Strafrecht overig
Onderzoek Bonsai: kinderopvangtoeslagfraude (KOT). Veroordeling voor het medeplegen van oplichting, witwassen…
Rechtbank Amsterdam, 5 april 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:1832 · Rechtbank Amsterdam · 5 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2022-1832
Zaakgegevens
Op 5 april 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 april 2022
- Datum publicatie
- 6 april 2022
- Zaaknummer
- 13-845101-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1832
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Bonsai: kinderopvangtoeslagfraude (KOT). Veroordeling voor het medeplegen van oplichting, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie tot een voorwaardelijke GEV van 3 maanden en een TS van 240 uur. Art. 359a Sv-verweer afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13-845101-17 (Promis)
Datum uitspraak: 5 april 2022
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[geboorteplaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 10 februari 2022 en 14 februari 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. P. van Minnen en mr. L.E.M. Wösten en van wat de raadsman van verdachte, mr. B.J. Schadd naar voren hebben gebracht. Verdachte was zelf niet op de zitting aanwezig.
2 Tenlastelegging
De verdenking richting [verdachte] (verdachte) ziet op het oplichten van de Belastingdienst omdat die op basis van onjuiste informatie kinderopvangtoeslag heeft uitgekeerd. Ook zou verdachte geld dat daarbij verdiend is hebben witgewassen. Verder zou verdachte deel uit maken van een criminele organisatie die zich bezig hield met kinderopvangtoeslagfraude.
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij
Feit 1
in de periode van 28 maart 2013 te Arnhem en/of Heerlen – tezamen en in vereniging – met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen de Belastingdienst heeft bewogen tot afgifte van circa € 89.388,- (totaal) en het teniet doen van een inschuld van in totaal ongeveer € 2.672,-
en/of
[medeverdachte 1] in de periode van 28 maart 2013 tot en met 21 november 2016 te Arnhem en/of Heerlen – tezamen en in vereniging – met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen – de Belastingdienst heeft bewogen tot afgifte van circa € 89.388,- (totaal) en/of het teniet doen
van een inschuld van in totaal ongeveer € 2.672,- waarbij verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door gegevens te verstrekken aan [medeverdachte 1] .
Feit 2 – primair:
in de periode van 21 mei 2013 tot en met 12 juli 2018 te Arnhem – tezamen en in vereniging – een geldbedrag van ongeveer € 36.881,- euro heeft witgewassen
Subsidiair ten laste gelegd als schuldwitwassen van voornoemd bedrag.
Feit 3:
In de periode van 24 september 2012 tot en met 10 juli 2018 te Amsterdam/Purmerend/Wormerveer/’s-Gravenhage/Arnhem/Nijmegen samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die oplichting, valsheid in geschrift en/of witwassen tot oogmerk had.
De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Aanleiding:
Het onderzoek met de naam ‘Bonsai’ is begonnen na een melding van het Fraudeteam van de Belastingdienst Toeslagen dat [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) bij haar aanvraag van kinderopvangtoeslag valse bewijsstukken had aangeleverd. Naar aanleiding hiervan is onderzocht welk IP-adres is gebruikt voor die aanvraag. Er bleek voor nog zeven andere personen via dit IP-adres kinderopvangtoeslag te zijn aangevraagd. Er is onderzoek naar de aanvragen van deze zeven personen gedaan en ook daarbij was in meerdere gevallen sprake van een onjuiste aanvraag waardoor onterecht kinderopvangtoeslag is uitgekeerd. Uit vervolgonderzoek is gebleken dat de aanvragen van deze zeven personen aan in totaal 23 IP-adressen zijn te koppelen. Vanaf deze 23 IP-adressen zijn in totaal voor 50 personen onjuiste aanvragen ingediend, waarbij voor ongeveer 30 personen het vermoeden bestond dat ook valse documenten waren ingestuurd.
