastingdienst lag vanaf 2013 op het tegengaan van oneigenlijk gebruik en op het voorkomen van hoge terugvorderingen, zeker als een hoge terugvordering tot een naar verwachting grote impact voor de aanvrager leidde. Het model werd tussen april 2013 en november 2019 binnen Toeslagen gebruikt om te selecteren welke nieuwe aanvragen of wijzigingen in bestaande toeslagaanvragen voor een handmatige behandeling in aanmerking kwamen. In het rapport ‘De verwerking van de nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag’ is in juli 2020 geconstateerd dat er met selectie op basis van nationaliteit in het model sprake is van een overtreding. Deze verwerking was niet noodzakelijk omdat er minder vergaande mogelijkheden voorhanden waren. Deze overtreding is door de Autoriteit Persoonsgegevens als discriminerend en daarmee onbehoorlijk aangemerkt.

Werkwijze Belastingdienst

Medewerkers van Toeslagen ontwikkelden het model in 2013 aan de hand van een set risico-indicatoren en op basis van voorbeelden van juiste en onjuiste toeslagaanvragen. Door het model te voeden met duizenden voorbeelden van handmatig behandelde aanvragen, herkende het model statistische verbanden tussen indicatoren en voorspelde het model op basis daarvan hoe groot het risico was op onjuistheden in de toeslagaanvragen. Het model werd daarmee in de loop van de tijd aangepast en het model leerde welke posten (on)terecht van een hoge risicoscore waren voorzien. Elke maand kregen de toeslagaanvragen die in het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) klaar stonden voor ‘formeel beschikken’ een risicoscore van 0 tot 1. De meest risicovolle aanvragen kregen een risicoscore dicht bij 1 en de minst risicovolle aanvragen een risicoscore dicht bij 0. De indicatoren voor de kinderopvangtoeslag zagen op de situatie van de opvang (soort opvang zoals gastouder of buitenschoolse opvang, afstand tussen woon- en opvangadres) en op de situatie van de aanvrager (zoals inkomen, toeslagschulden, partner of alleenstaand, leeftijd en aantal kinderen). Het model heeft gebruik gemaakt van de indicator ‘Nederlanderschap Ja/Nee’. Deze indicator was in het model opgenomen, vanwege enerzijds fraude via toeslagaanvragers zonder Nederlandse nationaliteit die in dezelfde periode als de ontwikkeling van het model speelde en anderzijds omdat medewerkers van Toeslagen de ervaring hadden dat toeslagaanvragers zonder Nederlandse nationaliteit soms moeite hadden met het aanvragen van toeslagen en er vaker fouten in hun toeslagaanvragen werden aangetroffen. Deze indicator gaf een 'Ja' gaf als de aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezat, ook als daarnaast sprake was van nog een andere nationaliteit. Dus ongeacht of er sprake was van meerdere nationaliteiten, iemand met alleen de Nederlandse nationaliteit werd exact hetzelfde gescoord als iemand met een Nederlandse en andere nationaliteit.

Beoordeling door rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er meerdere indicatoren voor de Belastingdienst Toeslagen waren om te bepalen of een aanvraag al dan niet als risicovol moest worden aangemerkt. De raadsvrouw van medeverdachte [medeverdachte 3] heeft aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat hierbij geen sprake was van discriminatie. De raadsman van [verdachte] heeft zich hierbij aangesloten.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aanvrager [persoon 1] in ieder geval de Nederlandse nationaliteit had. Volgens de hiervoor omschreven werkwijze van de Belastingdienst Toeslagen werd in dat geval niet verder geselecteerd op een eventuele tweede nationaliteit en was er daarmee op dit vlak geen sprake van een risico-indicatie. Verder was [persoon 1] een alleenstaande moeder, had zij een inkomen onder de € 20.000,- per jaar en schulden en was er sprake van een aanvraag waarop veel opvanguren stonden. Dit zijn indicatoren die ervoor zorgen dat een aanvrager een hogere risicoscore ontving en de rechtbank acht het aannemelijk dat de aanvraag van [persoon 1] om die reden nader is bekeken door de afdeling Toeslagen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat discriminatoire, indicatoren zoals haar Surinaamse naam of uiterlijke kenmerken daarbij een rol hebben gespeeld. Van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook niet gebleken zodat er geen aanleiding bestaat tot bewijsuitsluiting over te gaan. Voor het doen van nader onderzoek ziet de rechtbank, bij gebrek aan aanknopingspunten daarvoor, ook na navraag door de officieren van justitie, evenmin aanleiding. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Kinderopvangtoeslag

