Strafrecht overig

Grootschalige kinderopvangtoeslagfraude. Benadelingsbedrag bijna 600.000 euro: gevangenisstraf van 20…

Rechtbank Amsterdam, 25 augustus 2022

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 augustus 2022
Datum publicatie
26 augustus 2022
Zaaknummer
13-993051-19
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:5036
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Grootschalige kinderopvangtoeslagfraude. Benadelingsbedrag bijna 600.000 euro: gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-993051-19

Datum uitspraak: 25 augustus 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1969,

wonende op het adres [adres verdachte] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 30 juni 2022 (inhoudelijke behandeling) en 25 augustus 2022 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. van Staden ten Brink en van wat de raadsvrouw mr. E. de Witte naar voren heeft gebracht. Verdachte was op de zitting niet aanwezig.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan fraude met kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Verdachte zou voor zijn eigen kinderen (zaaksdossier A01) en voor kinderen van achttien andere ouders (zaaksdossiers A02 tot en met A19) ten onrechte KOT hebben aangevraagd, valselijk opgemaakte bewijzen voor het verkrijgen van KOT naar de Belastingdienst hebben opgestuurd en een deel van de onterecht ontvangen KOT hebben witgewassen. Dit feitencomplex is als volgt ten laste gelegd:

  1. Valsheid in geschrift en/of het gebruiken, afleveren en/of voorhanden hebben van valse geschriften ten aanzien van 12 geschriften;

  2. Oplichting van de Belastingdienst tot een totaalbedrag van € 34.185,-;

  3. Oplichting van de Belastingdienst tot een totaalbedrag van € 620.491,-;

  4. Gewoontewitwassen van een totaalbedrag van € 274.386,-.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Geldigheid van de dagvaarding (feit 2 en feit 3)

3.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de tenlastelegging van feit 2 en feit 3 partieel nietig is wat betreft de zinsnede ‘onder meer’, omdat onvoldoende duidelijk is waarop de verdenking ziet naast de specifiek in de tenlastelegging opgesomde KOT-aanvragen.

3.2.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in de rechtspraak ‘onder meer’-tenlasteleggingen met een totaalbedrag geaccepteerd worden. Voor zover de rechtbank de zinsnede telkens wel nietig vindt, staat dat gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad niet eraan in de weg om bij de straftoemeting uit te gaan van het totale benadelingsbedrag.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt de tenlastelegging van feit 2 en feit 3 voldoende duidelijk en verwerpt daarom het verweer dat de dagvaarding wat betreft de zinsneden ‘onder meer’ nietig is.

De reikwijdte van de zinsnede ‘onder meer’ is door het opnemen van de totaalbedragen € 34.185,- (feit 2) en € 620.491,- (feit 3) voldoende ingekaderd. Tegen de achtergrond van het dossier is duidelijk dat het bij feit 2 gaat om de KOT die voor de kinderen van verdachte en zijn vrouw over de jaren 2010 tot en met 2015 onterecht is ontvangen. Bij feit 3 gaat het om het totaal van de bedragen die opgesomd staan in de tabel op pagina 18 van het overzichtsproces-verbaal: het totaal aan onterecht uitgekeerde KOT in de negentien zaaksdossiers.

4 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging (feit 2)

De rechtbank stelt vast dat de als feit 3 tenlastegelegde oplichting onder meer betrekking heeft op de KOT die voor de kinderen van verdachte en zijn vrouw over de jaren 2009 tot en met 2015 onterecht is ontvangen. Daarmee omvat de verdenking van feit 3 de volledige verdenking van feit 2.

De officier van justitie heeft bij requisitoir verzocht hiermee rekening te houden door bij de bewezenverklaring van feit 3 het bedrag aan onterecht ontvangen KOT voor de kinderen van verdachte en zijn vrouw (€ 45.626,-) in mindering te brengen op het totaalbedrag dat door oplichting zou zijn verkregen.

De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet, omdat de consequentie daarvan zou zijn dat verdachte dan onder feit 2 wordt veroordeeld voor hetzelfde feit als waarvoor hij onder feit 3 impliciet wordt vrijgesproken.

De rechtbank zal in plaats daarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van feit 2, omdat de beginselen van een behoorlijke procesorde zich verzetten tegen deze gelijktijdige dubbele vervolging van precies hetzelfde feit.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie vindt alle tenlastegelegde feiten bewezen, met die beperking dat het totaalbedrag van feit 3 beperkt moet worden tot € 574.865,-.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt in de eerste plaats dat verdachte de tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd. De raadsvrouw heeft een alternatief scenario geschetst, waarin meneer [naam 1] toegang had tot het kantoor van verdachte, over een aantal van de bankrekeningen op naam van verdachte kon beschikken en zich kennelijk ook heeft voorgedaan als verdachte.

In de tweede plaats stelt de raadsvrouw bij feit 1 dat de materiele valsheden van de jaaropgaven, de overeenkomst kinderopvang en het antwoordformulier kinderopvangtoeslag niet uit het dossier blijken. Voor zover de geschriften vals zijn, was verdachte daarbij niet betrokken.

Daarnaast stelt de raadsvrouw dat bij feit 2 en feit 3 onvoldoende duidelijk is hoeveel KOT daadwerkelijk en ten onrechte is uitgekeerd. Voor zover sprake is van oplichting van de Belastingdienst, blijkt uit het dossier niet dat verdachte daarbij betrokken was.

Tot slot stelt de raadsvrouw bij feit 4 dat als de rechtbank verdachte vrijspreekt van de feiten 1, 2 en 3, verdachte ook van feit 4 moet worden vrijgesproken. Onvoldoende staat vast dat verdachte de geldbedragen die niet op zijn bankrekening zijn gestort, voorhanden heeft gehad. Voor zover verdachte geld heeft ontvangen van aanvragers, heeft verdachte dit niet ontvangen in verband met de KOT-aanvragen, maar in verband met andere werkzaamheden. Ook blijkt onvoldoende dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Aanvrager [naam 2] (A01)

Op 6 december 2007 wordt op naam van [naam 2] en met verdachte als toeslagpartner met ingang van 1 januari 2008 voor [naam 3] KOT aangevraagd (A01-DOC-001). Op 30 april 2008 wordt op naam van [naam 2] en met verdachte als toeslagpartner de KOT gewijzigd, doordat per 1 januari 2008 ook KOT wordt aangevraagd voor [naam 4] (A01-DOC-002).

De Belastingdienst heeft op basis van de op 30 april 2008 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor de jaren 2009, 2010 en 2011.

Op 9 december 2010 wordt op naam van [naam 2] (BSN: [nummer 1] ) en met verdachte (BSN: [nummer 2] ) als toeslagpartner met ingang van 1 januari 2010 een KOT-wijziging ingediend. Hierin is opgenomen dat [naam 3] (BSN: [nummer 3] ) vanaf 1 januari 2010 gedurende 125 uur per maand à € 6,88 per uur wordt opgevangen op een buitenschoolse opvang (hierna: BSO) van [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 28 december 2010 herziet de Belastingdienst het KOT-voorschot over 2010 voor [naam 3] en [naam 4] .

Op 17 januari 2011 wordt op naam van [naam 2] met ingang van 1 januari 2011 een KOT-wijziging ingediend. Hierin is opgenomen dat vanaf 1 januari 2011 [naam 3] gedurende 125 uur per maand à € 6,10 per uur en [naam 4] (BSN: 221261710) gedurende 80 uur per maand à € 6,10 per uur wordt opgevangen door een BSO van [naam kinderopvang 1] . Met een wijziging op 23 februari 2011 wordt verdachte als toeslagpartner toegevoegd.

De Belastingdienst heeft op basis van de op 17 januari 2011 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor het jaar 2012. Op 13 maart 2012 stopt de Belastingdienst per 1 januari 2012 de KOT voor wat betreft [naam 4] omdat zijn leeftijd maakt dat er voor hem geen KOT-recht meer is. Hierdoor wordt het KOT-recht over 2012 naar beneden bijgesteld (A01-AMB-001, pag. 2).

De Belastingdienst heeft de KOT op basis van de op 17 januari 2011 doorgegeven opvanggegevens met betrekking tot [naam 3] automatisch gecontinueerd voor het jaar 2013. Per 1 juli 2013 wordt door de Belastingdienst de KOT voor [naam 3] stopgezet, omdat de opvanglocatie niet meer geregistreerd is in het landelijk register (A01-AMB-001, pag. 3).

De Belastingdienst heeft op basis van de op 17 januari 2011 doorgegeven opvanggegevens met betrekking tot [naam 3] automatisch gecontinueerd voor het jaar 2014. Op 22 januari 2014 wordt op naam van [naam 2] een KOT-wijziging ingediend. Hierin is opgenomen dat vanaf 1 januari 2014 [naam 3] gedurende 125 uur per maand wordt opgevangen op BSO [naam BSO 1] . In een beschikking met dagtekening 21 mei 2014 heeft de Belastingdienst de KOT voor 2014 opnieuw berekend, waarbij verdachte vanaf 1 mei 2014 als toeslagpartner van [naam 2] is aangemerkt.

De Belastingdienst heeft op basis van de op 22 januari 2014 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor het jaar 2015. Met een beschikking met dagtekening 21 mei 2015 zet de Belastingdienst de KOT voor 2015 stop (A01-DOC-087).

Voor het jaar 2009 is in totaal € 13.142,- aan KOT uitbetaald en voor het jaar 2010 in totaal € 12.456,-, waarvan € 11.421,- in de periode vanaf 31 december 2009. Voor het jaar 2011 is in totaal € 12.905,- aan KOT uitbetaald: in de periode 15 december 2010 tot en met 16 maart 2011 in vier betalingen op vier dagen in totaal € 3.858,- en vanaf 15 april 2011 tot en met 16 november 2011 op 8 dagen, drie bedragen per dag in totaal € 9.047,-. Voor het jaar 2012 is in totaal € 6.559,- uitbetaald, voor het jaar 2013 € 5.470,-, voor het jaar 2014 € 550,- en het jaar 2015 € 1.883,-. De laatste betaling is ontvangen op 16 maart 2015. De KOT is uitbetaald op bankrekeningen [bankrekeningnummer 1] (hierna: [deel bankrekeningnummer 1] ) op naam van verdachte en/of [naam 2] en [bankrekeningnummer 2] op naam van [naam 2] en/of verdachte (hierna: [deel bankrekeningnummer 2] ).

Getuige [naam getuige 1] (hierna: [naam getuige 1] ) van [naam kinderopvang 2] / [naam kinderopvang 1] heeft verklaard dat in de periode vanaf 1 januari 2015 door [naam 4] en [naam 3] geen opvang is genoten op een locatie van [naam kinderopvang 1] . [naam getuige 1] heeft aangegeven dat in de periode tot 1 januari 2015 alleen [naam 3] opvang heeft genoten op locaties van [naam kinderopvang 1] , maar dat de uren niet overeenkomen met de aanvragen/wijzigingen die bij de Belastingdienst zijn opgegeven. De Belastingdienst heeft berekend dat [naam 2] voor de opvang van [naam 3] over de jaren 2009 tot en met 2013 enig recht heeft gehad op KOT, te weten € 1.701,- voor het jaar 2009, € 1.484,- voor 2010, € 1.735,- voor 2011, € 1.636,- voor 2012 en € 783,- voor 2013.

Op basis van de berekeningen van de Belastingdienst zijn over de jaren 2009-2015 de volgende bedragen te veel aan KOT ontvangen:

Jaar

ontvangen

recht

=onterecht

2009

€ 13.142,-

€ 1.701,-

€ 11.441,-

2010

€ 12.456,-

€ 1.484,-

€ 10.972,-

2011

€ 12.905,-

€ 1.735,-

€ 11.170,-

2012

€ 6.559,-

€ 1.636,-

€ 4.923,-

2013

€ 5.470,-

€ 783,-

€ 4.687,-

2014

€ 550,-

€ 0,-

€ 550,-

2015

€ 1.883,-

€ 0,-

€ 1.883,-

Totaal

€ 52.965,-

€ 7.339,-

€ 45.626,-

[naam 2] heeft op 19 november 2019 als verdachte een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij de aanvragen/wijzigingen A01-DOC-001, -002, -016, -024 niet heeft ingediend. Ze weet niet wie aanvraag/wijziging A01-DOC-068 heeft ingediend. Ze heeft verklaard dat haar man – verdachte – de geld- en bankzaken regelde.

Aanvragers [naam 7] en [naam 8] (A02)

Op 29 december 2009 wordt op naam van [naam 7] (BSN: [nummer 4] en met [naam 8] (BSN: [nummer 5] ) als toeslagpartner met ingang van 1 januari 2009 KOT aangevraagd voor [naam 9] (BSN: [nummer 6] ). Hierin is opgenomen dat [naam 9] in 2009 gedurende 125 uur per maand à € 5,93 per uur wordt opgevangen op een BSO van [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 13 januari 2010 stelt de Belastingdienst het KOT-voorschot voor 2009 vast. De Belastingdienst heeft de KOT op basis van de op 29 december 2009 doorgegeven opvanggegevens automatisch gecontinueerd voor 2010. Op 20 februari 2010 is een wijziging ingediend voor de KOT op naam van [naam 7] en [naam 8] , waarin is aangegeven dat [naam 9] vanaf 1 januari 2010 voor 150 uur per maand à € 5,93 per uur wordt opgevangen op BSO [naam BSO 2] . De Belastingdienst heeft in een beschikking met dagtekening 9 maart 2010 het voorschot voor de KOT over 2010 herzien. Op basis van de op 22 februari 2010 doorgegeven opvanggegevens is de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor het jaar 2011. Met ingang van 1 januari 2011 is de KOT door of namens [naam 7] stop gezet (A02DOC023).

Op 17 januari 2011 wordt op naam van [naam 7] een KOT-aanvraag ingediend. Hierin is opgenomen dat [naam 10] met ingang van 1 januari 2011 voor 130 uur per maand à € 6,10 per uur wordt opgevangen op een BSO van [naam kinderopvang 1] . Op basis van de op 17 januari 2011 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor het jaar 2012. Op 8 november 2012 wordt de KOT met ingang van 1 oktober 2012 stopgezet (A02DOC045).

Op 11 november 2012 wordt op naam van [naam 8] met [naam 7] als toeslagenpartner een KOT-aanvraag ingediend. Hierin is opgenomen dat [naam 10] met ingang van 1 oktober 2012 voor 85 uur per maand à € 6,36 per uur wordt opgevangen op een BSO-locatie van [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 28 december 2012 wordt het KOT-voorschot voor 2013 op basis van deze gegevens vastgesteld. Op 12 april 2013 wordt de KOT per 1 mei 2013 stopgezet (A02DOC055).

In totaal is er € 30.720,- aan KOT uitbetaald voor [naam 7] en [naam 10] , op drie verschillende bankrekeningen: tussen 31 december 2009 en 15 december 2010 in totaal € 17.944,- op [deel bankrekeningnummer 2] , tussen 16 februari 2011 en 17 januari 2012 in totaal € 8.439,- op [bankrekeningnummer 3] (hierna: [deel bankrekeningnummer 3] ) en tussen 13 december 2012 en 27 januari 2015 in totaal € 4.337,- op [bankrekeningnummer 4] (hierna: [deel bankrekeningnummer 4] ). [deel bankrekeningnummer 3] staat op naam van [naam 11] . Hij is getrouwd geweest met de moeder van verdachte en op 13 oktober 2010 overleden. [deel bankrekeningnummer 2] en [deel bankrekeningnummer 4] staan op naam van verdachte en/of [naam 2] .

[naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 10] vóór en ná 1 januari 2015 niet bekend was bij [naam kinderopvang 1] .

De Belastingdienst in Heerlen heeft met betrekking tot aanvrager [naam 7] een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 retour ontvangen. Het formulier zou op 2 september 2010 in Den Haag zijn ondertekend. Bij het antwoordformulier is een document gevoegd van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] , gericht aan [naam 9] . Hierin is opgenomen dat [naam 10] in 2009 gedurende 1.560 uur is opgevangen voor een totaalbedrag van € 9.516,-.

[naam 7] is op 8 november 2019 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat haar kinderen nooit naar de kinderopvang zijn geweest en dat zij vanaf 2009 tot juli 2019 met haar gezin in [geboorteland] heeft gewoond. Tijdens haar verblijf in [geboorteland] heeft zij de woning van haar zus en zwager – verdachte – als postadres gebruikt. Zij heeft verklaard dat zij de aanvragen/wijzigingen A02-DOC-001, -009, -024 en -053 niet heeft gedaan. Ze heeft ook verklaard dat het handschrift en de handtekening op A02-DOC-004, p. 1 niet van haar of haar man is en dat zij dit antwoordformulier niet hebben retour gestuurd. De jaaropgave (A02-DOC-004, p. 4) heeft zij nooit gezien of gehad. Ze heeft ook verklaard dat verdachte haar zwager is, dat zij de geldbedragen nooit heeft ontvangen en dat zij geen toestemming heeft gegeven om KOT aan te vragen.

Aanvragers [naam 12] (A03) en [naam 13] (A12)

Op 9 juni 2012 wordt op naam van [naam 12] (BSN: [nummer 7] ) en met [naam 13] (BSN: [nummer 8] ) als toeslagpartner met ingang van 1 mei 2012 KOT aangevraagd voor [naam 14] . (BSN: [nummer 9] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 14] met ingang van 1 mei 2012 gedurende 228 uur per maand à € 6,65 per uur wordt opgevangen bij [naam BSO 3] . In een beschikking met dagtekening 21 juli 2012 heeft de Belastingdienst het KOT-voorschot berekend. Op basis van de op 9 juni 2012 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor 2013. Op 28 augustus 2013 wordt de KOT met ingang van 1 oktober 2013 stopgezet (A03-DOC-015).

Op 24 februari 2014 wordt op naam van [naam 13] en met. [naam 12] als toeslagpartner met ingang van 1 januari 2014 KOT aangevraagd voor [naam 14] . In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 14] met ingang van 1 januari 2014 gedurende 228 uur per maand à € 7,78 per uur wordt opgevangen bij de dagopvang van [naam BSO 3] . In een beschikking met dagtekening 21 maart 2014 heeft de Belastingdienst een KOTvoorschot berekend. Op basis van de op 24 februari 2014 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor 2015. Op 20 juni 2015 wordt op naam van [naam 13] met ingang van 15 juni 2015 een KOT-wijziging ingediend. Hierin is opgenomen dat [naam 14] met ingang van 15 juni 2015 wordt opgevangen bij [naam BSO 4] . Op basis van de op 20 juni 2015 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor 2016. Per 14 maart 2016 wordt de KOT stopgezet, omdat [naam 14] 4 jaar is geworden (A12-DOC-028 en A12-AMB-001).

Op 12 mei 2016 wordt op naam van [naam 13] KOT aangevraagd voor [naam 14] . In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 14] met ingang van 1 april 2016 gedurende 89 uur per maand à € 7,71 per uur wordt opgevangen op BSO [naam BSO 1] . In een beschikking met dagtekening 21 juni 2016 heeft de Belastingdienst het KOT-voorschot voor 2016 opnieuw berekend. Op 21 september 2016 wordt de KOT met ingang van 1 november 2016 stopgezet (A12-DOC-033).

Op 29 augustus 2017 wordt op naam van [naam 12] en met [naam 13] als toeslagenpartner KOT aangevraagd voor [naam 15] (BSN: [nummer 10] ). In deze aanvraag is opgenomen dat met ingang van 1 augustus 2017 [naam 15] gedurende 198 uur per maand á € 7,78 per uur wordt opgevangen bij dagopvang [naam BSO 4] . In een beschikking met dagtekening 21 september 2017 wordt het KOT-voorschot voor 2017 vastgesteld. Op 13 oktober 2017 wordt de KOT per 1 december 2017 stopgezet (A03-DOC-028).

Op naam van [naam 12] is voor 2012 € 9.632.- aan KOT uitgekeerd, voor 2013 € 10.804,- en voor 2017 € 5.334.-. De eerste betaling vond plaats in juli 2012 en de laatste in november 2017. Op naam van [naam 13] is voor 2014 € 14.647,- aan KOT uitgekeerd, voor 2015 € 14.466,- en voor 2016 € 7.724,-. De eerste betaling vond plaats in maart 2014 en de laatste in mei 2017. In totaal is aan [naam 12] en [naam 13] over de jaren 2012-2017 € 62.607,- aan KOT uitgekeerd.

Getuige [naam getuige 1] heeft aangegeven dat [naam 15] nooit opvang heeft genoten bij [naam kinderopvang 1] . [naam 14] stond ingeschreven bij opvanglocaties van [naam kinderopvang 1] ( [naam BSO 3] en [naam BSO 4] ) in de periode van [geboortedag 2] 2014 tot en met [geboortedag 2] 2016. Voor 2014 gaat het om 216,70 uur, voor 2015 om 260 uur en voor 2016 om 54 uur en 22 minuten. Uit e-mailcorrespondentie [naam getuige 1] komt naar voren dat wel is betaald voor de kinderopvang (in totaal € 4.190,51,-), maar dat er niet daadwerkelijk opvang zou zijn afgenomen.

Bij de KOT-aanvraag op 29 augustus 2017 is gebruik gemaakt van IP-adres [nummer IP-adres] . Het IP-adres [nummer IP-adres] is ook gebruikt voor contacten met de Belastingdienst/Toeslagen op naam van [naam 13] .

De Belastingdienst in Heerlen heeft op 29 november 2016 een verzoek om aanvullende informatie retour ontvangen. Dit formulier zou op 22 november 2016 door [naam 13] zijn ondertekend. Bij dit formulier is een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (hierna: BPVO) ROC [naam ROC] gevoegd. Deze overeenkomst heeft betrekking op student [naam 13] , Beroepspraktijkvormingbiedend bedrijf Kapsalon [naam kapsalon] , onderwijsinstelling ROC [naam ROC] en Kenniscentrum voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven SBB. In deze overeenkomst is opgenomen dat [naam 13] in de periode van 13 januari 2014 tot en met 19 december 2014 een beroepspraktijkvorming zal volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in het kader van haar opleiding tot junior kapper. Getuige [naam getuige 2] (hierna: [naam getuige 2] ) is als getuige gehoord over de BPVO. Hij heeft verklaard dat [naam 13] nooit een opleiding gevolgd heeft bij het ROC [naam ROC] en dat het studentnummer op de BPVO ( [nummer 11] ) hoort bij student [naam student] (hierna: [naam student] ).

De Belastingdienst/Toeslagen heeft op 28 juni 2017 een antwoordformulier kinderopvang 2016 retour ontvangen van aanvrager [naam 13] . Het antwoordformulier zou op 15 juni 2017 in Nieuw-Vennep zijn ondertekend. Bij het antwoordformulier is een jaaropgave 2016, gedateerd 20 februari 2017, gevoegd van [naam kinderopvang 1] , gericht aan [naam 12] . Op deze jaaropgave is vermeld dat [naam 14] (BSN: [nummer 9] ) in 2016 gedurende 663 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van € 5.297,37. De verstrekte jaaropgave wijkt wat betreft lay-out en wat betreft inhoud af van A12-DOC-071; de van [naam getuige 1] ontvangen jaaropgave over 2016.

Vanaf bankrekening [bankrekeningnummer 5] op naam van [naam 13] is tussen 22 december 2012 en 5 april 2016 in totaal € 12.260,- overgemaakt naar een zakelijke bankrekening op naam van [naam bedrijf 1] ( [bankrekeningnummer 6] , hierna: [deel bankrekeningnummer 5] ), de eenmanszaak van verdachte.

[naam 12] is op 23 september 2019 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat verdachte hem, toen zijn vrouw [naam 13] zwanger was, vertelde dat zij recht hadden op KOT. Hij heeft ook verklaard dat hij voor het aanvragen alleen zijn handtekening op een brief moest zetten en dat hij verdachte zijn DigiD-code heeft gegeven en die van zijn vrouw. Verder heeft hij verklaard dat zijn kinderen niet naar de kinderopvang gingen, dat verdachte alles regelde en dat als hij de KOT had ontvangen hij ongeveer € 400,- aan verdachte moest betalen. Veder heeft hij verklaard dat hij aanvragen A03-DOC-004 en A03-DOC-026 niet heeft gedaan. Na het tonen van een foto van verdachte (F-001a) heeft [naam 12] verklaard dat dit [naam verdachte] [verdachte] is.

[naam 13] is ook op 23 september 2019 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat haar dochter niet naar kinderopvanglocaties [naam BSO 4] , [naam BSO 3] en [naam BSO 1] is geweest. Haar man had haar gezegd dat ze recht hadden op KOT, omdat meneer [naam verdachte] [verdachte] dat had gezegd. Zij heeft verklaard dat zij aanvragen/wijzigingen A12-DOC-002, -014 en -029 niet heeft ingestuurd. De handtekening op de eerste pagina van A12-DOC-039 heeft zij zelf gezet en haar man heeft het formulier daarna weer teruggebracht naar [naam verdachte] . De tekst op pagina 2 van A12-DOC-039 heeft zij niet gezien. Zij heeft nooit stage gelopen bij Kapsalon [naam kapsalon] en de kappersopleiding nooit gevolgd. Zij heeft de BPVO nooit gezien en niet opgestuurd. Ook heeft zij verklaard dat zij antwoordformulier A12-DOC-052 niet heeft ingevuld en dat op de eerste pagina niet haar handtekening staat. De jaaropgave over 2016 heeft zij niet eerder gezien en ook niet naar de Belastingdienst gestuurd. Na het tonen van een foto van verdachte (F-001a) heeft [naam 13] verklaard dat dit meneer [naam verdachte] is.

Aanvrager [naam 16] (A04)

Op 5 november 2012 wordt op naam van [naam 16] (BSN: [nummer 12] ) KOT aangevraagd voor [naam 17] (BSN ( [nummer 13] ), [naam 18] (BSN: [nummer 14] ) en [naam 19] (BSN: [nummer 15] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 17] en [naam 18] vanaf 1 oktober 2012 gedurende 228 uur à € 6,36 per uur worden opgevangen bij [naam kinderopvang 1] [naam BSO 3] en dat [naam 19] vanaf 1 oktober 2012 gedurende 85 uur per maand à € 6,36 per uur wordt opgevangen bij [naam BSO 5] . De Belastingdienst heeft in een beschikking met dagtekening 29 december 2012 het KOT-voorschot toegekend. Op basis van de op 5 november 2012 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor 2013 (alle kinderen) en 2014 ( [naam 19] en [naam 18] ). Met een brief met dagtekening 22 januari 2014 wordt het KOT-voorschot voor 2014 op € 0,- gezet (A04DOC 034).

Op naam van [naam 16] is in totaal € 45.713,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor het jaar 2012 € 8.818,- uitbetaald, voor het jaar 2013 € 35.264,- en voor het jaar 2014 € 1.631,-. De eerste uitbetaling vond plaats in december 2012 en de laatste in december 2013.

Getuige [naam getuige 1] heeft aangegeven dat [naam 17] , [naam 18] en [naam 19] niet voorkwamen in de systemen van [naam kinderopvang 1] en dus niet bekend zijn bij de kinderopvanginstelling waar zij zouden zijn opgevangen.

[naam 16] is op 6 augustus 2019 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn kinderen niet naar de opvang zijn geweest. Degene, [naam verdachte] [verdachte], die zijn Belastingdienstpapieren invulde vertelde hem dat hij, [naam verdachte] , KOT kon aanvragen voor de kinderen van [naam 16] en dat hij daar lekker van op vakantie kon gaan. [naam 16] heeft verklaard dat hij [naam verdachte] de gegevens van zijn kinderen heeft gegeven en ook zijn DigiD-code. Hij heeft ook verklaard dat als het geld op zijn rekening werd gestort, hij dat geld in drieën moest verdelen: één deel voor de opvang, één deel voor [naam verdachte] en één deel voor hemzelf. [naam verdachte] zou ervoor zorgen dat de opvang werd betaald. [naam 16] heeft verklaard dat hij geld naar [naam verdachte] bracht of dat [naam verdachte] het geld op kwam halen en dat [naam verdachte] aanvraag A04-DOC-004 voor hem heeft gedaan. Na het tonen van een foto van verdachte (F001a) heeft hij verklaard dat dit [naam verdachte] is.

Aanvrager [naam 20] (A05)

Op 23 december 2011 wordt op naam van [naam 20] (BSN: [nummer 16] ) KOT aangevraagd voor [naam 21] (BSN: [nummer 17] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 21] met ingang van 1 januari 2011 gedurende 221 uur à € 6,36 per uur wordt opgevangen bij [naam BSO 3] - [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 7 januari 2012 wordt het KOT-voorschot voor 2011 vastgesteld. Op 27 december 2011 wordt op naam van [naam 20] een KOT-wijziging doorgegeven. Deze wijziging houdt in dat [naam 21] met ingang van 1 januari 2012 gedurende 221 uur à € 6,36 per uur wordt opgevangen bij [naam BSO 3] - [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 21 januari 2012 wordt het KOT-voorschot voor 2012 vastgesteld. Op 28 augustus 2012 wordt de KOT voor 2012 stopgezet met ingang van 2 mei 2012 (A05DOC014).

Op 19 september 2012 wordt op naam van [naam 20] KOT aangevraagd voor [naam 21] . In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 21] met ingang van 1 mei 2012 gedurende 221 uur à € 6,36 per uur dagopvang zou genieten bij KC [naam BSO 5] [naam kinderopvang 1] . Op 6 november 2012 wordt op naam van [naam 20] een KOT-aanvraag/wijziging ingediend voor KOT voor [naam 21] . In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 21] met ingang van 1 oktober 2012 gedurende 228 uur à € 6,36 per uur dagopvang zou genieten bij [naam BSO 3] [naam kinderopvang 1] . De Belastingdienst heeft de KOT automatisch gecontinueerd voor 2013, waarbij zowel de 221 uren bij [naam BSO 5] als de 228 uren bij [naam BSO 3] bij de vaststelling zijn betrokken. Met een beschikking met dagtekening 31 december 2012 wordt het KOT-voorschot voor 2013 opnieuw berekend en op € 0,- bepaald (A05DOC027).

Op 12 januari 2013 wordt op naam van [naam 20] KOT aangevraagd voor [naam 21] . In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 21] met ingang van 1 januari 2013 gedurende 229 uur à € 6,36 per uur dagopvang geniet bij [naam BSO 3] . Naar aanleiding van deze aanvraag wordt in een beschikking met dagtekening 12 februari 2013 opnieuw een KOT-voorschot voor 2013 vastgesteld. Op 10 juli 2013 wordt de KOT per ingang van 1 september 2013 stopgezet (A05-DOC-036).