Aan de hand van de tenaamstellingen van de IP-adressen kwamen enkele verdachten in beeld en zijn huiszoekingen gedaan. Op de laptops die zijn aangetroffen in de woningen van verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn IP-adressen aangetroffen die zijn gebruikt bij de aanvragen van kinderopvangtoeslag. Op die laptops zijn ook sporen van digitaal contact tussen de aanvragers en de Belastingdienst Toeslagen aangetroffen. Bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn USB-sticks met een vrijwel identieke inhoud van vermoedelijk valse bescheiden aangetroffen. Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 1] 11 DigiD-codes aangetroffen waarvan er vijf zijn te herleiden tot onjuiste aanvragen.
In de woning van [medeverdachte 2] zijn onder andere een agenda met een briefje met een inlogcode en wachtwoord aangetroffen. Tevens zijn op de telefoon en laptop van [medeverdachte 2] chatsessies met [medeverdachte 1] over kinderopvangtoeslag en betalingen aangetroffen.
Werkwijze:
Volgens de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) zijn er drie stadia waarin fraude met kinderopvangtoeslag zou zijn gepleegd. Het eerste stadium is het werven van aanvragers. [medeverdachte 4] en [verdachte] benaderen personen en wijzen hen op de mogelijkheid om kinderopvangtoeslag aan te vragen. Zij bieden aan hen daarbij te helpen. [medeverdachte 1] wordt daarbij voorgesteld als betrouwbare belastingmedewerker of belastingadviseur. Uit het procesdossier volgt dat aanvragers [medeverdachte 1] onder verschillende namen kennen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en/of [naam 5] . Met sommige van de aanvragers onderhield [medeverdachte 1] een (seksuele) relatie.
Het tweede stadium is het indienen van de aanvraag tot kinderopvangtoeslag. Aan aanvragers werd gevraagd om hun DigiD-wachtwoord, bankgegevens en andere persoonlijke gegevens af te geven, veelal aan [medeverdachte 4] . Vervolgens werden valse bescheiden opgemaakt en bij de aanvraag gevoegd. Volgens de FIOD zou dit door [medeverdachte 3] zijn gedaan. Daarna werd de aanvraag bij de Belastingdienst Toeslagen ingediend of gewijzigd.
Het laatste stadium is de betaling. Er werd met aanvragers afgesproken welk deel van de ontvangen kinderopvangtoeslag zij moesten afdragen, aan wie zij dit moesten afdragen en hoe zij dit moesten betalen. Een aantal bedragen hiervan zijn overgemaakt op de bankrekening van [medeverdachte 2] .
3 Artikel 359a Sr verweer
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich – in aansluiting op het standpunt van mr. M.J.R. Roethof in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 4] – op het standpunt gesteld dat artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is geschonden. Op basis van het door het Openbaar Ministerie verstrekte procesdossier bestaat te veel onduidelijkheid over de bruikbaarheid van de startgegevens waardoor er niet kan worden gesproken van een eerlijk proces. Uit het procesdossier valt niet af te leiden op welke basis aanvrager [persoon 1] is geselecteerd, zodat niet kan worden uitgesloten dat dit is gebeurd op basis van discriminatoire algoritmes. De naam [persoon 1] is een bekende Surinaamse naam. Gelet op het feit dat – indien er sprake is geweest van een selectie op basis van discriminatoire algoritmes – het een ernstige schending betreft en er tevens sprake is van een direct causaal verband tussen het geschonden voorschrift en het verkregen bewijsmateriaal, moet er in dit geval op grond van art. 359a lid 1 onder b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) worden overgegaan tot uitsluiting van het bewijs dat door middel van het onrechtmatige, niet onafhankelijke en niet onpartijdige onderzoek is verkregen. Bij de beoordeling van de (omvang van de) ernst van het verzuim moet daarnaast ook betrokken worden dat de opsporingmethode op basis van discriminatoire algoritmes kennelijk gedurende vele jaren structureel werd toegepast in Nederland. Een structurele schending is extra reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan. De consequentie hiervan is dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt voorop dat in beginsel alleen vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek kunnen leiden tot rechtsgevolgen in een strafzaak. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat een rechtsgevolg ook op zijn plaats is indien het vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (de voorfase).