Om ouders in de gelegenheid te stellen om werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen, te weten de Wet Kinderopvang (WKO). Deze wet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en regelt onder andere het recht op kinderopvangtoeslag. Om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag, houdt de Belastingdienst Toeslagen rekening met een aantal omstandigheden. Zo moet de kinderopvangtoeslag worden aangevraagd door of namens de ouder(s), moet het kind naar een geregistreerde kinderopvangorganisatie gaan, dienen de ouders te werken of een reïntegratietraject te volgen, is de hoogte van de toeslag afhankelijk van het inkomen van de ouder(s) en is de hoogte van de toeslag afhankelijk van het aantal opvanguren, het uurtarief en het soort opvang dat plaatsvindt.

De kinderopvangtoeslag werkt op basis van een maandelijks voorschot dat door de Belastingdienst Toeslagen wordt verstrekt. Het voorschot wordt berekend op basis van de inschatting van de kosten voor kinderopvang en het inkomen van de ouder(s). De kinderopvangtoeslag kan ook met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Nadat een aanvraag is ingediend, loopt deze het daarop volgende jaar automatisch door en hoeft er geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.

Bij de aanvrager ligt de verplichting om een wijziging van het inkomen of een wijziging in het aantal uren kinderopvang, door middel van een wijzigingsformulier aan de Belastingdienst Toeslagen door te geven. Tevens dient een aanvrager na afloop van een kalenderjaar gegevens door te geven aan de Belastingdienst Toeslagen waaruit onder meer blijkt hoeveel uren kinderopvang er dat kalenderjaar zijn genoten, waarna de kinderopvangtoeslag definitief wordt vastgesteld. Ter controle van deze definitieve vaststelling schrijft de Belastingdienst Toeslagen achteraf steekproefsgewijs aanvragers aan met het verzoek om de door hen daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten te onderbouwen. Aanvragers moeten hiervoor een ingevuld antwoordformulier retourneren aan de Belastingdienst Toeslagen, met bijgevoegd een jaaropgave van de gemaakte kinderopvangkosten.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrifte

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift in de periode van 4 november 2013 tot en met 2 januari 2017. De acht geschriften genoemd op de tenlastelegging waren vals opgemaakt nu het zelf opgemaakte en in elkaar geknutselde geschriften betreft en geen bestaande geschriften waaraan iets is veranderd, toegevoegd of verwijderd

Feit 2: Oplichting

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting in de periode van 13 februari 2014 tot en met 30 december 2016.

Feit 3: Deelname criminele organisatie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrifte

De raadsman stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Uit het procesdossier blijkt niet dat [verdachte] valse documenten heeft geproduceerd en gebruikt. Het aantreffen van documenten op een USB-stick is hiervoor onvoldoende. Er kan niet op grond van wettige bewijsmiddelen buiten twijfel worden vastgesteld dat de acht ten laste gelegde documenten op de USB-stick zijn geplaatst of hebben gestaan op een moment dat cliënte over die USB-stick de beschikking had. Er kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] de USB-stick met bestanden heeft verworven en/of in bezit heeft gehad op of na 4 november 2013. Zij heeft niet altijd de beschikking gehad over de USB-stick alsmede over haar laptop. De laptop en de USB-stick waren voor eenieder toegankelijk. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] alle USB-sticks en computers tot zijn beschikking heeft gehad. Ook gezien de inhoud van een chatbericht tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] kan niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier gevonden dat er tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] zou zijn overlegd over valse documenten. De inhoud van het chatgesprek is summier en vatbaar voor verschillende interpretaties. Er is misbruik gemaakt van de computer en USB-stick van [verdachte] maar ook van haar IP-adres. Er is voorts geen enkel causaal verband tussen het curriculum vitae van [verdachte] en het onder feit 1 ten laste gelegde.