De Belastingdienst in Heerlen heeft een antwoordformulier kinderopvang 2011 op naam van [naam 20] retour ontvangen. Het antwoordformulier zou op 17 augustus 2012 in Den Haag zijn ondertekend. Bij dit antwoordformulier is een jaaropgaaf 2011 van [naam kinderopvang 1] gevoegd. Deze jaaropgaaf is gericht aan [naam 20] . Hierin is opgenomen dat [naam 21] in 2011 in totaal 2.652 uur is opgevangen voor in totaal € 15.033,96.

Op naam van [naam 20] en [naam 22] is in totaal € 35.795,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor het jaar 2011 € 15.186,- uitbetaald aan [naam 20] , in 2012 € 12.285 en in 2013 € 7.009,-. Aan [naam 22] is in 2013 € 1.315,- uitbetaald. De eerste betaling vond plaats op 28 december 2011, een bedrag van € 15.186,-, en de laatste betaling op 17 december 2013. [naam 22] is de (ex-)vrouw van [naam 20] .

Getuige [naam getuige 1] heeft aangegeven dat [naam 21] niet voorkwam in de systemen van [naam kinderopvang 1] en dus niet bekend is bij de kinderopvanginstellingen waar zij zou zijn opgevangen.

Uit een analyse van de bankrekening van [naam 20] komt naar voren dat op 3 januari 2012 een bedrag van € 2.800,- is overgemaakt naar bankrekening [bankrekeningnummer 7] (hierna: [deel bankrekeningnummer 6] ) op naam van verdachte en/of [naam 2] .

Op 8 augustus is [naam 20] als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn kindje niet naar de opvang ging. Een man, [naam verdachte] [verdachte], vertelde hem dat hij recht had op KOT omdat hij een kind had en [naam 20] zei toen tegen [naam verdachte] ‘regel het maar’. Op aanraden van en samen met [naam verdachte] heeft hij een DigiD aangevraagd. Hij heeft verklaard dat de aanvragen/wijzigingen A05-DOC-050, -007, -015, -028 en -017 waarschijnlijk door [naam verdachte] samen met hem zijn gedaan. Verder heeft hij verklaard dat hij het wel samen met [naam verdachte] moest doen, omdat hij er geen verstand van had en dat de handtekening op de eerste pagina van antwoordformulier A05-DOC-049 van hem is, maar dat het handschrift niet van hem is. Hij heeft altijd alleen zijn handtekening moeten zetten en de rest vulde [naam verdachte] voor hem in. De jaaropgave over 2011, gevoegd bij het antwoordformulier, had hij nog nooit gezien en hij weet niet wie de jaaropgave heeft gemaakt, maar denkt [naam verdachte] . Na het tonen van een foto van verdachte (F-001a) heeft hij verklaard dat hij hem bedoelde met [naam verdachte] .

Aanvrager [naam 23] (A06)

Op [geboortedag 2] 2013 is op naam van [naam 23] (BSN: [nummer 18] ) KOT aangevraagd voor [naam 24] (BSN: [nummer 19] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 24] met ingang van 1 januari 2013 gedurende 228 uur à € 6,46 per uur wordt opgevangen op de dagopvang van [naam kinderopvang 1] [naam BSO 3] . Diezelfde dag wordt de startdatum gewijzigd in 1 februari 2013. Op 12 juni 2013 wordt de KOT gestopt per 1 augustus 2013 (A06-DOC-005).

Op 8 april 2014 wordt op naam van [naam 23] KOT aangevraagd voor [naam 25] (BSN: [nummer 20] ), [naam 26] (BSN: [nummer 21] ) en [naam 24] (BSN: [nummer 19] ). In deze aanvragen is opgenomen dat met ingang van 1 februari 2014 [naam 25] gedurende 72 uur à € 6,27 per uur wordt opgevangen bij BSO [naam BSO 1] en [naam 26] en [naam 24] gedurende 223 uur à € 6,65,- per uur bij dagopvang [naam BSO 3] . Op 28 juli 2014 wordt de KOT voor [naam 26] en [naam 24] per 30 september 2014 gestopt (A06-DOC-021).

Op naam van [naam 23] is in totaal € 33.098,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is € 8.015,- uitbetaald voor 2013 en € 25.083,- voor 2014. De eerste uitbetaling vond plaats in april 2013 en de laatste in juli 2014.

Getuige [naam getuige 1] heeft aangegeven dat [naam 24] , [naam 26] en [naam 25] niet voorkomen in het oude systeem van [naam kinderopvang 1] en daar dus niet bekend zijn in de periode vóór 1 januari 2015.

Vastgesteld is dat op 21 juli 2015 op naam van [naam 23] is ingelogd bij het Toeslagenportaal van de Belastingdienst en dat daarbij gebruik is gemaakt van IP-adres [nummer IP-adres] .

[naam 23] is op 29 juli 2019 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat zij bij [naam verdachte] [verdachte] aan de [adres verdachte] is langs geweest en dat hij vertelde dat zij KOT kon krijgen, als zij kinderen had. Zij heeft haar DigiD-gegevens aan [naam verdachte] gegeven. Zij heeft verklaard dat alle drie de kinderen nooit op de opvang hebben gezeten. Zij heeft de KOT-aanvragen niet zelf gedaan, maar dat deed [naam verdachte] voor haar. Zij heeft verklaard dat de uitgekeerde KOT op haar rekening is gestort, maar dat zij alles aan haar ex heeft afgestaan nadat zij het contant had opgenomen. Haar ex vertelde haar dat hij de helft van het geld aan [naam verdachte] moest afstaan. Na het tonen van een foto van verdachte (F-001a) heeft [naam 23] verklaard dat dit hem [de rechtbank begrijpt: [naam verdachte] ] is.

[naam 27] (A07)

Op 21 april 2012 is op naam van [naam 27] (BSN: [nummer 22] ) KOT aangevraagd voor [naam 28] (BSN: 252164659) en [naam 29] (BSN: [nummer 24] ). In deze aanvraag is vermeld dat met ingang van 1 januari 2012 [naam 28] gedurende 65 uur à € 6,27 per uur wordt opgevangen op BSO KC [naam BSO 5] [naam kinderopvang 1] en [naam 29] gedurende 232 uur à € 6,42 per uur op dagopvang [naam BSO 3] [naam kinderopvang 1] . De aanvragen zijn door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor de jaren 213 en 2014. Op 22 januari 2014 wordt op naam van [naam 27] een KOT-wijziging doorgegeven, inhoudende dat [naam 28] met ingang van 1 januari 2014 wordt opgevangen bij BSO [naam BSO 1] , en op 5 februari 2014 wordt als ingangsdatum van deze wijziging doorgegeven 1 oktober 2013. Op 17 februari 2014 wordt de KOT voor [naam 28] door de Belastingdienst met ingang van 1 januari 2014 gestopt (A07DOC021). Op 8 april 2014 is uit naam van [naam 27] de KOT gestopt met ingang van 1 januari 2014 (A07-DOC-028).

Op 10 februari 2014 is door de Belastingdienst in Heerlen een verzoek aanvullende informatie KOT over toeslagjaar 2013 retour ontvangen. Dit formulier is op 1 februari 2014 ondertekend door [naam 27] . Hierbij is gevoegd een overeenkomst kinderopvang, gedateerd op 23 november 2011. Deze overeenkomst houdt in dat [naam 29] met ingang van 1 januari 2012 op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag door [naam kinderopvang 1] geplaatst is op de locatie KC [naam BSO 5] .

Op naam van [naam 27] is in totaal € 41.126,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor 2012 € 16.430,- uitbetaald, voor 2013 € 19.725,- en 2014 € 4.971,-. De eerste uitbetaling vond plaats in mei 2012 en de laatste in februari 2014.

Getuige [naam getuige 1] heeft aangegeven dat [naam 29] niet bekend is bij [naam kinderopvang 1] . Voor [naam 28] zijn wel betalingen gevonden voor de jaren 2006 en 2007, maar in latere jaren is er geen opvang afgenomen bij [naam kinderopvang 1] .

Vastgesteld is dat in 2015-2017 op naam van [naam 27] is ingelogd bij het Toeslagenportaal van de Belastingdienst en dat daarbij gebruik is gemaakt van IP-adres [nummer IP-adres] .

Uit een analyse van de bankrekening van [naam 27] is gebleken dat in totaal € 2.300,- is overgemaakt aan [naam verdachte] en dat in totaal € 8.565,- is overgemaakt op [deel bankrekeningnummer 5] van [naam bedrijf 1] .

[naam 27] is op 15 juli 2019 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn kinderen nooit naar de kinderopvang zijn gegaan en dat [naam verdachte] [verdachte] hem heeft verteld dat hij recht had op KOT en dat hij KOT voor hem heeft aangevraagd. Verder heeft hij verklaard dat hij aanvragen A07-DOC-001, -018 en -011 niet heeft ingediend. Na het tonen van onder andere het verzoek om aanvullende informatie en de overeenkomst kinderopvang (A07-DOC-012, p. 1-2 en 7) heeft hij verklaard dat hij deze documenten nooit eerder heeft gezien en dat hij ze niet naar de Belastingdienst heeft gestuurd. Ook heeft hij verklaard hij € 2.300,- aan [naam verdachte] heeft betaald, degene die voor hem KOT had aangevraagd, omdat die wat moest regelen en dat het bedrag van € 8.565,-, dat hij heeft overgemaakt aan [naam bedrijf 1] , voor de KOT was, omdat hij een deel van de ontvangen KOT moest overmaken en dat [naam verdachte] zei hoeveel hij moest betalen. Daarnaast heeft hij één keer € 5.000,- contant aan [naam verdachte] moeten betalen. Op 16 juli 2019 is [naam 27] opnieuw als verdachte gehoord en toen is hem een foto van verdachte (F-001a) getoond. [naam 27] heeft daarop verklaard dat dit [naam verdachte] [verdachte] was.

Aanvrager [naam 30] (A09)

Op 17 september 2010 is op naam van [naam 30] (BSN: [nummer 25] ) KOT aangevraagd voor [naam 31] (BSN: [nummer 26] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 31] met ingang van 1 januari 2010 gedurende 150 uur per maand à € 6,10 per uur wordt opgevangen op de dagopvang bij [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 2 oktober 2010 wordt het KOT-voorschot voor 2010 bepaald. Op 22 november 2010 wordt op naam van [naam 30] de ingangsdatum van de opvang gewijzigd in 1 oktober 2010. Op basis van de op 17 september 2010 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor 2011. Op 17 januari 2011 is op naam van [naam 30] een wijziging voor de KOT doorgegeven. Deze wijziging houdt in dat [naam 31] met ingang van 1 januari 2011 gedurende 160 uur per maand à € 6,10 per uur wordt opgevangen bij [naam kinderopvang 1] . De Belastingdienst stelt het KOT-voorschot voor 2011 in een beschikking met dagtekening 8 februari 2011 opnieuw vast. Op 1 augustus 2011 wordt als wijziging doorgegeven dat de opvang vanaf 1 januari 2011 plaatsvindt bij [naam BSO 5] . Op 13 oktober 2011 wordt uit naam van [naam 30] de KOT gestopt per 1 oktober 2011 (A09-DOC-022).

Op 29 oktober 2011 wordt op naam van [naam 30] KOT aangevraagd voor [naam 31] . In deze aanvraag is vermeld dat [naam 31] met ingang van 1 oktober 2011 gedurende 112 uur per maand à € 6,36 per uur wordt opgevangen bij dagopvang [naam BSO 3] . Met een beschikking gedagtekend op 12 november 2011 wordt het KOT-voorschot voor 2011 herzien.

Op basis van de op 29 oktober 2011 doorgegeven opvanggegevens wordt door de Belastingdienst de KOT automatisch gecontinueerd voor de jaren 2012 en 2013. Op 14 januari 2014 wordt op naam van [naam 30] een KOT-wijziging doorgegeven voor het jaar 2013. Deze wijziging houdt in dat [naam 31] met ingang van 1 mei 2013 gedurende 112 uur per maand à € 6,27 per uur zou zijn opgevangen bij BSO [naam BSO 5] . In een beschikking gedagtekend op 14 maart 2014 is het KOT-voorschot opnieuw berekend. Voor 2014 wordt de KOT in eerste instantie automatisch vastgesteld op € 0,- (A09-DOC-061). In een beschikking met dagtekening 21 februari 2014 wordt het KOT-voorschot voor 2014 opnieuw berekend, op basis van de gegevens die op 14 januari 2014 zijn doorgegeven. Op basis van de op 14 januari 2014 doorgegeven opvanggegevens wordt de KOT door de Belastingdienst automatisch gecontinueerde voor het jaar 2015. Op 26 februari 2015 wordt de KOT met ingang van 1 januari 2014 gestopt (A09-DOC-066).

Op naam van [naam 30] is in totaal € 41.411,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor 2010 € 10.061,- uitbetaald, voor 2011 € 9.625,-, voor 2012 € 7.448,-, voor 2013 € 7.401,-, voor 2014 € 4.461,- en voor 2015 € 2.415,-. De eerste uitbetaling vond plaats in oktober 2010 en de laatste uitbetaling in maart 2015.

De Belastingdienst in Heerlen heeft een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2010 op naam van [naam 30] retour ontvangen. Het antwoordformulier is op 22 juli 2011 in Den Haag ondertekend. Bij dit antwoordformulier is een document gevoegd van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] . Hierin is opgenomen dat [naam 31] in 2010 gedurende 1.800 uur voor in totaal € 9.150,- is opgevangen bij BSO KC [naam BSO 5] .

Getuige [naam getuige 1] heeft aangegeven dat [naam 31] in het oude systeem van [naam kinderopvang 1] (tot 1 januari 2015) wel bekend is, maar dat er met betrekking tot dit kind geen betalingen zijn aangetroffen. [naam 31] heeft na 1 januari 2015 geen opvang genoten bij [naam kinderopvang 1] .

Vastgesteld is dat in de periode juni 2015 tot en met januari 2016 op naam van [naam 30] is ingelogd bij het Toeslagenportaal van de Belastingdienst en dat daarbij gebruik is gemaakt van IP-adres [nummer IP-adres] .

Uit een analyse van de bankrekeningen van [naam 30] is naar voren gekomen dat in één transactie aan [naam bedrijf 1] € 5.000,- is betaald.

Op 9 september 2019 is [naam 30] als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn kinderen nooit naar de opvang zijn geweest. [naam verdachte] [verdachte] vertelde hem dat hij recht had op KOT en dat [naam verdachte] om alles te regelen voor hem een DigiD heeft aangevraagd. Hij weet niet wie aanvragen/wijzigingen A09-DOC-002 en -046 heeft ingediend. Dit moet [naam verdachte] zijn geweest of [naam 32] , een meneer die bij [naam verdachte] op kantoor zat. Verder heeft hij verklaard dat hij wijziging A09-DOC-019 niet heeft ingestuurd en dat de gegevens op de jaaropgave 2010 niet kloppen en dat hij deze jaaropgave nooit had gezien.

Ook heeft hij verklaard dat het geldbedrag van € 5.000,- dat hij naar [naam bedrijf 1] had overgemaakt voor € 3.000.- betrekking had op administratiekosten die hij aan [naam verdachte] moest betalen voor het regelen van de KOT. Daarnaast moest hij € 100,- tot € 300,- contant betalen aan [naam verdachte] . Hij gaf dit op het kantoor van [naam bedrijf 1] aan [naam verdachte] of [naam 32] . Nadat aan hem een foto van verdachte (F-001a) is getoond, heeft [naam 30] verklaard dat dit [naam verdachte] was.

