Strafrecht overig

Een 37-jarige man heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, door de slachtoffers…

Rechtbank Amsterdam, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
13-183955-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10800
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Een 37-jarige man heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, door de slachtoffers op of richting hun hoofd te slaan (feit 1, primair). Vrijspraak openlijke geweldpleging (feit 2). Het beroep op overmacht of (putatief) noodweer(exces) wordt verworpen. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van het voorarrest. Artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering is van toepassing. Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-183955-24

Datum uitspraak: 3 november 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,

met als opgegeven postadres:

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 mei 2026 en 20 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.R. Kramer, naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de (anonieme) benadeelde partijen 0524788 en 0524789 en van wat door de benadeelde partij 0524789 en namens beide benadeelde partijen door hun advocaat, mr. H.J. Oosterhagen, naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 6 mei 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1:

(het medeplegen van) poging tot zware mishandeling van slachtoffer 0524789 en/of slachtoffer 0524788, door met (een) houten plank(en) op of tegen hun hoofd te slaan. Subsidiair is dit tenlastegelegd als (het medeplegen van) mishandeling;

Feit 2:

openlijke geweldpleging tegen meerdere personen, waaronder slachtoffer 0524789 en/of slachtoffer 0524788, door met (een) houten plank(en) op of tegen hun hoofd en/of lichaam te slaan, terwijl zij door dit geweld enig lichamelijk letsel hebben opgelopen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier gerekwireerd tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling (feit 1, primair). Door op de slachtoffers 0524788 en 0524789 af te lopen en met een stuk hout op hun hoofd – een kwetsbaar deel van het lichaam – te slaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij hier zwaar lichamelijk letsel door zouden oplopen. De officier van justitie acht de ten laste gelegde openlijke geweldpleging (feit 2) eveneens bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst partiële vrijspraak bepleit van het onder feit 1, primair en subsidiair en feit 2 tenlastegelegde voor zover deze feiten betrekking hebben op slachtoffer 0524789. Er is volgens de raadsvrouw onvoldoende bewijs dat verdachte dit slachtoffer op zijn hoofd heeft geslagen. Op “filmpje 3”, dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier, is namelijk te zien dat het slachtoffer niet op zijn hoofd, maar op zijn handen wordt geraakt. Daarnaast kan het causale verband tussen het bij voornoemd slachtoffer geconstateerde letsel en het tenlastegelegde niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw (subsidiair) bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat geen sprake was van vol of voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij beide slachtoffers. Ten slotte heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel dat betrekking heeft op de als gevolg van de openlijke geweldpleging bij slachtoffer 0524788 ontstane breuk in de schedel, aangezien niet is gebleken dat daarvan sprake is.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging niet bewezen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte samen met iemand anders geweld heeft gepleegd (in de zin van artikel 141 Wetboek van Strafrecht) jegens de slachtoffers en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, primair, ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van slachtoffers 0524788 en 0524789. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

3.3.2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen in bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 6 mei 2024 vond er een pro-Palestina demonstratie plaats op de Roeterseilandcampus, een vestiging van de Universiteit van Amsterdam. Toen in de loop van de avond een groep met buitenstaanders het door de demonstranten opgezette en met barricades afgezette “Gaza Solidariteitskamp” binnendrongen, sloeg de sfeer echter om. Een deel van de groep – onder wie zich onder meer personen met gezichtsbedekkende kleding bevonden – gedroeg zich gewelddadig jegens de demonstranten. Zij braken door de opgezette barricades, duwden mensen en gooiden en sloegen met fakkels naar de demonstranten. Toen deze groep zich weer buiten de barricades begaf, escaleerde de situatie verder. Verdachte liep op slachtoffer 0524789 af en maakte een slaande beweging met een plank richting zijn hoofd, waardoor een stuk van de plank afbrak. Kort daarop liep verdachte ook op slachtoffer 0524788 af en sloeg hem met diezelfde plank op zijn achterhoofd, waardoor nog een stuk van de plank afbrak.

Slachtoffer 0524788 heeft als gevolg hiervan twee bloedende scheurwonden aan zijn hoofd opgelopen, die in het ziekenhuis met vijf hechtingen zijn dichtgemaakt. Bij slachtoffer 0524789 zijn na het incident twee huidbeschadigingen aan zijn hoofd vastgesteld.