Feit 2: Oplichting

De raadsman stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. De dochter van [verdachte] heeft wel degelijk kinderopvang genoten. Uit het procesdossier volgt onvoldoende dat [verdachte] betrokken was bij handelingen die waren gericht op het bewegen van de Belastingdienst Toeslagen tot afgifte van geld. Daarnaast is er ook geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

Feit 3: Deelname criminele organisatie

De raadsman stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde. Er is onvoldoende bewijs dat [verdachte] een gestructureerd samenwerkingsverband is aangegaan met anderen. Ook ontbreekt de context waarbinnen een chat met [medeverdachte 2] is gevoerd en wordt de chat niet ondersteund door concrete gedragingen of ander bewijsmateriaal. Uit dit chatgesprek kan ook niet worden afgeleid dat met een gezamenlijk crimineel oogmerk, ofwel met een gemeenschappelijke doelstelling om snel zo veel mogelijk geld te verdienen, is gehandeld.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrifte

Om te kunnen beoordelen of feit 1 bewezen kan worden beantwoordt de rechtbank de volgende vragen:

Zijn de in de tenlastelegging genoemde stukken vals of vervalst?

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat de onder feit 1 van de tenlastelegging genoemde en bij de Belastingdienst Toeslagen ingediende stukken bij de Belastingdienst Toeslagen vals en/of vervalst zijn. Uit de controle van de Belastingdienst Toeslagen blijkt dat kinderopvanginstellingen de kinderen van de aanvragers niet kennen, er geen opvang is afgenomen of het aantal uren naar boven toe is aangepast waardoor ten onrechte kinderopvangtoeslag is uitgekeerd of dit is geprobeerd. De jaaropgave, het jaaroverzicht en de mutatieoverzichten kunnen op basis van een bestaand document zijn aangepast waardoor niet valt uit te sluiten dat deze stukken vervalst zijn in plaats van vals.

Zijn het geschriften met een bewijsbestemming?

De rechtbank stelt vast dat de geschriften die worden genoemd in het onder feit 1 ten laste gelegde een bewijsbestemming hebben. Plaatsingsovereenkomsten, jaaropgaven, jaaroverzichten en mutatieoverzichten hebben naar hun aard een bewijsbestemming in het maatschappelijk verkeer. Zij zijn nodig ter onderbouwing van het aanvragen van kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst Toeslagen. De geschriften zijn ingediend bij en ontvangen door de Belastingdienst Toeslagen ten behoeve van een aanvraag kinderopvangtoeslag.

Heeft [verdachte] de op de tenlastelegging genoemde stukken, al dan niet met een ander of anderen, vervalst of valselijk opgemaakt?

In de woning van [verdachte] is een USB-stick en een laptop aangetroffen. Op de USB-stick en op de laptop staan (ver)vals(t)e stukken die worden genoemd in het onder feit 1 ten laste gelegde. Deze documenten zijn ook aangetroffen op een USB-stick bij [medeverdachte 2] . Het gaat hierbij om bijvoorbeeld de plaatsingsovereenkomst van aanvrager [persoon 2] , aanvrager [persoon 4] en een jaaropgave van aanvrager [persoon 3] zonder handtekening en logo. Op de USB-stick bij [verdachte] – en niet bij die van [medeverdachte 2] – is ook een bankrekeningoverzicht van aanvrager [persoon 5] aangetroffen.

Vanaf diverse IP-adressen die zijn aangetroffen op de laptop van [verdachte] is gekeken op de Mijn Toeslagensite van meerdere aanvragers en zijn aanvragen en wijzigingen kinderopvangtoeslag naar de Belastingdienst Toeslagen verstuurd. Hiervoor zijn DigiD-codes nodig.