Aanvrager [naam 33] (A10)

Op naam van [naam 33] is KOT ontvangen in verband met de opvang van [naam 34] . [naam 34] is vanaf 1 april 2014 tot en met 31 juli 2015 opgevangen door [naam BSO 6] (A10-DOC-061). Van 1 september 2015 tot en met 31 januari 2016 is [naam 34] opgevangen door [naam BSO 7] , onderdeel van [naam kinderopvang 1] (A10-DOC-063 en A10-DOC-064). Op 22 februari 2016 wordt met ingang van 23 februari 2016 de KOT stopgezet (A10-DOC-020).

Op 23 juli 2016 wordt op naam van [naam 33] (BSN: [nummer 27] ) KOT aangevraagd voor [naam 34] (BSN: [nummer 28] ). Deze aanvraag houdt in dat [naam 34] met ingang van 1 juli 2016 gedurende 226 uur à € 7,78 per uur wordt opgevangen op dagopvang [naam BSO 8] . In een beschikking met dagtekening 22 augustus 2016 wordt het KOT-voorschot voor 2016 opnieuw berekend. De Belastingdienst heeft de KOT op basis van de op 23 juli 2016 doorgegeven opvanggegevens automatisch gecontinueerd voor de jaren 2017 en 2018. In een brief met dagtekening 10 april 2018 wordt de KOT over de jaren 2014-2018 stopgezet (A10-DOC-035).

Op naam van [naam 33] is voor 2016 € 11.625,- aan KOT uitbetaald, waarvan € 7.301,- vanaf augustus 2016. Voor 2017 is € 15.303,- uitbetaald en voor 2018 € 9.391,-. In totaal is voor de jaren 2016-2018 € 36.319,- uitbetaald, waarvan € 31.995,- vanaf augustus 2016. De eerste uitbetaling voor 2016 vond plaats in december 2015 en de laatste KOT-uitbetaling vond plaats in maart 2018.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 34] alleen opvang heeft genoten bij kinderdagverblijf [naam BSO 8] in de periode 1 september 2015 tot en met 15 januari 2016.

Vastgesteld is dat op 23 juli 2016 KOT is aangevraagd op naam van [naam 33] met gebruikmaking van IP-adres [nummer IP-adres] . In de periode daarna is op verschillende momenten via dit IP-adres op naam van [naam 33] ingelogd op het Toeslagenportaal van de Belastingdienst.

[naam 33] is op 25 juli 2019 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat haar ex [naam 35] de aanvraag op 23 juli 2016 heeft ingediend en dat hij tegen haar had gezegd dat hij onjuiste aangiften had gedaan.

Aanvrager [naam 36] (A11)

Op 3 juli 2012 wordt op naam van [naam 36] , met [naam 37] (BSN: [nummer 29] ) als toeslagpartner, KOT aangevraagd voor [naam 38] (BSN: [nummer 30] ). Hierin is opgenomen dat [naam 38] met ingang van 1 augustus 2012 gedurende 220 uur per maand à € 6,46 per uur wordt opgevangen op dagopvang [naam BSO 3] [naam kinderopvang 1] . In een beschikking met dagtekening 21 november 2012 worden de toeslagen voor 2012 opnieuw berekend. De Belastingdienst heeft de KOT met de op 3 juli 2012 doorgegeven opvanggegevens automatisch gecontinueerd voor de jaren 2013, 2014 en 2015. Op 20 juni 2015 wordt op naam van [naam 36] een KOT-wijziging doorgegeven waarin is opgenomen dat [naam 38] met ingang van 15 juni 2015 wordt opgevangen bij [naam BSO 4] . Op 28 juni 2015 wordt de KOT met ingang van 1 juli 2015 stopgezet (A11-DOC-038).

Op 29 juni 2015 wordt op naam van [naam 36] KOT aangevraagd voor [naam 38] . Hierin is opgenomen dat [naam 38] met ingang van 1 juli 2015 gedurende 220 uur per maand à € ,78 per uur dagopvang zou genieten bij [naam BSO 4] . In een beschikking met dagtekening 21 juli 2015 worden de toeslagen voor 2015 opnieuw berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de op 29 juni 2015 doorgegeven opvanggegevens de KOT voor 2016 automatisch gecontinueerd. Op 26 juni 2016 wordt met ingang van 1 juli 2016 de KOT stopgezet (A11DOC-051).

De Belastingdienst in Heerlen heeft een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2012 op naam van [naam 36] retour ontvangen. Het antwoordformulier is op 30 augustus 2013 in Den Haag ondertekend door [naam 36] . Bij het antwoordformulier is een document gevoegd van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] , gericht aan [naam 36] . Hierin is opgenomen dat [naam 38] in 2012 in totaal 1.100 uur is opgevangen voor een totaalbedrag van € 7.106,-.

De Belastingdienst in Heerlen heeft op 15 maart 2017 een bezwaarschrift ontvangen uit naam van [naam 36] . Bij dit bezwaarschrift is een BPVO ROC [naam ROC] gevoegd. Deze overeenkomst heeft betrekking op student [naam 37] , Beroepspraktijkvormingbiedend bedrijf Kapsalon [naam kapsalon] , onderwijsinstelling ROC [naam ROC] en Kenniscentrum voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven SBB. In deze overeenkomst is opgenomen dat [naam 37] in de periode van 10 maart 2015 tot en met 18 december 2015 een beroepspraktijkvorming zal volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in het kader van haar opleiding tot junior kapper. Getuige [naam getuige 2] is als getuige gehoord over de BPVO. Hij heeft verklaard dat [naam 37] nooit een opleiding gevolgd heeft bij het ROC [naam ROC] en dat het studentnummer op de BPVO ( [nummer 11] ) hoort bij student [naam student] .

Op naam van [naam 36] is in totaal € 60.957 aan KOT uitbetaald. Hiervan is € 6.033,- voor 2012 ontvangen, € 14.799,- voor 2013, € 14.667,- voor 2014, € 14.642 voor 2015 en € 10.816 voor 2016. De eerste betaling vond plaats in augustus 2012 en de laatste betaling in juli 2016.

Uit de analyse van de bankrekeningen van [naam 36] volgt dat in de periode augustus 2012 tot en met december 2016 in totaal € 16.473,- is overgemaakt naar een bankrekening op naam van [naam 2] en/of verdachte.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 38] geen opvang heeft genoten bij [naam kinderopvang 1] , in de periode vóór 1 januari 2015 en ook niet in de periode daarna.

Vastgesteld is dat KOT-wijziging van 20 juni 2015 en de KOT-aanvraag van 29 juni 2015 op naam van [naam 36] via het Toeslagenportaal van de Belastingdienst zijn ingediend via IP-adres [nummer IP-adres] . Daarnaast zijn in de periode daarna geregeld contactmomenten geweest via dit IP-adres.

[naam 36] is op 19 september 2019 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn kind nooit naar de opvang is geweest en ook niet bij [naam BSO 3] of [naam BSO 4] . Nadat [naam verdachte] [verdachte] hem had verteld dat hij recht had op KOT heeft hij [naam verdachte] alles voor hem laten invullen. Hij heeft verklaard dat [naam verdachte] aanvraag A11DOC001 voor hem heeft gedaan en dat hij wijziging A11-DOC-037 en aanvraag A11-DOC-039 niet heeft ingediend en dat hij denkt dat [naam verdachte] dat heeft gedaan. Over antwoordformulier A11-DOC-009 heeft hij verklaard dat [naam verdachte] dit heeft ingevuld en dat hij alleen zijn handtekening hoefde te zetten. De jaaropgave 2012 herkent hij niet. Over bezwaarschrift A11-DOC-061, p. 1, heeft [naam 36] verklaard dat hij deze niet herkent en niet heeft ingestuurd. De BPVO heeft hij nooit gezien en zijn vrouw heeft niet bij ROC [naam ROC] op school gezeten. Hij heeft ook verklaard dat [naam verdachte] hem vertelde dat hij op een gegeven moment administratiekosten voor het doen van de aanvragen moest betalen, € 375,- per maand. Nadat hem een foto van verdachte is getoond (F-001a) heeft [naam 36] verklaard dat dit [naam verdachte] is.

Aanvrager [naam 39] (A13)

Op 11 april 2013 is op naam van [naam 39] (BSN: [nummer 31] ) KOT aangevraagd voor [naam 41] (BSN: [nummer 32] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 41] met ingang van [geboortedag 2] 2013 gedurende 84 uur per maand à € 6,98 per uur wordt opgevangen op BSO [naam kinderopvang 1] [naam BSO 5] . In een beschikking met dagtekening 21 juni 2013 wordt het KOT-voorschot berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de opvanggegevens die op 11 april 2013 zijn doorgegeven de KOT automatisch gecontinueerd voor het jaar 2014. Op 24 januari 2014 is de KTO met ingang van [geboortedag 2] 2014 gestopt (A13-DOC-005).

Op 1 april 2014 is op naam van [naam 39] , met [naam 40] als toeslagpartner, KOT aangevraagd voor [naam 41] . Hierbij is aangegeven dat [naam 41] met ingang van [geboortedag 2] 2014 gedurende 75 uur per maand à € 6,27 per uur wordt opgevangen op BSO [naam BSO 1] . In een beschikking gedagtekend op 21 mei 2014 is het KOT-voorschot opnieuw berekend. Op 10 november 2014 wordt de KOT met ingang van 1 januari 2015 stopgezet (A13-DOC-020a).

De Belastingdienst in Heerlen heeft een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2013 op naam van [naam 39] retour ontvangen. Het antwoordformulier is op 9 september 2014 in Delft ondertekend. Bij dit antwoordformulier is een document gevoegd van [naam kinderopvang 1] , gericht aan [naam 39] waarin is opgenomen dat [naam 41] in 2013 963 uur is opgevangen voor in totaal € 6.455,49.

Op naam van [naam 39] is in totaal € 12.676,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor 2013 € 3.995,- uitbetaald en voor 2014 € 8.681,-. De eerste betaling heeft in juni 2013 plaatsgevonden en de laatste in november 2014.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 41] niet bekend was bij [naam kinderopvang 1] in de periode vóór 1 januari 2015.

[naam 39] is op 22 oktober 2019 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat zijn dochter [naam 41] nooit naar de opvang is geweest in 2013 en 2014. Op een gegeven moment heeft [naam verdachte] [verdachte] tegen hem gezegd dat hij recht had op KOT. Van het maandelijks ontvangen geld moest hij 50% aan [naam verdachte] afstaan. Hij heeft ook verklaard dat hij aanvragen A13-DOC-001 en -019 niet heeft gedaan en dat hij denkt dat [naam verdachte] die aanvragen heeft gedaan. Verder heeft hij verklaard dat de handtekening op antwoordformulier A13-DOC-007 niet van hem is en dat het ook niet zijn handschrift is. De jaaropgave 2013 heeft hij nooit gezien en hij wist niet dat deze naar de Belastingdienst was opgestuurd. Als [naam verdachte] niet op kantoor was, moest hij spullen aan [naam 32] geven. Bij zijn weten regelde [naam 32] niets voor hem en deed [naam verdachte] dat. Nadat hem een foto van verdachte (F-001a) is getoond heeft hij verklaard dat dit meneer [naam verdachte] is.

Aanvrager [naam 42] (A14)

Op 11 december 2012 is op naam van [naam 42] (BSN: [nummer 33] ) KOT aangevraagd voor [naam 43] (BSN: [nummer 34] ), [naam 44] (BSN: [nummer 35] ) en [naam 45] (BSN: [nummer 36] ). In deze aanvraag is opgenomen dat met ingang van 1 oktober 2012 [naam 43] en [naam 44] gedurende 90 uur per maand à € 6,36 per uur worden opgevangen op BSO [naam BSO 5] en [naam 45] gedurende 228 uur per maand à € 6,36 per uur bij dagopvang [naam BSO 3] . In een beschikking met dagtekening 5 februari 2013 wordt de KOT over 2012 berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de op 11 december 2012 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor 2013. Op 10 juli 2013 is de KOT met ingang van 1 september 2013 stopgezet (A14-DOC-014).

Op 26 maart 2015 is op naam van [naam 42] , met [naam 46] als toeslagpartner, KOT aangevraagd voor [naam 45] . In de aanvraag is opgenomen dat [naam 45] met ingang van [geboortedag 2] 2015 gedurende 198 uur per maand à € 7,78 per uur wordt opgevangen bij dagopvang [naam BSO 9] . In een brief met dagtekening 21 april 2015 wordt de het KOT-voorschot voor 2015 berekend. Op 5 december 2015 wordt op naam van [naam 42] een KOT-wijziging doorgegeven, inhoudende dat [naam 45] met ingang van 1 januari 2016 gedurende 74 uur per maand à € 6,78 per uur wordt opgevangen bij BSO [naam BSO 1] . In een beschikking gedagtekend op 31 december 2015 wordt het KOT-voorschot voor 2016 berekend. Op 11 maart 2016 wordt de KOT met ingang van 1 mei 2016 stopgezet (A14-DOC-050).

Op 23 mei 2016 wordt op naam van [naam 42] KOT aangevraagd voor [naam 45] . Deze aanvraag houdt in dat [naam 45] met ingang van 1 juni 2016 gedurende 78 uur per maand à € 7,78 per uur wordt opgevangen bij BSO [naam BSO 1] . In een beschikking met dagtekening 21 juni 2016 wordt het KOT-voorschot voor 2016 opnieuw berekend. Op 31 oktober 2016 wordt de KOT met ingang van 1 december 2016 stopgezet (A14-DOC-055).

De Belastingdienst in Heerlen heeft op 13 juli 2016 een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2015 op naam van [naam 42] retour ontvangen. Dit formulier is op 6 juli 2016 in Den Haag ondertekend. Hierin is opgenomen dat [naam 45] in 2015 bij kinderopvang [naam BSO 9] dagopvang heeft genoten gedurende 1.293 uur voor een bedrag van € 10.066,08.

De Belastingdienst in Heerlen heeft op 24 februari 2017 een verzoek informatie kinderopvangtoeslag, gericht aan [naam 42] , retour ontvangen. Het document is op 21 februari 2017 ondertekend. Hierbij is een BPVO ROC [naam ROC] gevoegd. Deze overeenkomst heeft betrekking op student [naam 42] , Beroepspraktijkvormingbiedend bedrijf Kapsalon [naam kapsalon] , onderwijsinstelling ROC [naam ROC] en Kenniscentrum voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven SBB. In deze overeenkomst is opgenomen dat [naam 42] in de periode van 12 januari 2015 tot en met 18 december 2015 een beroepspraktijkvorming zal volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in het kader van haar opleiding tot junior kapper. Getuige [naam getuige 2] is als getuige gehoord over de BPVO. Hij heeft verklaard dat [naam 42] nooit een opleiding gevolgd heeft bij het ROC [naam ROC] en dat het studentnummer op de BPVO ( [nummer 11] ) hoort bij student [naam student] .

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 43] , [naam 44] en [naam 45] vóór en na 1 januari 2015 geen opvang hebben genoten bij [naam kinderopvang 1] .