Wat betreft die voorfase verwijst het Openbaar Ministerie naar de brief ‘Openbaarmaking risicoclassificatiemodel Toeslagen’ van 26 november 2021 van de staatssecretaris waarin de werkwijze van de Belastingdienst Toeslagen uiteen wordt gezet. Wat uit die brief in ieder geval kan worden afgeleid is dat er met algoritmes werd gewerkt bij de Belastingdienst Toeslagen en dat op basis van meerdere indicatoren werd gekomen tot een risico-score per aanvraag. Scoorde een aanvraag hoog, dan liep die aanvraag meer kans om gecontroleerd te worden. Over de wenselijkheid van de gehanteerde indicatoren is veel politiek debat gevoerd. Zeker bijvoorbeeld over een indicator op het gebied van nationaliteit. [persoon 1] had in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en in dat geval werd er door de Belastingdienst Toeslagen geen nadere selectie gemaakt op het bestaan van een eventuele tweede nationaliteit bij de selectie van het controleren van de aanvragen kinderopvangtoeslag. De keuze om de aanvraag van [persoon 1] te controleren had dus niet te maken met haar afkomst.
Voor zover er al sprake zou zijn geweest van een vormverzuim in de voorfase door toepassing van de selectiemethodiek zoals beschreven in de brief van de staatssecretaris, dan geldt bovendien dat dit is begaan in het onderzoek tegen verdachte [persoon 1] . In de zaak van verdachte zou dit dus niet kunnen leiden tot enig rechtsgevolg.
Ook indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er wel sprake is van een vormverzuim in het onderzoek tegen verdachte dan kan dit desondanks niet tot een rechtsgevolg leiden, omdat het niet verdachten zijn die door het vormverzuim in het belang zijn geschaad dat de overtreden norm beoogt te beschermen. De norm beoogt een aanvrager van kinderopvangtoeslag te beschermen tegen controle op basis van discriminatoire gronden.
Verdachten kwamen pas in beeld na een in ieder geval rechtmatig verlopen strafrechtelijk onderzoek.
De tweede reden dat een eventueel vormverzuim op dit punt nooit tot een rechtsgevolg kan leiden in de strafzaken tegen verdachten, is dat deze verdachten geen rechtens te respecteren nadeel van het betreffende vormverzuim hebben ondervonden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv, waardoor bewijsuitsluiting zou moeten volgen.
Beoordelingskader
De toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek. Volgens artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het (strafrechtelijk) onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling op de zitting. Het voorbereidend onderzoek in artikel 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte over het aan hem/haar ten laste gelegde feit waarover de rechtbank heeft te oordelen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling tegen verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Als algemene overkoepelende maatstaf hiervoor geldt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn, indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van de voorfase.
Controle door de Belastingdienst
In de brief van de staatssecretaris van 26 november 2021 wordt de werkwijze van het risicoclassificatiemodel Toeslagen (hierna: het model) uiteengezet. De focus van Toeslagen bij de Belastingdienst lag vanaf 2013 op het tegengaan van oneigenlijk gebruik en op het voorkomen van hoge terugvorderingen, zeker als een hoge terugvordering tot een naar verwachting grote impact voor de aanvrager leidde. Het model werd tussen april 2013 en november 2019 binnen Toeslagen gebruikt om te selecteren welke nieuwe aanvragen of wijzigingen in bestaande toeslagaanvragen voor een handmatige behandeling in aanmerking kwamen. In het rapport ‘De verwerking van de nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag’ is in juli 2020 geconstateerd dat er met selectie op basis van nationaliteit in het model sprake is van een overtreding. Deze verwerking was niet noodzakelijk omdat er minder vergaande mogelijkheden voorhanden waren. Deze overtreding is door de Autoriteit Persoonsgegevens als discriminerend en daarmee onbehoorlijk aangemerkt.