[verdachte] heeft alle betrokkenheid bij het opstellen/wijzigen dan wel indienen van de Belastingdienst Toeslagen ontkend. [verdachte] zegt dat de computer en de USB-sticks door een ander werden gebruikt. Uit een chatgesprek blijkt echter dat zij [medeverdachte 2] verzoekt om een USB-stick aan haar terug te geven. Dit duidt erop dat zij wel degelijk gebruik maakt van de USB-sticks. Uit een ander chatgesprek volgt dat zij met [medeverdachte 2] communiceert over aantallen en geldbedragen voor de opvang bij [persoon 6] . Deze bedragen en aantallen komen overeen met de gegevens die zijn gebruikt voor valse documenten die zijn aangetroffen op de USB-sticks en die betrekking hebben op aanvrager Weidum. Daarnaast zijn de aanvragen ten behoeve van het kind van [verdachte] – ten laste gelegd onder feit 2 – ook via het IP-adres dat op de laptop is aangetroffen bij [verdachte] , ingediend. Ook staat haar naam vermeldt als auteur bij de geschriften die zijn aangetroffen op de laptop. Een digitale map op de computer van [medeverdachte 2] , waarin valse geschriften zijn aangetroffen, draagt [verdachte] voornaam, terwijl er ook een map met [medeverdachte 2] voornaam is aangemaakt. De rechtbank vindt op grond van al deze omstandigheden tezamen bewezen dat [verdachte] degene is die de stukken vals heeft opgemaakt en/of vervalst.

Heeft [verdachte] opzettelijk gebruik gemaakt van de valse/vervalste geschriften?

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] – samen met [medeverdachte 2] – opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de valse en vervalste geschriften, als waren deze echt en onvervalst. [verdachte] heeft deze geschriften – in vereniging – doelbewust opgesteld of gewijzigd zodat kinderopvangtoeslag kon worden aangevraagd voor de aanvragers.

Is er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking?

De rechtbank stelt vast dat er sprake is geweest van een nauwe bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] . De USB-sticks met valse stukken die bij [medeverdachte 2] en bij [verdachte] zijn aangetroffen, zijn nagenoeg identiek. In een chatgesprek spreken zij erover dat [verdachte] de USB-stick, die kennelijk in het bezit van [medeverdachte 2] was, terug wil hebben. Ook overleggen zij in een chatgesprek over welke gegevens op een document moeten worden vermeld. Daarmee is er sprake van medeplegen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] zich in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen en/of valselijk opmaken van geschriften en het gebruik maken van deze geschriften.

Feit 2: Oplichting

Zijn de in de tenlastelegging genoemde stukken vals of vervalst?

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat de stukken die bij de Belastingdienst Toeslagen zijn ingediend voor de dochter van [verdachte] vals of vervalst zijn. [kinderopvang 1] heeft gemeld dat de dochter van [verdachte] geen opvang heeft genoten bij [kinderopvang 1] . Bij [kinderopvang 2] heeft de dochter van [verdachte] tot en met 28 februari 2012 opvang gehad en dus niet in de tenlastegelegde periode.

[verdachte] heeft zelf verklaard dat haar dochter wel naar [kinderopvang 2] ging en de opvang nooit is stopgezet. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, alleen al omdat de aanvraag met betrekking tot [kinderopvang 2] waarop de tenlastelegging ziet een nieuwe aanvraag betreft en [verdachte] moet hebben gezien dat er ten onrechte grote bedragen kinderopvangtoeslag binnenkwamen op haar bankrekening.

Heeft [verdachte] deze stukken gebruikt om de Belastingdienst Toeslagen op te lichten?