Op naam van [naam 42] is in totaal € 34.756,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor 2013 in totaal € 17.914,- uitbetaald, voor 2015 € 8.713,- en voor 2016 € 3.644,-. De eerste uitbetaling vond plaats in december 2012 en de laatste in november 2016. Daarnaast is op 6 februari 2013 het KOT-voorschot over het jaar 2012 van € 4.485,- uitbetaald.

Vastgesteld is dat voor het doorgeven van de KOT-wijziging op 5 december 2015 en het indienen van de KOT-aanvraag op 23 mei 2016 op naam van [naam 42] gebruik is gemaakt van IP-adres [nummer IP-adres] . Daarnaast is er op diverse andere momenten op naam van [naam 42] via dit IP-adres ingelogd op het Toeslagenportaal van de Belastingdienst.

Op 21 oktober 2019 is [naam 42] als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat hij alles met betrekking tot belastingen door [naam verdachte] [verdachte] heeft laten doen. Zijn kinderen hebben nooit op de opvang gezeten. [naam verdachte] vertelde hem dat hij recht had op KOT. De aanvraag A14-DOC-001 niet heeft hij gedaan en hij denkt dat [naam verdachte] die heeft gedaan. Hij heeft verklaard dat hij geen enkele KOT-aanvraag heeft gedaan. De handtekening en het handschrift op antwoordformulier A14-DOC-035 zijn niet van hem. Ook heeft hij geen idee wie het verzoek om informatie A14-DOC-040 naar de Belastingdienst stuurde. Op de eerste pagina is het wel zijn handschrift en handtekening, maar op de tweede pagina niet. De BPVO heeft hij nog nooit heeft gezien en de enige gegevens die daarop kloppen zijn naam en adres zijn. Na het tonen van een foto van verdachte (F-001a) heeft hij verklaard dat dit hem, de [naam verdachte] waarover hij verklaarde, was.

Op 4 november 2019 is [naam 42] nogmaals als verdachte gehoord. Hij heeft toen verklaard per maand € 175,- tot € 250,- mocht houden van de ontvangen KOT en dat hij de rest aan [naam verdachte] moest geven.

De FIOD heeft aan de hand van de verklaring van [naam 42] een berekening opgesteld waarin de ontvangen KOT is verdeeld tussen verdachte en [naam 42] . De slotsom van deze berekening is dat [naam 42] in totaal € 28.204,- aan verdachte heeft gegeven.

Aanvrager [naam 47] (A15)

Op 11 april 2013 is op naam van [naam 47] (BSN: [nummer 37] ) KOT aangevraagd voor [naam 48] (BSN: [nummer 38] ). In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 48] met ingang van [geboortedag 2] 2013 gedurende 224 uur à € 6,72 per uur wordt opgevangen bij dagopvang [naam kinderopvang 1] “ [naam BSO 9] ”. In een beschikking met dagtekening 21 mei 2013 is het KOT-voorschot voor 2013 berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de op 11 april 2013 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor 2014. Op 3 januari 2014 wordt de KOT met ingang van [geboortedag 2] 2014 gestopt (A15-DOC-008).

Op 1 april 2014 wordt op naam van [naam 47] KOT aangevraagd voor [naam 48] . In deze aanvraag is opgenomen dat [naam 48] met ingang van [geboortedag 2] 2014 gedurende 224 uur à € 6,65 per uur wordt opgevangen op dagopvang [naam BSO 9] . In een beschikking met dagtekening 21 mei 2014 is het KOT-voorschot voor 2014 opnieuw berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de op 1 april 2014 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor 2015. In een brief met dagtekening 30 maart 2015 heeft de Belastingdienst de KOT over 2014 en 2015 stopgezet (A15-DOC-021).

Op naam van [naam 47] is in totaal € 32.272,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor 2013 € 12.186,- uitbetaald, voor 2014 € 15.070,- en voor 2015 € 5.016,-. De eerste betaling vond plaats in mei 2013 en de laatste in maart 2015.

Uit een analyse van de bankrekening van [naam 47] komt naar voren dat tussen 20 mei 2014 en 30 maart 2015 in totaal € 8.500,- is overgemaakt naar bankrekening [deel bankrekeningnummer 4] op naam van [naam 2] en/of verdachte en met in de omschrijving K.O. Uit een analyse van de bankrekening van [naam 39] (A13) komt naar voren dat vanaf zijn bankrekening in totaal € 3.600,- is overgemaakt naar [deel bankrekeningnummer 4] , met in de omschrijving ‘ [naam verdachte] K.O. [naam 47] ’. [naam 39] heeft hierover verklaard dat [naam 47] dit geld op zijn rekening stortte en dat hij dit moest doorboeken naar compagnon [naam 2] van meneer [naam verdachte] en dat dit was voor de KOT die moest worden afgestaan.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 48] vóór en na 1 januari 2015 geen opvang heeft genoten bij [naam kinderopvang 1] .

Vastgesteld is dat op naam van [naam 47] van juni 2015 tot medio januari 2018 op diverse momenten is ingelogd op het Toeslagenportaal van de Belastingdienst via IP-adres [nummer IP-adres] .

[naam 47] is op 21 oktober 2015 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat [naam verdachte] [verdachte] tegen haar zei dat zij recht had op KOT toen zij zei dat zij een dochter had. Een deel van de KOT die zij ontving moest zij terugbetalen op een rekening die [naam verdachte] haar later gaf. In de eerste maanden van 2013 maakte zij het over op de bankrekening van haar zwager [naam 39] die het zou overboeken naar [naam verdachte] . Zij heeft nooit een KOT-aanvraag ingediend en het zal [naam verdachte] het geweest zijn die aanvraag A15-DOC-001 en 010 heeft ingediend. [naam verdachte] was degene die ervoor zou zorgen dat de aanvraag ingediend zou worden. Ook heeft zij verklaard dat zij van [naam verdachte] bij de overboekingen K.O. in de omschrijving moest gebruiken en dat dit kinderopvangtoeslag betekent. Nadat aan haar een foto van verdachte (F-001a) is getoond, heeft zij verklaard dat dit meneer [naam verdachte] is die voor haar de belastingzaken regelde.

Aanvrager [naam 49] (A16)

Op 11 januari 2013 is op naam van [naam 49] (BSN: [nummer 39] ) KOT aangevraagd voor [naam 50] (BSN: [nummer 40] ) en [naam 51] (BSN: [nummer 41] ). In deze aanvraag is opgenomen dat met ingang van 1 januari 2013 [naam 50] gedurende 80 uur per maand à € 6,36 per uur zou worden opgevangen bij een BSO [naam kinderopvang 1] en dat [naam 51] gedurende 229 uur per maand à € 6,36 per uur zou worden opgevangen op dagopvang [naam BSO 3] . In een beschikking met dagtekening 12 februari 2013 is het KOT-voorschot voor 2013 berekend. Op 19 augustus 2013 is de KOT met ingang van 1 oktober 2013 gestopt (A16-DOC-004).

De Belastingdienst in Heerlen heeft op 26 januari 2015 een verzoek aanvullende informatie op naam van [naam 49] retour ontvangen. Dit formulier is op 8 januari 2015 ondertekend. Bij dit formulier is een document gevoegd van [naam kinderopvang 1] , gericht aan [naam 49] . Hierin is opgenomen dat [naam 50] in 2013 gedurende 1.020 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van € 6.834,-.

Op naam van [naam 49] is voor het jaar 2013 in totaal € 13.709,- aan KOT uitbetaald. De uitbetalingen vonden plaats tussen februari en september 2013.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam 50] en [naam 51] vóór 1 januari 2015 geen opvang hebben genoten bij [naam kinderopvang 1] .

[naam 49] is op 23 juli 2019 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat haar kinderen nooit naar de opvang zijn geweest. [naam verdachte] [verdachte] vertelde haar vriend [naam 52] dat hij kinderopvang kon regelen. Zij heeft verklaard dat zij een inschrijfformulier voor [naam kinderopvang 1] moest invullen en dat [naam verdachte] aanvragen heeft gedaan voor KOT. zij heeft verklaard dat zij alle gestorte KOT aan [naam verdachte] moest afstaan. Het geld werd in een envelop naar [naam verdachte] gebracht. Verder heeft zij verklaard dat zij aanvraag A16-DOC-002 niet heeft ingediend, maar dat zij haar gegevens aan [naam verdachte] heeft gegeven en dat die de rest zou regelen. Het handschrift en de handtekening op het formulier A16-DOC-011, p. 1, is van haar. De bijgevoegde jaaropgaven 2012 heeft zij nooit gezien. Nadat haar een foto van verdachte (F-001a) is getoond, heeft zij verklaard dat zij denkt dat het meneer [naam verdachte] is.

Aanvrager [naam 53] (A17)

Op 12 november 2012 is op naam van [naam 53] (BSN: [nummer 42] ) KOT aangevraagd voor [naam 54] (BSN: [nummer 43] ). In de aanvraag is opgenomen dat [naam 54] met ingang van 1 oktober 2012 gedurende 229 uur per maand à € 6,36 per uur zou worden opgevangen bij dagopvang [naam BSO 3] . In een beschikking met dagtekening 29 december 2012 is het KOT-voorschot over 2012 berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de op 12 november 2012 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor 2013. Met een brief met dagtekening 21 oktober 2013 is de KOT voor 2012 en 2013 gestopt (A17-DOC-017).

Op 19 mei 2014 wordt op naam van [naam 53] KOT aangevraagd voor [naam 55] (BSN: [nummer 44] ). In die aanvraag is opgenomen dat [naam 55] met ingang van 1 juni 2014 gedurende 190 uur per maand à € 7,78 per uur zou worden opgevangen op dagopvang [naam BSO 3] . In een beschikking met dagtekening 21 juni 2014 is het KOT-voorschot voor 2014 berekend. De Belastingdienst heeft op basis van de op 19 mei 2014 doorgegeven opvanggegevens de KOT automatisch gecontinueerd voor 2015.

Op 20 april 2015 wordt de KOT met ingang van 1 mei 2015 gestopt (A17-DOC-037).

Op naam van [naam 53] is in totaal € 26.745,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is voor 2012 € 3.964,- uitbetaald, voor 2013 € 14.531,- en 2015 € 8.250,-. De eerste uitbetaling vond plaats in december 2012 en de laatste in juni 2015. De KOT over 2014 is niet uitgekeerd, maar verrekend met andere belastingaanslagen.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat A. en [naam 55] geen opvang hebben genoten bij [naam kinderopvang 1] vóór 1 januari 2015, en ook niet na 1 januari 2015.

In een in de woning van verdachte in beslag genomen computer (inbeslagname code A.02.03.002) is een PDF-versie aangetroffen van een voorschotbeschikking, gericht aan [naam 53] , waarin de KOT over 2015 opnieuw is berekend.

[naam 53] is op 15 juli 2019 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat haar kinderen nooit naar de kinderopvang zijn geweest. Haar ex-man regelde de belastingzaken met [naam verdachte] [verdachte]. Haar ex had aan haar verteld dat de helft van de maandelijkse KOT naar [naam verdachte] werd gebracht. Zij heeft aanvragen A17-DOC-001 en -024 niet heeft ingestuurd naar de Belastingdienst.

Aanvragers [naam 56] en [naam 57] (A18)

Op 2 oktober 2010 is op naam van [naam 56] KOT aangevraagd voor [naam 58] , geboren op [geboortedag 2] 2006 (hierna: dochter). Op 16 november 2010 wordt op naam van [naam 56] een KOT-wijziging doorgegeven, waardoor ook KOT wordt aangevraagd voor [naam 58] , geboren op [geboortedag 3] 2001 (hierna: zoon). De Belastingdienst heeft de KOT automatisch gecontinueerd voor de jaren 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015. Op 17 maart 2014 is op naam van [naam 57] KOT aangevraagd voor de opvang van zoon met ingang van 1 januari 2014 bij BSO [naam BSO 1] . De KOT wordt op 17 juli 2014 met ingang van 1 augustus 2014 gestopt. Op 5 december 2015 wordt op naam van [naam 57] KOT aangevraagd voor de opvang van dochter bij BSO [naam BSO 1] . De Belastingdienst heeft deze KOT automatisch gecontinueerd voor 2016. Bij de retour gestuurde antwoordformulieren over de jaren 2010-2014 zijn jaaropgaven van [naam kinderopvang 1] gevoegd.

Op naam van [naam 56] en [naam 57] is in totaal € 49.088,- aan KOT uitbetaald. Hiervan is € 26.090,- uitbetaald op een rekening op naam van [naam 56] en € 4.269,- op een rekening op naam van [naam 57] . Tot slot is tussen 17 oktober 2011 en 17 september 2013 in totaal € 18.729,- uitbetaald op [deel bankrekeningnummer 6] op naam van verdachte en/of [naam 2] .

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat de zoon en dochter geen gebruik hebben gemaakt van kinderopvang bij [naam kinderopvang 1] .

Vastgesteld is dat de KOT-aanvraag op 5 december 2015 op naam van [naam 57] is ingediend via IP-adres [nummer IP-adres] . Daarnaast is in de periode van juni 2015 tot en met februari 2016 herhaaldelijk op naam van [naam 56] en [naam 57] ingelogd op het Toeslagenportaal van de Belastingdienst via dit IP-adres.

[naam 56] is op 6 november 2017 als verdachte gehoord. Zij heeft verklaard dat haar zoon vanaf 6 weken tot 4 jaar naar de kinderopvang is geweest en dat haar dochter nooit naar de opvang is geweest. [naam 57] is ook op 6 november 2017 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat hij zijn DigiD aan [naam verdachte] , die aan de [adres verdachte] woont [verdachte], heeft gegeven om zijn kinderen in te laten schrijven voor kinderopvang. Zijn zoon heeft vanaf 2010 geen kinderopvang genoten en zijn dochter heeft geen kinderopvang genoten.

IP-adres [nummer IP-adres]

Bij een deel van de aanvragers is vastgesteld dat in relatie tot die aanvrager gebruik is gemaakt van IP-adres [nummer IP-adres] . Met betrekking tot dit IP-adres is uit onderzoek het volgende gebleken.

Op 28 november 2018 is de tenaamstelling van dit IP-adres bevraagd en gebleken is dat het IP-adres gekoppeld was aan het bedrijf [naam bedrijf 1] , gevestigd aan de [adres] in [plaats] . [naam bedrijf 1] is een handelsnaam van een eenmanszaak van verdachte.

Op 16 mei 2019 is het bedrijfsadres van [naam bedrijf 1] doorzocht. Daarbij is een visitekaartje met het opschrift [naam bedrijf 2] aangetroffen met op de achterkant ‘Wificode [naam 59] % [naam 60] ’. Ter plaatse waren twee draadloze netwerken beschikbaar, te weten ‘ [naam bedrijf 2] ’ en ‘ [naam 60] _N_Wireless_262C69’. De verbalisant heeft met de WiFi-code verbinding gemaakt met het [naam 60] -netwerk. Vervolgens bleek het IP-adres wat werd gebruikt IP-adres [nummer IP-adres] te zijn.

(Digitaal) beslag

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn in de kelderbox acht mappen en één afsprakenblok in beslag genomen. Hierbij zaten vijf BPVO’s. Een originele BPVO op naam van [naam student] , een BPVO op naam van [naam student] zonder streepjescode. Een BPVO waarop de naam van [naam 13] staat en op de plaats van de streepjescode allemaal enen. Een BPVO met de naam [naam 13] en een streepjescode en tot slot een gekopieerde BPVO die overeenkomst met de aan de Belastingdienst overgelegde BPVO op naam van [naam 13] .