Werkwijze Belastingdienst
Medewerkers van Toeslagen ontwikkelden het model in 2013 aan de hand van een set risico-indicatoren en op basis van voorbeelden van juiste en onjuiste toeslagaanvragen. Door het model te voeden met duizenden voorbeelden van handmatig behandelde aanvragen, herkende het model statistische verbanden tussen indicatoren en voorspelde het model op basis daarvan hoe groot het risico was op onjuistheden in de toeslagaanvragen. Het model werd daarmee in de loop van de tijd aangepast en het model leerde welke posten (on)terecht van een hoge risicoscore waren voorzien. Elke maand kregen de toeslagaanvragen die in het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) klaar stonden voor ‘formeel beschikken’ een risicoscore van 0 tot 1. De meest risicovolle aanvragen kregen een risicoscore dicht bij 1 en de minst risicovolle aanvragen een risicoscore dicht bij 0. De indicatoren voor de kinderopvangtoeslag zagen op de situatie van de opvang (soort opvang zoals gastouder of buitenschoolse opvang, afstand tussen woon- en opvangadres) en op de situatie van de aanvrager (zoals inkomen, toeslagschulden, partner of alleenstaand, leeftijd en aantal kinderen). Het model heeft gebruik gemaakt van de indicator ‘Nederlanderschap Ja/Nee’. Deze indicator was in het model opgenomen, vanwege enerzijds fraude via toeslagaanvragers zonder Nederlandse nationaliteit die in dezelfde periode als de ontwikkeling van het model speelde en anderzijds omdat medewerkers van Toeslagen de ervaring hadden dat toeslagaanvragers zonder Nederlandse nationaliteit soms moeite hadden met het aanvragen van toeslagen en er vaker fouten in hun toeslagaanvragen werden aangetroffen. Deze indicator gaf een 'Ja' gaf als de aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezat, ook als daarnaast sprake was van nog een andere nationaliteit. Dus ongeacht of er sprake was van meerdere nationaliteiten, iemand met alleen de Nederlandse nationaliteit werd exact hetzelfde gescoord als iemand met een Nederlandse en andere nationaliteit.
Beoordeling door rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er meerdere indicatoren voor de Belastingdienst Toeslagen waren om te bepalen of een aanvraag al dan niet als risicovol moest worden aangemerkt. De raadsvrouw van medeverdachte [medeverdachte 4] heeft aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat hierbij geen sprake was van discriminatie. De raadsman van [medeverdachte 3] heeft zich hierbij aangesloten.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aanvrager [persoon 1] in ieder geval de Nederlandse nationaliteit had. Volgens de hiervoor omschreven werkwijze van de Belastingdienst Toeslagen werd in dat geval niet verder geselecteerd op een eventuele tweede nationaliteit en was er daarmee op dit vlak geen sprake van een risico-indicatie. Verder was [persoon 1] een alleenstaande moeder, had zij een inkomen onder de € 20.000,- per jaar en schulden en was er sprake van een aanvraag waarop veel opvanguren stonden. Dit zijn indicatoren die ervoor zorgen dat een aanvrager een hogere risicoscore ontving en de rechtbank acht het aannemelijk dat de aanvraag van [persoon 1] om die reden nader is bekeken door de afdeling Toeslagen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat discriminatoire, indicatoren zoals haar Surinaamse naam of uiterlijke kenmerken daarbij een rol hebben gespeeld. Van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook niet gebleken zodat er geen aanleiding bestaat tot bewijsuitsluiting over te gaan. Voor het doen van nader onderzoek ziet de rechtbank, bij gebrek aan aanknopingspunten daarvoor, ook na navraag door de officieren van justitie, evenmin aanleiding. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af.
4 Waardering van het bewijs
Inleiding
Kinderopvangtoeslag
Om ouders in de gelegenheid te stellen om werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen, te weten de Wet Kinderopvang (WKO). Deze wet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en regelt onder andere het recht op kinderopvangtoeslag. Om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag, houdt de Belastingdienst Toeslagen rekening met een aantal omstandigheden. Zo moet de kinderopvangtoeslag worden aangevraagd door of namens de ouder(s), moet het kind naar een geregistreerde kinderopvangorganisatie gaan, dienen de ouders te werken of een reïntegratietraject te volgen, is de hoogte van de toeslag afhankelijk van het inkomen van de ouder(s) en is de hoogte van de toeslag afhankelijk van het aantal opvanguren, het uurtarief en het soort opvang dat plaatsvindt.
De kinderopvangtoeslag werkt op basis van een maandelijks voorschot dat door de Belastingdienst Toeslagen wordt verstrekt. Het voorschot wordt berekend op basis van de inschatting van de kosten voor kinderopvang en het inkomen van de ouder(s). De kinderopvangtoeslag kan ook met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Nadat een aanvraag is ingediend, loopt deze het daarop volgende jaar automatisch door en hoeft er geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.