De rechtbank is van oordeel dat – zoals onder feit 1 al is overwogen – dat [verdachte] degene is geweest die deze stukken heeft vervalst of valselijk opgemaakt. Het betreffen hier stukken die zijn gebruikt bij de aanvragen van [verdachte] zelf. Nu de stukken betrekking hebben op de dochter van [verdachte] gaat de rechtbank er vanuit dat zij dit heeft gedaan met het oogmerk om zichzelf te bevoordelen. Hierbij heeft [verdachte] een valse hoedanigheid aangenomen door zich voor te doen als iemand die recht had op kinderopvangtoeslag. Ook is de Belastingdienst Toeslagen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels opgelicht. Het gaat om valse of vervalste stukken en door een combinatie van deze geschriften en onjuiste antwoordformulieren was er sprake van een opeenstapeling van leugens. Op basis van die stukken is de Belastingdienst daadwerkelijk overgegaan tot betaling van in totaal ongeveer

€ 28.107,- .

Conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 2, waarbij [verdachte] gedeeltelijk wordt vrijgesproken van het aannemen van een valse naam, nu ze zowel haar eigen naam als die van haar dochter heeft gebruikt voor de aanvraag.

Feit 3: Deelname criminele organisatie

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de feiten 1 en 2 die in bijlage II zijn opgenomen en naar de bewijsoverwegingen die hier onder volgen.

Beoordelingskader

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet sprake zijn (geweest) van een organisatie met als doel het plegen van misdrijven Het moet gaan om een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming aan de organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit de wetenschap van dat doel.

Organisatie

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij de deelnemers het doel hadden kinderopvangtoeslagfraude te plegen. De opbrengsten werden vervolgens witgewassen. Daarmee zijn dus de delicten oplichting, valsheid in geschrift en witwassen gepleegd.

Binnen het samenwerkingsverband speelden de verschillende verdachten ieder een eigen rol. [verdachte] was degene die de geschriften vervalste of valselijk opmaakte zodat er kinderopvangtoeslag kon worden aangevraagd voor aanvragers die hier geen recht op hadden. [verdachte] had hierbij de beschikking over persoonlijke gegevens van deze aanvragers. [verdachte] lijkt zich niet actief met het verkrijgen van gegevens van de aanvragers te hebben bemoeid, maar er zijn wel vele documenten op haar laptop en op een USB-stick in haar woning aangetroffen. Daarnaast is er vanaf de laptop van verdachte ingelogd met de gegevens van de aanvragers. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er meer mensen betrokken waren bij de organisatie. [verdachte] had dus het opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, op deelname aan de organisatie. Daarvoor is niet vereist dat [verdachte] de anderen persoonlijk kende of wist hoe veel mensen er aan de organisatie deelnamen. [verdachte] wist ook wat het oogmerk van de organisatie was. Ook zelf had zij voor haar dochter een valse aanvraag ingediend voor kinderopvangtoeslag. Door de organisatie zijn gedurende een lange periode misdrijven gepleegd en [verdachte] heeft daarbij een substantiële rol vervuld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte]

Feit 1:

omstreeks de periode van 4 november 2013 (V02-DOC-340, p. 5) tot en met 2 januari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander geschriften, te weten:

  1. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 3] en [persoon 7] gedateerd 27 juni 2013 voor opvang van [persoon 8] (A24-DOC-022/V02-DOC-340) en

  2. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 4] en [persoon 9] voor opvang van [persoon 10] (Al4-DOC-019/V02-DOC-095) en

  3. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 5] en [persoon 2] voor opvang van [persoon 11] (A19-DOC-007/V02-DOC-296) en

  4. een jaaropgave 2014 m.b.t. [persoon 12] van [persoon 13]

(A09-DOC-002, p. 3/V02-DOC-173) en

5. een mutatieoverzicht van bankrekening met nummer [nummer 4] t.n.v. [persoon 4] met afschrijvingen t.b.v. [kinderopvang 6]

(A10-DOC-013/V02-DOC-021) en

6. een jaaroverzicht 2015 m.b.t. [persoon 14] van [kinderopvang 7]

(A29-DOC-011/V02-DOC-141) en

7. een mutatieoverzicht van bankrekening met nummer [nummer 1]

t.n.v. [persoon 5] met afschrijvingen t.b.v. [kinderopvang 4] (A28-DOC-019/A21-DOC-056) en

8 een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 8] en [persoon 15] gedateerd 22 december 2015 voor dagopvang van [persoon 16] (A16-DOC-003/V02- DOC-136)