In het digitale beslag zijn bestanden aangetroffen met onderdelen die nagenoeg overeenkomen met de BPVO op naam van [naam student] . Het telefoonnummer van Kapsalon [naam kapsalon] ( [telefoonnummer] ), vermeld op de BPVO op naam van [naam student] , is in een in beslag genomen telefoon opgeslagen onder de naam [naam 61] Kapsalon.

Op de harde schijf die in het bedrijfspand van [naam bedrijf 1] in beslag is genomen is een leeg briefpapier aangetroffen, met linksboven een [naam kinderopvang 1] -logo. Dit logo komt sterk overeen met het logo op verschillende in de tenlastelegging van feit 1 genoemde jaaropgaven en overeenkomst kinderopvang. Bij een van de jaaropgaven staat het logo aan de rechterzijde in plaats van de linkerzijde.

Bankrekeningen

Uit de hiervoor beschreven gang van zaken rondom de KOT voor de verschillende aanvragers komt naar voren dat er op verschillende rekeningen op naam van verdachte door de Belastingdienst KOT is gestort en dat daarnaast door aanvragers geld is overgemaakt naar rekeningen op naam van verdachte. Uit het dossier blijkt wat betreft deze bankrekeningen het volgende.

[deel bankrekeningnummer 6]

Deze bankrekening is gebruikt om KOT op naam van [naam 56] en [naam 57] uit te laten betalen en door [naam 20] is op deze rekening geld gestort.

Uit de analyse van deze bankrekening komt naar voren dat in de periode van oktober 2011 tot en met augustus 2017 in totaal € 101.974,68 op deze rekening is ontvangen en dat in diezelfde periode in totaal € 106.038,24 is betaald, waaronder geldopnamen (€ 12.160,-) en geldstortingen (€ 40.200,-).

[deel bankrekeningnummer 1]

Deze bankrekening is gebruikt om KOT op naam van [naam 2] uit te laten betalen.

Uit de analyse van deze bankrekening komt naar voren dat in de periode van januari 2012 tot en met mei 2018 in totaal € 133.806,08 op deze rekening is ontvangen en dat in diezelfde periode in totaal € 133.856,06 is betaald, waaronder geldopnamen (€ 570,-) en geldstortingen (€ 49.200,-).

[deel bankrekeningnummer 2]

Deze bankrekening is gebruikt om KOT op naam van [naam 2] en [naam 65] uit te laten betalen.

Uit de analyse van deze bankrekening komt naar voren dat in de periode van december 2009 tot en met juni 2015 in totaal € 274.970,42 op deze rekening is ontvangen en dat in diezelfde periode in totaal € 274.918,37 is betaald, waaronder geldopnamen (€ 84.510,-) en geldstortingen (€ 77.320,-).


[deel bankrekeningnummer 4]

Deze bankrekening is gebruikt om KOT op naam van [naam 65] uit te laten betalen en door [naam 47] is op deze rekening geld gestort.

Uit de analyse van deze bankrekening komt naar voren dat in de periode van januari 2013 tot en met mei 2018 in totaal € 537.945,25 op deze rekening is ontvangen en dat in diezelfde periode in totaal € 537.351,65 is betaald, waaronder geldopnamen (€ 17.530,-) en geldstortingen (€ 111.405,-).

[deel bankrekeningnummer 5]

Door [naam 27] en [naam 13] is op deze rekening geld gestort.

Uit de analyse van deze bankrekening komt naar voren dat in de periode van januari 2012 tot en met 6 mei 2019 in totaal € 687.242,41 op deze rekening is ontvangen en dat in diezelfde periode in totaal € 686.183,83 is betaald, waaronder geldopnamen (€ 150.370,-) en geldstortingen (€ 212.570,-).

[deel bankrekeningnummer 3]

Deze bankrekening is gebruikt om KOT op naam van [naam 65] uit te laten betalen. Het dossier bevat geen proces-verbaal waarin de transacties op de bankrekening op naam van [naam 62] zijn geanalyseerd.

Financiën

Uit de aangiften omzetbelasting is op te maken de jaarlijkse omzet die verdachte met zijn onderneming [naam bedrijf 1] behaalde in de periode 2013-2019 tussen de € 8.445,- en € 47.001,- per jaar lag, met één uitschieter in 2014 van € 136.656,-. Uit de systemen van de Belastingdienst komt naar voren dat verdachte in 2012 voor de inkomstenbelasting € 323,- aan loon heeft opgegeven, voor 2016 € 5.409,- en 2017 € 7.144,-. Het opgegeven inkomen van zijn vrouw [naam 2] lag in de jaren 2012-2017 tussen de € 21.574,- en € 24.571,-.

5.3.2.

Aanvullende (bewijs)overwegingen

Alternatief scenario

Beoordeling

Door de verdediging is een alternatief scenario naar voren gebracht wat in de kern erop neer komt dat verdachte de tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd, maar dat meneer [naam 1] daarvoor verantwoordelijk was. De rechtbank verwerpt dit scenario.

De betrokkenheid van meneer [naam 1] blijkt niet uit het dossier anders dan door wat verdachte – voornamelijk via zijn raadsvrouw – naar voren heeft gebracht. Ook [naam 32] die in het kantoor van verdachte aan het werk is geweest, verklaart niet over een derde persoon op kantoor, laat staat over [naam 1] . Voor zover aanvragers het naast verdachte over een ander op het kantoor van verdachte hebben, hebben zij het over [naam 32] en wat zij over [naam 32] verklaren wijst niet op een rol die tot de conclusie kan leiden dat verdachte niet betrokken zou zijn geweest bij de onterechte KOT-aanvragen. Daar komt bij dat aan vrijwel alle aanvragers een foto van verdachte is getoond en dat die allemaal verklaren dat dit degene is die hen hielp bij het aanvragen van KOT. Verder vindt de rechtbank van belang dat een deel van de KOT die op naam van anderen is aangevraagd, op rekeningen van verdachte is gestort, wat een sterke contra-indicatie is voor de stelling dat verdachte nergens bij betrokken is. Tot slot vindt de rechtbank van belang dat voor zover verdachte al over meneer [naam 1] heeft verklaard, hieruit naar voren komt dat [naam 1] in de periode 2016-2018 toegang zou hebben gehad tot het kantoor van verdachte. De tenlastegelegde en bewezen feiten zijn echter hoofdzakelijk voorafgaand aan die periode gepleegd. Daarmee weerlegt de door verdachte afgelegde verklaring ook niet zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om onderzoek te laten verrichten naar het arbeidsverleden van de heer [naam 1] bij [naam kinderopvang 1] , als de rechtbank niet meegaat in het alternatieve scenario en de rechtbank van oordeel is dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarde van het voorwaardelijk verzoek is voldaan, omdat de rechtbank het alternatieve scenario verwerpt en bewezen vindt dat verdachte de tenlastegelegde feiten grotendeels heeft begaan.

De rechtbank wijst het verzoek om nader onderzoek te doen af, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat volgens de eigen verklaring van verdachte [naam 1] in de periode 2016-2018 een rol zou hebben gehad, terwijl de strafbare feiten hoofdzakelijk voorafgaand aan die periode hebben plaatsgevonden.

Oplichting (feit 3)

Vrijspraken (aanvragers [naam 63] (A08) en [naam 64] (A19))

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte wat betreft de KOT voor de opvang van de zoon van [naam 63] en de zoon van [naam 64] de Belastingdienst als (mede)pleger heeft opgelicht. Verdachte zal voor delen van de KOT die ten onrechte aan [naam 63] (€ 3.157,-) en [naam 64] (€ 16.032,-) zijn uitgekeerd worden vrijgesproken.

Bij [naam 63] is daarvoor van belang dat de gang van zaken in dit geval afwijkt van die bij de andere aanvragers. Uit de verklaring van [naam 63] volgt dat zij voor de aanvraag KOT contact had met een vrouw. Wel zou er een keer een man naast deze vrouw in de auto hebben gezeten. Het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte volgt alleen uit een herkenning door [naam 63] van verdachte en zijn vrouw als de man en vrouw waarover [naam 63] verklaarde. Deze herkenning heeft echter plaatsgevonden door het tonen van een enkele foto tijdens het verhoor, waardoor de bewijswaarde beperkt is. Aanvullende omstandigheden waaruit de betrokkenheid van verdachte zou kunnen blijken, ontbreken. Bovendien wijkt deze situatie af omdat de KOT is uitgekeerd in verband met een vermeende opvang op een opvanglocatie van [naam kinderopvang 3] in Amsterdam, en niet – zoals in de andere gevallen – op een opvanglocatie van [naam kinderopvang 1] in Den Haag.

Bij [naam 64] is daarvoor van belang dat dat hij heeft verklaard dat hij de KOT-aanvragen/wijzigingen heeft ingediend en dat verdachte hier niets mee te maken had. Uit A19-AMB-003 volgt weliswaar dat met betrekking tot het BSN-nummer van [naam 64] gebruik is gemaakt van het IP-adres [nummer IP-adres] om in te loggen op het Toeslagenportaal, maar dit contact vond plaats op 15 maart 2017, ver na de onterechte KOT-uitkeringen en deze contactmomenten hebben geen betrekking gehad op KOT. Ook de aangetroffen stukken in het (digitale) beslag die betrekking hebben op [naam 64] staan niet in relatie tot KOT. Omdat uit het dossier blijkt dat [naam 64] gebruik maakte van de kantoorruimte van verdachte is het aantreffen van (digitale) spullen of het gebruikmaken van dit IP-adres onvoldoende om verdachte aan deze onterechte KOT-aanvragen te koppelen.

Bewezenverklaringen (algemeen)

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen komt naar voor dat voor alle aanvragers ten onrechte KOT is aangevraagd, omdat de kinderen nooit naar de opvang zijn geweest of – in enkele gevallen – veel minder uren dan bij de aanvraag van KOT is opgegeven. In vrijwel alle gevallen blijkt van de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting van de Belastingdienst omdat de aanvrager heeft aangegeven dat meneer [naam verdachte] , [naam verdachte] of [naam verdachte] daarbij heeft geholpen/het aanvragen heeft geïnitieerd. Aan bijna alle aanvragers is een foto van verdachte getoond en zij hebben verdachte daarop allemaal herkend. De verklaringen van de aanvragers worden daarnaast ondersteund doordat bij meerdere aanvragers girale geldstromen op verdachte wijzen, gebruik is gemaakt van het IP-adres dat op naam van het bedrijf van verdachte geregistreerd staat en/of omdat in het beslag stukken zijn aangetroffen die een verband leggen tussen verdachte en de aanvrager.

Dit maakt dat de rechtbank bewezen vindt dat verdachte ten aanzien van alle aanvragers (met uitzondering van [naam 63] en [naam 64] , zoals hiervoor overwogen) de Belastingdienst heeft opgelicht.

De rechtbank vindt dat met uitzondering van [naam 65] (zie hierna) steeds bewezen is dat sprake is van medeplegen tussen verdachte en de aanvrager(s), omdat de aanvrager(s) wisten dat er een toeslag werd aangevraagd voor de kinderopvang, terwijl zij ook wisten dat het kind niet naar de opvang ging en daarmee is in elk geval sprake van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank vindt daarbij bewezen dat verdachte en zijn mededaders gebruik hebben gemaakt van listige kunstgrepen en dat sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. De aanvragen zijn ingediend om ten onrechte KOT te ontvangen en daar hebben telkens verdachte en/of de aanvragers wederrechtelijk van geprofiteerd.

In aanvulling op bovenstaande algemene overwegingen overweegt de rechtbank ten aanzien van een deel van de aanvragers nog als volgt.

[naam 2] (A01)

Zowel verdachte als [naam 2] verklaren dat zij niets van doen hebben gehad met de KOT-aanvragen, waarvan de uitbetaling plaatsvond op hun eigen rekeningen. Dat verdachte hierbij niet betrokken zou zijn geweest vindt de rechtbank – ook omdat zij voorbijgaat aan het geschetste alternatieve scenario – niet geloofwaardig. Daar komt bij dat de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte voor een groot aantal aanvragers KOT heeft aangevraagd, wat de stelling dat verdachte zijn eigen KOT níet heeft aangevraagd, nog ongeloofwaardiger maakt.

Wat betreft de omvang van de oplichting is het volgende van belang. Voorafgaand aan het begin van de tenlastegelegde periode (29 december 2009) zijn op naam van [naam 2] in 2007 en 2008 – ten onrechte – aanvragen/wijzigingen KOT ingediend. Op basis van die gegevens heeft de Belastingdienst de KOT ook automatisch gecontinueerd. De eerste – onjuiste – aanvraag in de tenlastegelegde periode was op 9 december 2010. De rechtbank leidt uit A01-DOC-129 af dat de toen doorgegeven wijziging ertoe heeft geleid dat vanaf 15 april 2011 (andere) KOT-betalingen werden uitbetaald. Vanaf die betaling is de Belastingdienst in de tenlastegelegde periode bewogen tot afgifte van geldbedragen. In totaal gaat het om € 21.090,- aan onterechte KOT tussen 15 april 2011 en 16 maart 2015.

[naam 7] (A02)

De rechtbank gaat er op basis van het dossier van uit dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de gelegenheid dat [naam 7] en haar man tijdens hun verblijf in [geboorteland] het huis van verdachte als Nederlands postadres hebben gebruikt. De rechtbank ziet dan ook geen bewijs dat [naam 7] wist dat op haar naam KOT werd aangevraagd en daarom is ten aanzien van [naam 7] niet bewezen dat sprake is geweest van medeplegen. Dat de woning van verdachte het postadres was en de KOT op rekeningen van verdachte is uitgekeerd, maakt wel dat bewezen is dat verdachte het deze oplichting als pleger heeft begaan.

[naam 33] (A10)

Uit het dossier komt naar voren dat [naam 33] onterecht KOT heeft ontvangen over de periode 2014-2018. Voor wat betreft de eerste periode tot begin 2016 is de KOT onterecht ontvangen, omdat niet is gebleken dat [naam 33] studeerde of werkte, maar in die periode ging haar kind wel naar de opvang. Dat verdachte in deze periode betrokkenheid heeft gehad bij het ten onrechte aanvragen van de KOT blijkt uit het dossier niet, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Voor de periode vanaf 1 juli 2016 is de KOT ook ten onrechte uitgekeerd, omdat het kind van [naam 33] niet naar de opvang ging. In die periode is in totaal € 31.995,- ten onrechte aan KOT ontvangen. Uit de bewijsvoering komt naar voren dat verdachte over deze periode wel als medepleger kan worden aangemerkt. Hoewel [naam 33] in haar verklaring wijst op haar ex [naam 35] , ziet de rechtbank bewijs voor de betrokkenheid van verdachte in het gebruik van IP-adres [nummer IP-adres] . Omstandigheden waaruit afgeleid zou moeten worden dat [naam 35] van dit IP-adres van het bedrijf van verdachte gebruik zou hebben gemaakt, zijn niet gebleken en ook de verklaring van verdachte en het door de verdediging geschetste alternatieve scenario geven hiervoor geen aanknopingspunten. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte – in samenwerking met [naam 35] – de KOT op naam van [naam 33] heeft aangevraagd bij de Belastingdienst.