Bij de aanvrager ligt de verplichting om een wijziging van het inkomen of een wijziging in het aantal uren kinderopvang, door middel van een wijzigingsformulier aan de Belastingdienst Toeslagen door te geven. Tevens dient een aanvrager na afloop van een kalenderjaar gegevens door te geven aan de Belastingdienst Toeslagen waaruit onder meer blijkt hoeveel uren kinderopvang er dat kalenderjaar zijn genoten, waarna de kinderopvangtoeslag definitief wordt vastgesteld. Ter controle van deze definitieve vaststelling schrijft de Belastingdienst Toeslagen achteraf steekproefsgewijs aanvragers aan met het verzoek om de door hen daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten te onderbouwen. Aanvragers moeten hiervoor een ingevuld antwoordformulier retourneren aan de Belastingdienst Toeslagen, met bijgevoegd een jaaropgave van de gemaakte kinderopvangkosten.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Feit 1: Oplichting
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting in de periode van 28 maart 2013 tot en met 21 november 2016. Hierdoor is de Belastingdienst bewogen tot afgifte van € 89.507,-. Dit sluit voldoende aan bij het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 89.388,-, waarbij het verrekende bedrag van € 120,- ten aanzien van haar eigen kind niet is meegerekend.
Feit 2: Witwassen
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Op basis van valse aanvragen voor kinderopvangtoeslag is er tussen 21 mei 2013 en 20 november 2015 een bedrag van
€ 36.881,- aan kinderopvangtoeslag uitgekeerd aan verdachte. Hoewel haar was verteld dat het over inkomstenbelasting ging, kwam ze er na een tijdje toch achter dat het over kinderopvangtoeslag ging. Toen heeft zij niets gedaan waardoor vaststaat dat verdachte wist dat ze onterecht geld ontving. Verdachte heeft verklaard dat ze steeds meer dan de helft van het ontvangen geld moest afstaan, de rest gebruikte ze om andere rekeningen en schulden te betalen en om een auto te kopen. Verdachte heeft hiermee het geld – waarvan ze wist dat dit van misdrijf afkomstig was – deels aan verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] overgedragen en deels omgezet, waardoor zij het volledige bedrag heeft witgewassen. Gelet op de frequentie en omvang van de bedragen en het tijdsbestek, is hier sprake van gewoontewitwassen.
Feit 3: Deelname aan een criminele organisatie
De officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich in de periode van 28 maart 2013 tot en met 21 november 2016 schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1: Oplichting
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Verdachte is wel medeplichtig geweest aan oplichting, voor een kortere periode dan is ten laste gelegd. In het begin had verdachte geen idee wat [medeverdachte 1] deed. Pas geleidelijk is bij haar het bewustzijn ontstaan dat er iets niet klopte. De raadsman betwist dat verdachte opzet had op het behulpzaam zijn aan de misdrijven van [medeverdachte 1] .
Feit 2: Witwassen
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde.
Feit 3: Deelname aan een criminele organisatie
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde. Verdachte was geen deelnemer aan een organisatie. Zij kende de medeverdachten niet en had geen idee dat er anderen waren.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1:
Om te kunnen beoordelen of feit 1 bewezen kan worden beantwoordt de rechtbank de volgende vragen
Zijn de in de tenlastelegging genoemde stukken vals of vervalst?
De rechtbank stelt vast dat de bij de Belastingdienst ingediende stukken vals dan wel vervalst zijn. Uit de controle van de Belastingdienst blijkt dat kinderopvanginstellingen de kinderen van de aanvragers niet kennen, er geen opvang is afgenomen of het aantal uren naar boven toe is aangepast waardoor ten onrechte kinderopvangtoeslag is uitgekeerd of dit is geprobeerd. De ingediende stukken kunnen op basis van een bestaand document zijn aangepast waardoor niet valt uit te sluiten dat deze stukken vervalst zijn in plaats van vals.
Welke oplichtingsmiddelen zijn gebruikt?