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat verdachte en haar mededader op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid heeft vermeld dat

ad 1. [persoon 8] vanaf 1 juli 2013 buitenschoolse opvang zou genieten bij [kinderopvang 3] en/of

ad 2. [persoon 10] vanaf 29 januari 2014 buitenschoolse opvang zou genieten bij [kinderopvang 4] , locatie [locatie 1] en/of

ad 3. [persoon 17] vanaf 2 juli 2014 opvang zou genieten bij [kinderopvang 5] , locatie [locatie 2] en/of

ad 4. [persoon 12] in 2014 gedurende 1170 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 6.282,90 euro en/of

ad 5. [persoon 4] in de periode van 5 september 2015 tot en met 4 januari 2016 vijf keer 140 euro heeft overgemaakt naar bankrekening met nummer [nummer 2] t.n.v. [kinderopvang 6] en/of

ad 6. [persoon 18] in 2015 gedurende 537,6 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 3.601,92 euro en/of

ad 7. [persoon 5] in de periode van 25 januari 2016 tot en met 26 november 2016 negen keer 1.548,70 euro en twee keer 1.698,70 euro heeft overgemaakt naar bankrekening met nummer [nummer 3] 19 t.n.v. [kinderopvang 4] en/of

ad 8. [persoon 16] vanaf 4 januari 2016 dagopvang zou genieten bij [kinderopvang 8]

telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken

en

omstreeks de periode van 14 augustus 2013 tot en met 2 januari 2017 te Amsterdam en/of Purmerend en/of Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk van een vals en/of vervalst

geschrift gebruik heeft gemaakt en afgeleverd en voorhanden heeft gehad, immers heeft verdachte en/of haar mededader

1. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 3] en [persoon 7] gedateerd 27 juni 2013 voor opvang van [persoon 8] (A24-DOC-022/V02-DOC-340) en

2. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 4] en [persoon 9] voor opvang van [persoon 10] (A14-DOC-019/V02-DOC-095) en

3. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 5] en [persoon 19] voor opvang van [persoon 20] (A19-DOC-007/V02-DOC-296) en

4. een jaaropgave 2014 m.b.t. [persoon 12] van [persoon 13]

(A09-DOC-002, p. 3/V02-DOC-173) en

5. een mutatieoverzicht van bankrekening met nummer [nummer 4]

t.n.v. [persoon 4] met afschrijvingen t.b.v. [kinderopvang 6] (A10- DOC-013/V02-DOC-021) en

6. een jaaroverzicht 2015 m.b.t. [persoon 14] van [kinderopvang 7] (A29-DOC-011/V02-DOC-141) en

7. een mutatieoverzicht van bankrekening met nummer [nummer 1]

t.n.v. [persoon 5] met afschrijvingen t.b.v. [kinderopvang 4] (A28-DOC-019/A21-DOC-056) en/of

8. een plaatsingsovereenkomst tussen [kinderopvang 8] en [persoon 15] gedateerd 22 december 2015 voor dagopvang van [persoon 16] (A16-DOC-003/V02- DOC-136)

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat

ad 1. [persoon 8] vanaf 1 juli 2013 buitenschoolse opvang zou genieten bij [kinderopvang 3] en/of

ad 2. [persoon 10] vanaf 29 januari 2014 buitenschoolse opvang zou genieten bij [kinderopvang 4] , locatie [locatie 1] en/of

ad 3. [persoon 11] vanaf 2 juli 2014 opvang zou genieten bij [kinderopvang 5] , locatie [locatie 2] en/of

ad 4. [persoon 12] in 2014 gedurende 1170 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 6.282,90 euro en/of

ad 5. [persoon 4] in de periode van 5 september 2015 tot en met 4 januari 2016 vijf keer 140 euro heeft overgemaakt naar bankrekening met nummer [nummer 5] 22 t.n.v. [kinderopvang 6] en/of

ad 6, [persoon 18] in 2015 gedurende 537,6 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 3.601,92 euro en/of

