Strafrecht overig
Schikking getroffen, zaak geëindigd.
Rechtbank Amsterdam, 9 februari 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:795 · Rechtbank Amsterdam · 9 februari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2022-795
Zaakgegevens
Op 9 februari 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 februari 2022
- Datum publicatie
- 24 februari 2022
- Zaaknummer
- 13/845065-16 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:795
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Schikking getroffen, zaak geëindigd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/845065-16 (ontneming)
Datum uitspraak: 9 februari 2022
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/845065-16, tegen:
[veroordeelde (naam bedrijf BV)] ,
gevestigd op het adres [adres],
hierna: veroordeelde.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2022.
De rechtbank heeft op 9 februari 2022 de officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. J.S. Spijkerman, advocaat te ’s-Gravenhage, gehoord.
2 De vordering
De vordering van de officier van justitie van 8 januari 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 40.996.520, -.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3 Schikking tussen openbaar ministerie en veroordeelde; zaak geëindigd
De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie met veroordeelde een schikking heeft getroffen, zoals bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet op die schikking stelt de rechtbank, in overeenstemming met de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde, gelet op het bepaalde in artikel 6:4:18 Sv vast dat de zaak van rechtswege is geëindigd. Volgens dit artikel is door voldoening van de termen van de schikking de zaak van rechtswege geëindigd. Hoewel de schikking onder meer inhoudt dat veroordeelde tot in 2028 is gehouden jaarlijks een geldbedrag te betalen, gaat de rechtbank er vanuit dat nu al aan de termen van de schikking is voldaan. Er zijn namelijk bankgaranties voor alle betalingen verstrekt. Hiermee is materieel gezien voldaan aan de termen van de schikking.
4 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H. Marcus, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C.P. Bleeker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2022.