[naam 53] (A17)

Uit het dossier komt naar voren dat de KOT in 2015 op 20 april 2015 met ingang van 1 mei 2015 is gestopt. In mei 2015 heeft er dan ook geen KOT-uitbetaling plaatsgevonden op naam van [naam 53] . Uit de betalingsgegevens van A17-DOC-062 komt naar voren dat vervolgens in juni 2015 twee KOT-uitbetalingen hebben plaatsgevonden van in totaal € 2.358,-. De KOT-aanvragen en beschikkingen die tot deze uitbetalingen hebben geleid, zijn niet in het dossier opgenomen. Dat deze uitbetalingen het gevolg zijn van een (eerdere of nieuwe) aanvraag ligt echter voor de hand. Op basis van de verklaring van [naam 53] kan worden vastgesteld dat zij geen enkele betrokkenheid had bij de aanvragen die op haar naam zijn gedaan en dat alles wat de KOT aangaat is geregeld door verdachte in samenspraak met haar man. De rechtbank acht dit voldoende om bewezen te verklaren dat verdachte ook betrokkenheid heeft gehad bij de aanvraag of aanvragen die aan deze betalingen ten grondslag liggen en dat verdachte (als medepleger) de Belastingdienst heeft opgelicht voor zover het het bedrag van € 2.358,- dat in juni 2015 is uitbetaald, betreft. Het is dan ook bewezen dat verdachte in de periode van 2012 tot en met april 2015 de Belastingdienst heeft opgelicht, wat betreft de op naam van [naam 53] uitgekeerde KOT, voor een totaalbedrag van € 26.745,-.

Totaalbedrag oplichting

De rechtbank leidt uit de bewijsvoering per aanvrager de volgende totaalbedragen af waarvoor verdachte de Belastingdienst als (mede)pleger heeft opgelicht.

Aanvrager oplichtingsbedrag

A01 € 21.090,00

A02 € 30.720,00

A03 € 25.770,00

A04 € 45.713,00

A05 € 35.795,00

A06 € 33.098,00

A07 € 41.126,00

A08 vrijspraak

A09 € 41.411,00

A10 € 31.995,00

A11 € 60.957,00

A12 € 36.837,00

A13 € 12.676,00

A14 € 34.756,00

A15 € 32.272,00

A16 € 13.709,00

A17 € 26.745,00

A18 € 49.088,00

A19 vrijspraak +

Totaal € 573.758,00

Valsheid in geschrift (feit 1)

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte de valse geschriften naar de Belastingdienst heeft opgestuurd. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte als (mede)pleger betrokken was bij het oplichten van de Belastingdienst en de overgelegde stukken zijn ingediend in een poging om de juistheid van de KOT-aanvragen te onderbouwen. De verschillende aanvragers hebben verklaard dat verdachte de KOT-aanvragen zou regelen en dat zij de overgelegde stukken zoals jaaropgaven en BPVO’s nooit eerder gezien hebben.

In het verlengde hiervan vindt de rechtbank ook bewezen dat verdachte degene is geweest die de valse geschriften valselijk heeft opgemaakt. Daarvoor is ook van belang dat onder verdachte documenten zijn aangetroffen waarmee het valselijk opmaken van de BPVO’s mogelijk is. Ook is bij verdachte blanco [naam kinderopvang 1] -briefpapier aangetroffen wat het valselijk opmaken van jaaropgaven mogelijk maakt. Voor zover van specifiek valselijk opgemaakte geschriften geen ‘brondocumenten’ onder verdachte zijn aangetroffen, leidt de rechtbank het valselijk opmaken van die geschriften af uit zijn betrokkenheid bij de oplichting én het valselijk opmaken van de andere geschriften.

De rechtbank stelt vast dat het oudste geschrift, de jaaropgave 2009 over de opvang van [naam 10] (A02-DOC-004, p. 4), is opgestuurd met een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 dat op 2 september 2010 is ondertekend. De tenlasteleggingsperiode van feit 1 begint in of omstreeks 1 september 2010. De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen op welke datum de tenlastegelegde jaaropgave valselijk is opgemaakt, maar de rechtbank gaat ervan uit dat dit kort voor ondertekenen van het antwoordformulier is geweest. De rechtbank vindt daarom bewezen dat het valselijk opmaken van deze jaaropgave heeft plaatsgevonden in of omstreeks de tenlastegelegde periode vanaf 1 september 2010.

Witwassen

Uit de aan de Belastingdienst doorgegeven omzet- en inkomstengegevens van verdachte (en zijn vrouw) komt naar voren dat de geldstromen op de bankrekeningen aanzienlijk hoger liggen dan op basis van die gegevens verwacht zou mogen worden.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat een deel van de ten onrechte uitbetaalde KOT op rekeningen van verdachte is gestort. Deze ontvangen KOT is afkomstig uit de door verdachte gepleegde oplichting. Voor zover het geld gestort is op de rekening van de toen al overleden stiefvader van verdachte, vindt de rechtbank ook bewezen dat verdachte over deze geldbedragen heeft kunnen beschikken. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte de daaraan voorafgaande oplichting heeft gepleegd en het kan in dit geval dan niet anders zijn dat verdachte ook over de uitbetaalde KOT kon beschikken.

Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat aanvragers die de KOT op hun eigen rekening(en) gestort kregen in de meeste gevallen geld aan verdachte moesten betalen in verband met de ontvangen KOT. Op basis van de bewijsmiddelen is niet zonder meer een direct verband te leggen tussen de onterecht ontvangen KOT en de specifieke geldbedragen die aan verdachte zijn betaald, ook omdat de ontvangen KOT vermengd is geraakt met andere geldstromen. Wel staat vast dat verdachte wist dat de aanvragers geld uit oplichting ontvingen, omdat verdachte degene was die de oplichting medepleegde. Daarmee staat ook vast dat verdachte van deze aanvragers geldbedragen ontving die geheel of gedeeltelijk en middellijk of onmiddellijk uit misdrijf afkomstig waren. Omdat de rechtbank geen exact witwasbedrag kan vaststellen zal de rechtbank bewezen verklaren dat verdachte ‘enig geldbedrag’ heeft witgewassen.

Verdachte heeft de geldbedragen in de tenlastegelegde periode verworven en voorhanden gehad. Uit de analyse van de verschillende bankrekeningen van verdachte komt naar voren op grote schaal contant geld is omgezet in giraal geld en giraal geld in contant geld. Daarnaast blijkt hieruit dat vrijwel alle ontvangen geldbedragen ook zijn uitgegeven, zodat de (contant en giraal) verworven geldbedragen ook zijn omgezet, overgedragen en gebruikt, dat met zich meebrengt dat het beroep van de verdediging op de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet slaagt.

De rechtbank vindt tot slot ook bewezen dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen. Daarvoor is in het bijzonder de periode waarbinnen verdachte heeft witgewassen van belang.

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte van het witwassen tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gedaan. Daarvoor is vooral van belang dat verdachte de uit misdrijf afkomstige geldbedragen niet samen met de aanvragers voorhanden heeft gehad, maar dat de aanvragers en verdachte deze geldbedragen na elkaar voorhanden hebben gehad.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

Feit 1

in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 28 juni 2017 te 's-Gravenhage,

geschriften, te weten:

1. een jaaropgave 2009 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 10] t.a.v. [naam 9] en

2. een jaaropgave 2010 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 31] t.a.v. [naam 30] en

3. een jaaropgave 2011 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 21] t.a.v. [naam 20] en

4. een jaaropgave 2012 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 38] t.a.v. [naam 36] en

5. een overeenkomst kinderopvang m.b.t. [naam 29] gedateerd 23 november 2011 en

6. een jaaropgave 2013 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 41] t.a.v. [naam 39] en

7. een jaaropgave 2013 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 50] t.a.v. de heer [naam 49] en

8. een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2015 van aanvrager [naam 42] en

9. een Beroepspraktijkvormingsovereenkomst ROC [naam ROC] tussen ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] , SBB en [naam 13] en

10. een Beroepspraktijkvormingsovereenkomst ROC [naam ROC] tussen ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] , SBB en [naam 37] en

11. een Beroepspraktijkvormingsovereenkomst ROC [naam ROC] tussen ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] , SBB en [naam 42] en

12. een jaaropgave 2016 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] d.d. 20 februari 2017 m.b.t. [naam 14] t.a.v. [naam 12] ,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte op die geschriften telkens valselijk en in strijd met de waarheid heeft vermeld dat

ad 1. [naam 10] in 2009 gedurende 1.560 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 9.516 euro en

ad 2. [naam 31] in 2010 gedurende 1.800 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 9.150 euro en

ad 3. [naam 21] in 2011 gedurende 2.652 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 15.033,96 euro en

ad 4. [naam 38] in 2012 gedurende 1.100 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 7.106 euro en

ad 5. [naam 29] met ingang van 1 januari 2012 een opvangplaats krijgt bij [naam kinderopvang 1] KC [naam BSO 5] voor 5 dagen in de week en

ad 6. [naam 41] in 2013 gedurende 963 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 6.455,49 euro en

ad 7. [naam 50] in 2013 gedurende 1020 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 6.834 euro en

ad 8. [naam 45] in 2015 dagopvang heeft genoten bij kinderopvang [naam BSO 9] gedurende 1293 uur voor een bedrag van 10.066,08 euro en

ad 9. [naam 13] met ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] en SBB overeen is gekomen om in het kader van de opleiding tot Junior Kapper een beroepspraktijkvorming te volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in de periode van 13 januari 2014 tot en met 19 december 2014 en

ad 10. [naam 37] met ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] en SBB overeen is gekomen om in het kader van de opleiding tot Junior Kapper een beroepspraktijkvorming te volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in de periode van 10 maart 2015 tot en met 18 december 2015 en

ad 11. [naam 42] met ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] en SBB overeen is gekomen om in het kader van de opleiding tot Junior Kapper een beroepspraktijkvorming te volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in de periode van 12 januari 2015 tot en met 18 december 2015 en

ad 12. [naam 14] in 2016 gedurende 663 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 5.297,37 euro,

met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

en

in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 juni 2017, te 's-Gravenhage en Heerlen,

opzettelijk van valse geschriften gebruikt heeft gemaakt en heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad,

immers heeft verdachte

1. een jaaropgave 2009 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 10] t.a.v. [naam 9] en

2. een jaaropgave 2010 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 31] t.a.v. [naam 30] en

3. een jaaropgave 2011 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 21] t.a.v. [naam 20] en

4. een jaaropgave 2012 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 38] t.a.v. [naam 36] en

5. een overeenkomst kinderopvang m.b.t. [naam 29] gedateerd 23 november 2011 en

6. een jaaropgave 2013 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 41] t.a.v. [naam 39] en

7. een jaaropgave 2013 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] m.b.t. [naam 50] t.a.v. de heer [naam 49] en

8. een antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2015 van aanvrager [naam 42] en

9. een Beroepspraktijkvormingsovereenkomst ROC [naam ROC] tussen ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] , SBB en [naam 13] en

10. een Beroepspraktijkvormingsovereenkomst ROC [naam ROC] tussen ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] , SBB en [naam 37] en

11. een Beroepspraktijkvormingsovereenkomst ROC [naam ROC] tussen ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] , SBB en [naam 42] en

12. een jaaropgave 2016 van Stichting Centrale voor Kinderopvang [naam kinderopvang 1] d.d. 20 februari 2017 m.b.t. [naam 14] t.a.v. [naam 12] ,

geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin dat telkens valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat

ad 1. [naam 10] in 2009 gedurende 1.560 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 9.516 euro en

ad 2. [naam 31] in 2010 gedurende 1.800 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 9.150 euro en

ad 3. [naam 21] in 2011 gedurende 2.652 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 15.033,96 euro en

ad 4. [naam 38] in 2012 gedurende 1.100 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 7.106 euro en

ad 5. [naam 29] met ingang van 1 januari 2012 een opvangplaats krijgt bij [naam kinderopvang 1] KC [naam BSO 5] voor 5 dagen in de week en

ad 6. [naam 41] in 2013 gedurende 963 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 6.455,49 euro en

ad 7. [naam 50] in 2013 gedurende 1020 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 6.834 euro en

ad 8. [naam 45] in 2015 dagopvang heeft genoten bij kinderopvang [naam BSO 9] gedurende 1293 uur voor een bedrag van 10.066,08 euro en

ad 9. [naam 13] met ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] en SBB overeen is gekomen om in het kader van de opleiding tot Junior Kapper een beroepspraktijkvorming te volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in de periode van 13 januari 2014 tot en met 19 december 2014 en

ad 10. [naam 37] met ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] en SBB overeen is gekomen om in het kader van de opleiding tot Junior Kapper een beroepspraktijkvorming te volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in de periode van 10 maart 2015 tot en met 18 december 2015 en

ad 11. [naam 42] met ROC [naam ROC] , Kapsalon [naam kapsalon] en SBB overeen is gekomen om in het kader van de opleiding tot Junior Kapper een beroepspraktijkvorming te volgen bij Kapsalon [naam kapsalon] in de periode van 12 januari 2015 tot en met 18 december 2015 en

ad 12. [naam 14] in 2016 gedurende 663 uur opvang heeft genoten voor een bedrag van 5.297,37 euro,

en bestaande dat gebruikmaken en afleveren en voorhanden hebben hieruit dat verdachte die geschriften telkens in ontvangst heeft genomen en in bezit heeft gehad en vervolgens heeft verzonden naar de Belastingdienst Toeslagen te Heerlen,

terwijl verdachte wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware die echt en onvervalst;

Feit 3

in de periode van 29 december 2009 tot en met31 mei 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen of alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van enig goed,

immers heeft verdachte ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - documenten, te weten een valselijk opgemaakte (elektronische) aanvraag/wijziging Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende onder meer dat

- [naam 9] (BSN [nummer 6] ) gedurende 125 uur per maand voor een tarief van 5,93 euro per uur vanaf 1 januari 2009 buitenschoolse opvang geniet bij [naam kinderopvang 1]

en hebben verdachte en zijn mededaders – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - documenten, te weten een valselijk opgemaakte (elektronische) aanvraag/wijziging Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende onder meer dat

- [naam 31] (BSN [nummer 26] ) gedurende 150 uur per maand voor een tarief van 6,10 euro per uur vanaf 1 januari 2010 dagopvang geniet bij [naam kinderopvang 1] en

- [naam 9] (BSN [nummer 6] ) gedurende 130 uur per maand voor een tarief van 6,10 euro per uur vanaf 1 januari 2011 buitenschoolse opvang geniet bij [naam kinderopvang 1] en

- [naam 38] (BSN [nummer 30] ) gedurende 220 uur per maand voor een tarief van 6,46 euro per uur vanaf 1 augustus 2012 dagopvang geniet bij [naam BSO 3] [naam kinderopvang 1] en

- [naam 48] (BSN [nummer 38] ) gedurende 224 uur per maand voor een tarief van 6,72 euro per uur vanaf 1 maart 2013 dagopvang geniet bij [naam kinderopvang 1] " [naam BSO 9] " en

- [naam 14] (BSN [nummer 9] ) gedurende 228 uur per maand voor een tarief van 7,78 euro per uur vanaf 1 januari 2014 dagopvang geniet bij [naam BSO 3] en

- [naam 38] (BSN [nummer 30] ) gedurende 220 uur per maand voor een tarief van 7,78 euro per uur vanaf 1 juli 2015 dagopvang geniet bij [naam BSO 4] en

- [naam 14] (BSN [nummer 9] ) gedurende 89 uur per maand voor een tarief van 7,71 euro per uur vanaf 1 april 2016 buitenschoolse opvang geniet bij [naam BSO 1] en

- [naam 34] (BSN [nummer 28] ) gedurende 226 uur per maand voor een tarief van 7,78 euro per uur vanaf 1 juli 2016 dagopvang geniet bij [naam BSO 8] en

- [naam 15] (BSN [nummer 10] ) gedurende 198 uur per maand voor een tarief van 7,78 euro per uur vanaf 1 augustus 2017 dagopvang geniet bij [naam BSO 4] ,

waardoor verdachte en/of verdachte en zijn mededaders de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen ten bedrage van ongeveer 573.758,- euro, althans enig geldbedrag;

Feit 4

in of omstreeks de periode van 31 december 2009 tot en met 18 november 2019 in Nederland,

geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte de bewezen feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in (de voetnoten bij) paragraaf 5.3.1.