De rechtbank is van oordeel dat verdachte en de andere aanvragers een valse hoedanigheid hebben aangenomen door zich voor te doen als personen die recht hadden op kinderopvangtoeslag. Ook is de Belastingdienst door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels opgelicht. Het gaat om valse of vervalste stukken. Door een combinatie van deze geschriften en onjuiste antwoordformulieren was er sprake van een opeenstapeling van leugens. Van het aannemen van een valse naam is niet gebleken, zodat daarvoor een partiële vrijspraak volgt.
Wat was de rol van verdachte?
Met betrekking tot rol van verdachte vindt de rechtbank bewezen dat verdachte een aandeel heeft geleverd bij het werven van nieuwe aanvragers, het doorspelen van DigiD-codes aan [medeverdachte 1] en het in ontvangst nemen van geld.. Ook heeft zij voor zichzelf ten onrechte kinderopvangtoeslag aangevraagd.
Is er sprake van medeplichtigheid?
Verdachte heeft verklaard dat zij haar gegevens aan [medeverdachte 1] moest afstaan en dat hij een aanvraag voor haar zou indienen. Zij dacht dat het om inkomstenbelasting ging. Alhoewel verdachte er naar eigen zeggen geen goed gevoel bij had, heeft zij haar gegevens wel afgestaan. Uitgaande van die verklaring kan niet worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had de Belastingdienst Toeslagen op te lichten. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte hiermee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar gegevens zouden worden misbruikt. Daarmee is sprake van opzet in voorwaardelijke zin op de medeplichtigheid aan de oplichtingsmiddelen genoemd onder nummer 1 en 2 onder feit 1 op de tenlastelegging.
Is er sprake van medeplegen?
Verdachte heeft verder verklaard dat zij na enkele maanden ontdekte dat het om kinderopvangtoeslag ging. Zij wist dat zij daarop geen recht had, maar heeft er desalniettemin voor gekozen de toeslag niet stop te zetten en zelfs meegeholpen onterechte aanvragen voor andere aanvragers in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verdachte vanaf dat moment wel het oogmerk had op de oplichting van de Belastingdienst Toeslagen, en hieraan in bewuste en nauwe samenwerking heeft meegewerkt. Met betrekking tot de oplichtingsmiddelen genoemd onder nummer 3, 4 en 5 van het onder feit 1 ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van medeplegen.
Wat was de pleegperiode?
De rechtbank zoekt voor de pleegperiode aansluiting bij de verklaring van verdachte. Voor het eerste deel van de tenlastelegging (medeplegen) houdt de rechtbank de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 november 2016 aan. De aanvraag voor het kind van verdachte zelf is namelijk eind maart 2013 gedaan en verdachte verklaarde dat zij een aantal maanden later merkte dat dit niet klopte. De rechtbank gaat er daarom in redelijkheid vanuit dat dit in ieder geval vanaf 1 januari 2014 is geweest.
Voor het tweede gedeelte van de tenlastelegging (medeplichtigheid) houdt de rechtbank een periode aan van 28 maart 2013 – de datum van de aanvraag kinderopvangtoeslag voor het kind van verdachte – tot 31 december 2013.
Feit 2: Witwassen
Uit het hiervoor bij feit 1 overwogene volgt dat verdachte wist dat de kinderopvangtoeslag die zij ontving ten onrechte aan haar werd uitbetaald en dus afkomstig was uit haar eigen misdrijf.
Verdachte heeft verklaard dat ze steeds de helft van het ontvangen geld moest afstaan, en de rest heeft gebruikt om rekeningen te betalen en een auto te kopen. Alhoewel de rechtbank niet precies kan vaststellen welk bedrag dit betreft, vindt de rechtbank wel dat er in ieder geval voldoende bewijs is dat verdachte een deel van de ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag heeft omgezet en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van enig geldbedrag.
Vrijspraak gewoontewitwassen
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de duur en de frequentie van het witwassen niet voldoende is gebleken dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.
Feit 3:
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet sprake zijn (geweest) van een organisatie, met als doel het plegen van misdrijven. Het moet gaan om een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming aan de organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit de wetenschap van dat doel.