ad 7. [persoon 5] in de periode van 25 januari 2016 tot en met 26 november 2016 negen keer 1.548,70 euro en twee keer 1.698,70 euro heeft overgemaakt naar bankrekening met nummer [nummer 3] 19 t.n.v. [kinderopvang 4] en/of

ad 8. [persoon 16] vanaf 4 januari 2016 dagopvang zou genieten bij [kinderopvang 8]

en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren en/of voorhanden hebben hieruit dat verdachte en/of haar mededader die geschriften in bezit heeft gehad en (vervolgens) heeft verzonden naar de Belastingdienst Toeslagen te Heerlen, terwijl verdachte en haar mededader wisten, dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware die echt en onvervalst;

Feit 2:

omstreeks de periode van 13 februari 2014 tot en met 30 december 2016 te Amsterdam en Heerlen, althans in Nederland, met het oogmerk om zich te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van geld, immers heeft verdachte - ter verkrijging van kinderopvangtoeslag – geschriften en/of documenten bij de Belastingdienst ingediend, te weten

- valselijk opgemaakte en/of vervalste elektronische aanvragen en/of wijzigingen kinderopvangtoeslag en formulieren gegevens kinderopvang inhoudende dat

[persoon 21] (BSN 260070944) met ingang van 1 januari 2014 gedurende 146 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 2] (A21-DOC-001) en

[persoon 21] (BSN 260070944) met ingang van 29 september 2014 gedurende 137 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 1] (A21-DOC-002) en

- een valselijk opgemaakt en/of vervalst (ingevuld en ondertekend) verzoek aanvullende informatie (A21-DOC-004) inclusief bijlagen (A21-DOC-005 t/m A21-DOC-014) en

- een valselijk opgemaakt en/of vervalst (ingevuld en ondertekend) antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2014 (A21-DOC-015) inclusief bijlagen (A21-DOC-16 en A21- DOC-17) en/of

- een valselijk opgemaakt en/of vervalst (ingevuld en ondertekend) antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2015 (A21-DOC-018) inclusief bijlage (A21-DOC-019)

waardoor verdachte telkens de suggestie heeft gewekt dat zij, verdachte, recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen tot een geldbedrag(en) van in totaal circa 28.107 euro (A21-DOC-029);

Feit 3:

omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 september 2018 te Amsterdam en/of Purmerend en/of Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of 's-Gravenhage en/of Arnhem en/of Nijmegen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (artikel 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd om [verdachte] te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden voor de door haar bewezen geachte feiten. Ten aanzien van feit 1 is er sprake van eendaadse samenloop ten aanzien van de valsheid en het gebruiken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, als er al een straf moet volgen, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en het ontbreken van een relevant strafblad. [verdachte] is een alleenstaande moeder van een minderjarige dochter. De raadsman heeft verzocht om aan [verdachte] geen straf of een voorwaardelijke straf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

[verdachte] en haar mededaders hielden zich op grote schaal bezig met het valselijk opmaken van stukken en indienen van aanvraag- en wijzigingsformulieren kinderopvangtoeslag en hebben de verkregen gelden vervolgens witgewassen. Hierdoor hebben [verdachte] en haar mededaders misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst Toeslagen, waarvan het doel is miljoenen ouders op een zo efficiënt mogelijke manier financieel te ondersteunen als zij gebruik maken van kinderopvang. Door dit soort vormen van oplichting is de Belastingdienst Toeslagen genoodzaakt geld en tijd te steken in modellen en manieren om fraude te bestrijden. De Belastingdienst is bovendien gedurende een lange periode voor honderdduizenden euro’s opgelicht. Dat is gemeenschapsgeld dat niet voor [verdachte] en haar mededaders was bestemd.

Samenloop

De rechtbank is van oordeel dat artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank hier in voor verdachte positieve zin rekening mee.

Uitgangspunten voor de strafoplegging

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf kijkt de rechtbank onder meer naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij fraude wordt het oriëntatiepunt bepaald door de hoogte van het benadelingsbedrag. Voor een benadelingsbedrag (van de criminele organisatie) tussen de € 500.000,- en € 1.000.000,- geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden als oriëntatiepunt.