8 Strafbaarheid van de feiten

8.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt dat in het geval de rechtbank valsheid in geschrift en oplichting bewezen vindt, ten aanzien van het witwassen sprake is van de kwalificatie-uitsluitingsgrond, omdat de witgewassen geldbedragen dan afkomstig zijn van een door verdachte zelf gepleegd misdrijf en van verhullingshandelingen geen sprake is.

8.2.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is, omdat sprake is geweest van verhullingshandelingen door het contant opnemen van geldbedragen en daarnaast zijn geldbedragen zonder toelichting overgemaakt naar andere bankrekeningen en gebruikt voor money transfers naar [geboorteland] .

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is. Voor zover de geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit de door verdachte zelf gepleegde oplichtingen, doordat de geldbedragen op zijn bankrekeningen zijn gestort, blijkt uit de bewijsvoering en bewezenverklaring dat de geldbedragen daarna zijn omgezet, overgedragen of gebruikt. In beginsel is dan geen sprake van de kwalificatie-uitsluitingsgrond en bijzondere omstandigheden die maken dat dit omzetten, overdragen of gebruiken niet wezenlijk verschilt van het enkele verwerven of voorhanden zijn niet aannemelijk geworden.

Voor zover de voorwerpen niet onmiddellijk, maar middellijk uit eigen misdrijf afkomstig waren, doordat het giraal ontvangen is omgezet in contant geld, is in elk geval daarom al de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing.

Ook voor het overige zijn de bewezen feiten volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straf

10.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

10.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

10.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van twintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Verdachte heeft zich op grote schaal schuldig gemaakt op KOT-fraude. Verdachte heeft jarenlang voor zijn eigen kinderen ten onrechte KOT ontvangen en daarnaast een groot aantal andere ouders bij zijn frauduleuze handelen betrokken door voor hen ook ten onrechte KOT aan te vragen. Daarbij heeft verdachte zich royaal laten betalen door deze andere ouders. Verdachte heeft richting de andere ouders grof misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. Verdachte heeft met zijn handelen de Belastingdienst voor bijna € 600.000,- opgelicht. Het is dit soort grootschalige fraude met toeslagen die tot de te harde handhavingscultuur bij de Belastingdienst heeft geleid die de opmaat heeft gevormd voor de toeslagenaffaire waardoor vele gezinnen ernstig zijn gedupeerd.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het gebruik maken van door hem valselijk opgemaakte geschriften en witwassen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar het oriëntatiepunt fraude dat de rechtbanken landelijk hebben vastgesteld. Dit oriëntatiepunt noemt bij een benadelingsbedrag van € 500.000,- tot € 1.000.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden.

Op basis van alleen het benadelingsbedrag zou een straf aan de onderkant van de bandbreedte passend zijn. De rechtbank vindt echter dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Van belang zijn de lange duur van de strafbare gedraging, waarbij verdachte telkens opnieuw het besluit heeft genomen op de Belastingdienst weer op te lichten. Ook is van belang dat verdachte op grote schaal geprofiteerd heeft van zijn handelen, terwijl de terugbetalingsverplichting hoofdzakelijk terecht is gekomen bij de ouders van wie verdachte het vertrouwen ernstig heeft beschaamd.

Het oriëntatiepunt fraude gaat uit van een verdachte zonder relevant strafblad. Dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, is dus geen reden om een lagere straf op te leggen. De rechtbank stelt wel vast dat verdachte sinds het begin van de bewezen verklaarde strafbare feiten wel voor andersoortige en relatief geringe feiten is veroordeeld. Dit betekent dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is en dat de rechtbank deze andere veroordelingen bij de strafoplegging moet betrekking. Omdat het gewicht van deze veroordelingen beperkt is, leidt dit er niet toe dat de rechtbank een andere straf zal opleggen dan dat de rechtbank zou hebben gedaan als artikel 63 Sr niet van toepassing was geweest.

Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf hebben opgelegd van 22 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank neemt als beginpunt van de redelijke termijn de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld (18 november 2019). De rechtbank ziet geen aanleiding voor een langere redelijke termijn dan de standaardtermijn van twee jaar. Dit betekent dat vanaf 18 november 2021 de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank doet op 25 augustus 2022 uitspraak, wat betekent dat sprake is van een overschrijding van ruim negen maanden. De rechtbank zal deze overschrijding compenseren door (het onvoorwaardelijk deel van) de op te leggen gevangenisstraf met twee maanden te matigen.

11 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: een auto, sieraden en contante geldbedragen. Op deze voorwerpen ligt zowel klassiek beslag op grond van artikel 94 Sr als conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sr. De rechtbank kan bij vonnis geen beslissingen nemen met betrekking tot de conservatoire beslagtitel.

De officier van justitie heeft verzocht om de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd te verklaren.

De raadsvrouw heeft verzocht om de inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte terug te geven, en in elk geval de buitenlandse valuta en de sieraden die afkomstig zijn uit de erfenis van de moeder van verdachte, omdat de erfenis ten tijde van de beslaglegging nog niet verdeeld was.

De rechtbank kan op basis van het dossier geen relatie leggen tussen de inbeslaggenomen voorwerpen en de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal om die reden de inbeslaggenomen voorwerpen niet verbeurd verklaren. In plaats daarvan zal de rechtbank beslissen dat de voorwerpen die onderdeel uitmaken van de erfenis van de moeder van verdachte bewaard moeten worden ten behoeve van de rechthebbende(n) en dat overige voorwerpen aan verdachte als beslagene teruggegeven moeten worden.

De rechtbank merkt daarbij op dat zolang het conservatoir beslag gehandhaafd blijft, dit aan feitelijke teruggave in de weg staat.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 56, 57, 63, 225, 326 en 420ter (oud en nieuw) Sr.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde 1, 3 en 4 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

de voortgezette handeling van

- valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

- opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

- opzettelijk een vals geschrift afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is om te gebruiken als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

Feit 3

- medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

en

- oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 4

- van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Personenauto 45-JPZ-5

14 1.00 STK Armband Kleur: goud

16 1.00 STK Armband Kleur: goud

22 1.00 STK Hanger Kleur: goud

23 1.00 STK Halsketting Kleur: goud

25 1.00 STK Halsketting Kleur: goud

27 Geld Euro (4 x 10, 3 x 20 en 28 x 50 euro)

28 Geld Euro (11x5, 24x10, 33x20 en 8x50 euro)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

2 1.00 STK Halsketting Kleur: goud

3 1.00 STK Armband Kleur: goud

10 1.00 STK Halsketting Kleur: goud

12 1.00 STK Armband Kleur: goud

21 1.00 STK Armband Kleur: goud

24 1.00 STK Armband Kleur: goud

26 1.00 STK Armband Kleur: goud

35 Geld Indiase roepies 73.470 (waarde: 640 euro)

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.M. Visser, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en F.T.M. Deurvorst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2022.

[…]

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Bewijsmiddelen uit de zaaksdossiers (A01 tot en met A19) zijn kopieën en daarmee geschriften. De met ‘DOC’ aangeduide bewijsmiddelen zijn ook geschriften. A01-DOC-016. A01-DOC-017. A01-DOC-024. A01-DOC-026. A01-DOC-040. A01-DOC-054. A01-DOC-067. A01-DOC-068. A01-DOC-070. A01-DOC-084. A01-DOC-129. V01-AMB-018, p. 2 en A01-DOC-129. G-01-01-, p. 2. A01-AMB-005. A01-AMB-001, p. 13. A01-V01, p. 6-8. A02-DOC-001. A02-DOC-002. A02-DOC-008. A02-DOC-009. A02-DOC-010. A02-DOC-021. A02-DOC-024. A02-DOC-037. A02-DOC-053. A02-DOC-054, p. 1 A02-DOC-056. A02-AMB-001, p. 8. V01-AMB-018, p. 2. G-001-01 en A02-AMB-003. A02-DOC-004, p. 1. A02-DOC-004, p. 4. A02-V01, p. 2-6, 8-9 en 14. A03-DOC-004 en A03-DOC-005. A03-DOC-014. A12-DOC-002. A12-DOC-003. A12-DOC-012. A12-DOC-014. A12-DOC-026. A12-DOC-029. A12-DOC-031. A03-DOC-026 en A03-DOC-027. A03-DOC-041. A12-DOC-074. A12-AMB-004. A12-DOC-069/-070/-071. A03-DOC-048. A03-AMB-003. A12-AMB-003. A12-DOC-039, p. 1 A12-DOC-039, p. 3-7. A12-G-002-01, p. 2-3 A12-DOC-052, p. 1. A12-DOC-052, p. 3. A03-AMB-002, p. 3-4 en V01-AMB-012, p. 2-4. A03-V01, p. 3-5 en 12. A12-V01, p. 3-4, 6-8 en 14. A04-DOC-004 en A04-DOC-005. A04-DOC-018 en A04-DOC-033. A04-DOC-055. A04-AMB-004. A04-V01, p. 2-4 en 13. A05-DOC-050. A05-DOC-051. A05-DOC-007. A05-DOC-008. A05-DOC-015. A05-DOC-017. A05-DOC-026. A05-DOC-028. A05-DOC-030. A05-DOC-049, p. 1. A05-DOC-049, p. 3-4. A05-DOC-048. A05-AMB-005. A05-AMB-004. A05-AMB-002, p. 3-4, A05-DOC-056, p. 1 en V01-AMB-018, p. 2. A05-V01, p. 2-6 en 13. A06-DOC-002 en A06-AMB-001, p. 1. A06-DOC-018 en A06-AMB-001, p. 1-2. A06-DOC-045. A06-AMB-006. A06-AMB-003. A06-VO1, p. 3, 7 en 9. A07-DOC-001 en A07-AMB-001, p. 1. A07-AMB-001, p. 1. A07-DOC-018. A07-DOC-011. A07-DOC-012, p. 1-2. A07-DOC-012, p. 7. A07-DOC-057. A07-AMB-005. A07-AMB-003. A07-AMB-002, p. 3-4 en V01-AMB-012, p. 3. A07-V01, p. 3-5 en 8. A07-V02, p. 11. A09-DOC-002. A09-DOC-003. A09-DOC-004, p. 2. A09-DOC-014. A09-DOC-015. A09-DOC-017. A09-DOC-019. A09-DOC-025, p. 3. A09-DOC-026. A09-DOC-033 en A09-DOC-043. A09-DOC-046. A09-DOC-047. A09-DOC-062. A09-DOC-071. A09-DOC-092. A09-DOC-007, p. 1. A09-DOC-007, p. 3. A09-AMB-005. A09-AMB-003. A09-AMB-002, p. 2. A09-V01, p. 3/4/5/8/11/15/16. A10-DOC-023 en A10-DOC-024. A10-DOC-038 en A10-DOC-051. A10-DOC-062 en A10-DOC-068. G-001-01, p. 2. A10-AMB-003. A10-V01, p. 5-6. A11-DOC-001 en A11-DOC-006. A11-DOC-012, A11-DOC-021 en A11-DOC-035. A11-DOC-037. A11-DOC-039. A11-DOC-040. A11-DOC-047. A11-DOC-009, p. 1. A11-DOC-009, p. 3. A11-DOC-061, p. 1. A11-DOC-061, p. 2-7. A11-G-002-01, p. 1-2. A11-DOC-084. A11-AMB-002, p. 3 en OPV, p. 41. A11-AMB-005. A11-AMB-003. A11-V01, p. 3-6, 10-11 en 19. A13-DOC-001 en A13-DOC-004. A13-DOC-016. A13-DOC-019. A13-DOC-020. A13-DOC-007, p. 1. A13-DOC-007, p. 3. A13-DOC-038. A13-AMB-004. A13-V01, p. 3-7 en 14. A14-DOC-001 en A14-DOC-002. A14-DOC-013. A14-DOC-027. A14-DOC-028. A14-DOC-047. A14-DOC-049. A14-DOC-053. A14-DOC-054. A14-DOC-035, p. 1-2. A14-DOC-040, p. 1. A11-DOC-040, p. 3-7. A14-G-002-01, p. 2. A14-AMB-005. A14-DOC-074. A14-AMB-002, p. 4. A14-AMB-003. A14-V01, p. 2-3, 5-7 en 16. A14-V02, p. 4. A14-OPV-001, p. 4. A15-DOC-001 en A15-DOC-002. A15-DOC-007. A15-DOC-010. A15-DOC-011. A15-DOC-018. A15-DOC-064. A15-AMB-002. A13-AMB-002, p. 3 en A13-V01, p. 10. A13-V01, p. 10. A15-AMB-005. A15-AMB-003. A15-V01, p. 4-6, 14 en 22. A16-DOC-002 en A16-DOC-003. A16-DOC-011, p. 1. A16-DOC-011, p. 2. A16-DOC-020. A16-AMB-004. A16-V01, p. 3-6. A17-DOC-001, p. 4-6 en A17-DOC-002. A17-DOC-012. A17-DOC-024 en A17-DOC-025. A17-DOC-036. A17-DOC-062 A17-AMB-004. G-001-01, p. 3. V01-DOC-004 en V01-AMB-007, p. 1 en 15. A17-V01, p. 3 A18-AMB-001, p. 2. A18-DOC-001, A18-DOC-002, A18-DOC-003, A18-DOC-004 en A18-DOC-005. A18-AMB-003, p. 1. A18-AMB-003, p. 1, A18-DOC-011 en V01-AMB-018, p. 2. A18-G001-01, p. 2 en 3. A18-AMB-002. A18-V001-01, p. 3. A18-V002-01, p. 3 V01-BOB-001-02. V01-DOC-002. IBN-002-05. V01-AMB-009, p. 2 en V01-DOC-043, V01-DOC-044, V01-DOC-045, V01-DOC-046 en V01-DOC-047 en A12-DOC-039. V01-AMB-007, p. 3 en V01-DOC-084 en V01-DOC-085 en V01-DOC-043. V01-AMB-007, p. 4. V01-AMB-007, p. 2 en V01-DOC-078. A05-DOC-049, p. 3, A07-DOC-012, p. 3, A11-DOC-009, p. 3, A12-DOC-052, p. 3, A13-DOC-007, p. 3 en A16-DOC-022, p. 2. A14-DOC-035, p. 3. V01-AMB-006, p. 2. A01-AMB-006, p. 2. A01-AMB-010, p. 2 en A01-AMB-002, p. 2. V01-AMB-013, p. 2. A01-AMB-012, p. 2. V01-V001, p. 4. V01-AMB-003. In de berekening van het totaalbedrag van € 620.491,- is voor bij [naam 32] rekening gehouden met een benadelingsbedrag van € 16.031,-. Uit A19-DOC-019 volgt dat over 2010-2013 in totaal € 16.032,- aan [naam 32] is uitgekeerd.