Toepassing van het beoordelingskader op deze zaak
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij de deelnemers het doel hadden kinderopvangtoeslagfraude te plegen. Daarmee zijn de delicten oplichting, valsheid in geschrift en witwassen gepleegd. Binnen het samenwerkingsverband speelden de verschillende verdachten ieder een eigen rol. Verdachte was degene die aanvragers aandroeg en hen in contact bracht met [medeverdachte 1] . Zij verzamelde DigiD-codes voor [medeverdachte 1] en incasseerde geld voor hem. Uit het procesdossier volgt dat verdachte niet degene is geweest die de documenten heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt. Gelet op de grote schaal waarop dat gebeurde, heeft zij in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er meer mensen waren betrokken bij de organisatie. Verdachte had daarmee opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin op deelname aan de organisatie. Daarvoor is niet vereist dat verdachte de anderen persoonlijk kende of wist hoe veel mensen er aan de organisatie deelnamen. Gelet op haar bijdrage, stelt de rechtbank vast dat verdachte wist wat het oogmerk van de organisatie was. Door de organisatie zijn gedurende een lange periode misdrijven gepleegd en verdachte heeft daarbij een substantiële rol vervuld.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1:
in de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 november 2016 te Arnhem en Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van geld,
immers hebben verdachte en/of haar mededader(s) telkens - ter verkrijging van kinderopvangtoeslag - geschriften en/of documenten bij de Belastingdienst ingediend, te weten valselijk opgemaakte en/of vervalste elektronische aanvragen en/of wijzigingen kinderopvangtoeslag en/of formulieren gegevens kinderopvang, inhoudende dat
3. [persoon 2] (BSN 619499606) met ingang van 1 september 2014 gedurende 134 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 1] (A26-DOC-005)en/of
4 [persoon 3] (BSN 260772938) met ingang van 2 februari 2015 gedurende 144 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 2] (A23-DOC-001) en/of
5. [persoon 4] (BSN 406254643) met ingang van 2 februari 2015 gedurende 238 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (A28-DOC-001),
waardoor verdachte en/of haar mededader(s) telkens de suggestie heeft/hebben gewekt dat zij en/of de persoon genoemd op de aanvraag/de wijziging kinderopvangtoeslag/het formulier gegevens kinderopvang, recht had op deze toeslag,
waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen tot een geldbedrag van in totaal ongeveer 12.345,- euro
(A26-DOC-020) en/of 19.453 euro (A23-DOC-009) en/of 33.054 euro
(A28-DOC-031), (in totaal ongeveer 64.861 euro), althans enig geldbedrag en/of het teniet doen van een inschuld van in totaal ongeveer 2.672 euro
(A26-DOC-020), althans enig geldbedrag;
en
[medeverdachte 1] omstreeks de periode van 28 maart 2013 tot en met 31 december 2013 te Arnhem en Heerlen, althans in Nederland, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van geld, immers heeft [medeverdachte 1] - ter verkrijging van kinderopvangtoeslag – geschriften en/of documenten bij de Belastingdienst ingediend, te weten (een) valselijk opgemaakt(e) en/of vervalste (elektronische) aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) kinderopvangtoeslag en/of formulier(en) gegevens kinderopvang, inhoudende dat
1. [persoon 2] (BSN 619499606) met ingang van 1 februari 2013 gedurende 230 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 4] (A26-DOC-003)
2. [persoon 2] (BSN 619499606) met ingang van 1 maart 2013 gedurende 230 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 4] (A26-DOC-004)
waardoor [medeverdachte 1] en telkens de suggestie heeft gewekt dat verdachte recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslag tot een geldbedrag van in totaal 24.647,- euro (A26-DOC-020), althans enig geldbedrag,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 te Arnhem en Heerlen, althans in Nederland, telkens opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft zij, verdachte, aan [medeverdachte 1] verstrekt en/of beschikbaar gesteld:
- haar, verdachtes, bankrekeningnummer en
- haar, verdachtes, DigiD-code en wachtwoord;
Feit 2:
omstreeks de periode van 21 mei 2013 tot en met 12 juli 2018 te Arnhem, althans in Nederland, enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl zij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Feit 3:
omstreeks de periode van 28 maart 2013 tot en met 12 juli 2018 te Amsterdam en/of Purmerend en/of Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of ·s-Gravenhage en/of Arnhem en/of Nijmegen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit, verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of
- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of
- witwassen (artikel 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht);