Rol van de [verdachte]

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een substantiële intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de kinderopvangtoeslagfraude. In tegenstelling tot sommige van haar vrouwelijke medeverdachten was [verdachte] betrokken bij alle aanvragen en had zij dus zicht op de omvang van de totale fraude. Zij heeft hier willens en wetens een belangrijke rol in gespeeld door met haar computer-vaardigheden en kennis van het sociale domein, stukken te manipuleren. [verdachte] heeft op geen enkele wijze verantwoording genomen voor haar daden. De rechtbank kan niet vaststellen hoeveel voordeel [verdachte] zelf heeft genoten. Vast staat in ieder geval dat zij zelf ten onrechte een bedrag van € 28.107,- aan kinderopvangtoeslag heeft ontvangen.

Persoon van de verdachte

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met haar persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de omstandigheid dat zij de zorg draagt voor een minderjarige dochter. Er is bij [verdachte] geen sprake van eerdere veroordelingen voor strafbare feiten waarmee rekening moet worden gehouden.

Overschrijding van de redelijke termijn

In strafverminderende zin houdt de rechtbank eveneens rekening met het gegeven dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens jurisprudentie is de redelijkheid van de duur onder andere afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak (de omvang van het onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten), de invloed van de verdediging en de voortvarendheid van het opsporingsonderzoek. De rechtbank is van oordeel dat deze bijzondere omstandigheden ook in de zaak van [verdachte] aanwezig zijn, nu er sprake is van een omvangrijk onderzoek tegen meerdere verdachten, het onderzoek op 10 mei 2021 is gesloten en er een eindproces-verbaal is opgemaakt

De rechtbank zal om die reden uitgaan van een redelijke termijn van drie jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat ten aanzien van verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging kon worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 5 september 2018. Dit is de dag waarop [verdachte] voor het eerst als verdachte is gehoord. Ten tijde van het wijzen van dit vonnis is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van zeven maanden.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de feiten en de substantiële rol van [verdachte] bij deze feiten kan niet worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen om [verdachte] ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de algemene voorwaarde dat [verdachte] gedurende de proeftijd geen strafbaar feit pleegt.

9 Beslag

Onder [verdachte] is het volgende in beslaggenomen:

1. STK Administratie, diverse brieven van Toeslagen mbt KOT

2. 1.00 STK Administratie, facturen dure luxe voorwerpen

3. 1.00 STK Computer, laptop Asus SonicMaster R556L

4. 1.00 STK USB-stick (memorykaart), USB stick Bsixl6

5. 1.00 STK Administratie, diverse brieven en Toeslagen

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de administratie die onder de nummers 1, 2 en 5 in beslag is genomen retour kan naar [verdachte] . De gegevensdragers die onder de nummers 3 en 4 zijn in beslag genomen dienen verbeurd te worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle onder [verdachte] in beslag genomen voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan [verdachte] . De computer en de USB-stick kunnen opgeschoond worden.

De rechtbank is – met het Openbaar Ministerie en de raadsman – van oordeel dat de administratie die onder de nummers 1, 2 en 5 in beslag is genomen retour kan naar [verdachte] . Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de onder de nummers 3 en 4 in beslaggenomen gegevensdragers voorwerpen zijn met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan of voorbereid, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 140, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

Eendaadse samenloop van

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift is bestemd voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

Feit 2: oplichting, meermalen gepleegd

Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Administratie, diverse brieven van Toeslagen mbt KOT

2. 1.00 STK Administratie, facturen dure luxe voorwerpen

5. 1.00 STK Administratie, diverse brieven en Toeslagen

Verklaart verbeurd:

3. 1.00 STK Computer, laptop Asus SonicMaster R556L

4. 1.00 STK USB-stick (memorykaart), USB stick Bsixl6

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mr. C. Huizing-Bruil en mr. J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2022.

Mr. C. Huizing-Bruil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] , onderzoek: 61317 Bonsai / 61781, documentcode A-18-V01, pagina 5889. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.