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor de door haar bewezen geachte feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte een contra-indicatie zijn voor het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Ten tijde van de zittingen was zij hoogzwanger. De verdediging heeft verzocht daarom verzocht om – bij een veroordeling – aan verdachte een taakstraf op te leggen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 Sr.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan oplichting en aan het witwassen van de door haarzelf verkregen opbrengst. Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die oplichting, valsheid in geschrift en witwassen tot oogmerk had. Verdachte en haar mededaders hielden zich op grote schaal bezig met het valselijk opmaken of vervalsen, en indienen van aanvraag- en wijzigingsformulieren voor door de Belastingdienst uit te keren kinderopvangtoeslag en hebben de verkregen geldbedragen vervolgens witgewassen. Hierdoor hebben verdachte en haar mededaders misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst, waarvan het doel is miljoenen ouders op een zo efficiënt mogelijke manier financieel te ondersteunen als zij gebruik maken van kinderopvang. De Belastingdienst Toeslagen is hierbij bovendien gedurende een lange periode voor honderdduizenden euro’s opgelicht. Dat is gemeenschapsgeld dat niet voor verdachte en zijn mededaders was bestemd.
Uitgangspunten voor de strafoplegging
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf kijkt de rechtbank onder meer naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij fraude wordt het oriëntatiepunt bepaald door de hoogte van het benadelingsbedrag. Voor een benadelingsbedrag tussen de € 500.000,- en € 1.000.000,- (voor de criminele organisatie) geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden als oriëntatiepunt.
Rol van de verdachte
Verdachte was een belangrijke schakel in de kinderopvangtoeslagfraude doordat zij nieuwe aanvragers ronselde en hun gegevens verzamelde. Daarnaast heeft verdachte ook zelf voordeel behaald doordat zij kinderopvangtoeslag ontving waarop zij geen recht had. De rechtbank heeft echter de indruk wel de indruk dat verdachte binnen de organisatie een minder vooraanstaande positie had dan de andere verdachten. Ook vindt de rechtbank van belang dat verdachte slechts bij een beperkt aantal van de aanvragen betrokken lijkt te zijn geweest. Dat weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.
Persoon van de verdachte
In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank ook rekening met haar persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de omstandigheid dat zij de zorg draagt over twee jonge kinderen, van wie de jongste net geboren is.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 december 2021. Hieruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor een strafbaar feit. Op 20 september 2013 is verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren voor een diefstal. De rechtbank zal op grond artikel 63 Sr rekening houden met die eerdere veroordeling.
Overschrijding van de redelijke termijn
In strafverminderende zin houdt de rechtbank eveneens rekening met het gegeven dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Een verdachte heeft recht op berechting van diens zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens jurisprudentie is de redelijkheid van de duur onder andere afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak (de omvang van het onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten), de invloed van de verdediging en de voortvarendheid van het opsporingsonderzoek. De rechtbank vindt dat van die bijzondere omstandigheden sprake is, nu het gaat om een omvangrijk onderzoek tegen meerdere verdachten, het onderzoek op 10 mei 2021 is gesloten en er een eindproces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank zal om die reden uitgaan van een redelijke termijn van drie jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat ten aanzien van verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging kan worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 12 juli 2018. Dit is de dag waarop verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord. Ten tijde van het wijzen van dit vonnis is er daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna negen maanden.
Strafoplegging
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding in het voordeel van verdachte af te wijken van het oriëntatiepunt en de eis van de officieren van justitie en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal wel een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen. Daarnaast zal de rechtbank de maximale taakstraf opleggen.
Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de algemene voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd geen strafbaar feit pleegt passend. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 240 uren op.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 48, 57, 63, 140, 326, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1: medeplegen van oplichting en medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd
Feit 2: witwassen, meermalen gepleegd
Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden.
Beveelt dat deze gevangenisstraf geheel niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mr. C. Huizing-Bruil en mr. J.M.R. Vastenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2022.
Mr. C. Huizing-Bruil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.