3.3.3

Bewezenverklaring feit 1 – poging tot zware mishandeling

Aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de beschikbare camerabeelden, stelt de rechtbank vast dat verdachte doelbewust op beide slachtoffers is afgelopen en hen met een houten plank krachtig op hun hoofd heeft geslagen. Dat verdachte steeds met kracht heeft geslagen, leidt de rechtbank af uit het bij de slachtoffers geconstateerde letsel en de omstandigheid dat de plank in beide gevallen brak op het moment dat hij ermee in de richting van of op het hoofd van de slachtoffers sloeg.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm bij beide slachtoffers gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dit geldt temeer omdat het een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is en dat door met een voorwerp op het hoofd te slaan ernstig letsel kan ontstaan. Dat het letsel van de slachtoffers uiteindelijk relatief gering is en daarmee niet valt te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, maakt dat sprake is van een poging.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte slachtoffer 0524789 op zijn hoofd heeft geslagen. Op de beelden is niet goed te zien dat dit slachtoffer op zijn hoofd is geslagen, maar het kan, aan de hand van diezelfde beelden, niet uitgesloten worden dat de plank eerst het hoofd van het slachtoffer 0524789 heeft geschampt voordat zijn handen worden geraakt, mede gelet op het geconstateerde letsel aan zijn hoofd. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling alsnog kan worden bewezen. Duidelijk is namelijk dat verdachte richting het hoofd van slachtoffer 0524789 slaat. De rechtbank leidt uit het handelen van verdachte af dat hij vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij beide slachtoffers en acht het primair tenlastegelegde dan ook bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte bij de door hem gepleegde geweldshandelingen nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander en spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde medeplegen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 1, primair:

op 6 mei 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan slachtoffer 0524789 en slachtoffer 0524788 opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door éénmaal met een houten plank op/tegen het hoofd van genoemde slachtoffers te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich bij een bewezenverklaring op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging dan wel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, omdat verdachte een geslaagd beroep op overmacht toekomt. Verdachte stond namelijk voor de noodzaak te kiezen uit onderlinge strijdige plichten en belangen – namelijk het voorkomen van letsel bij de mededemonstranten door hen te beschermen, en hun demonstratierecht te beschermen, en het voorkomen van letsel bij het vijandige publiek, door hen weg te jagen – en heeft de zwaarstwegende laten prevaleren.

De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging dan wel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten omdat verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Er was volgens de raadsvrouw sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding - door een groep - van eigen of andermans lijf, waartegen verdachte zich moest verdedigen. De noodweersituatie ontstond doordat een man uit de groep, die eerder het demonstrantenkamp binnendrong, vuurwerk richting de mededemonstranten gooide en de rest van de groep – waarvan beide slachtoffers onderdeel uitmaakten – zich dreigend bleef uitten. Verdediging hiertegen was noodzakelijk, omdat er geen reëel alternatief was om zich aan de situatie te onttrekken. Het slaan met een houten lat ter verdediging was proportioneel. Als de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van een buitenproportionele verdediging, dan komt verdachte volgens de raadsvrouw een geslaagd beroep op noodweerexces toe. Het is aannemelijk dat verdachte handelde uit een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding is veroorzaakt.

De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald en hem daarom een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt.

Tot slot heeft de raadsvrouw (in het kader van de straftoemeting) nog bepleit dat sprake is van een schending van artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Door het strafrechtelijk ingrijpen is het demonstratierecht namelijk beperkt. Verdachte mocht zich in dit geval verdedigen tegen de aanval van de vijandige groep, nu de Staat heeft nagelaten om verdachte en zijn mededemonstranten te beschermen.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodtoestand toekomt, omdat er geen sprake is geweest van een noodsituatie. Ook het gedane beroep op (putatief) noodweer(exces) slaagt volgens de officier van justitie niet nu zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat op het moment dat beide slachtoffers – die overigens geen geweld hebben gepleegd en geen onderdeel uitmaakten van de onrust stokende groep – een terugtrekkende beweging maakten, het verdachte is geweest die de confrontatie opzocht.

Ten aanzien van het door de raadsvrouw gedane beroep op schending van artikel 11 van het EVRM heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zij het geweld van verdachte niet in de context van het demonstratierecht kan plaatsen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat aan verdachte geen geslaagd beroep op overmacht of een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Wat het beroep op overmacht betreft is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van een noodtoestand, bestaande uit een (onhoudbaar) belangenconflict, op het moment dat verdachte het geweld pleegde. Gelet hierop verwerpt de rechtbank ook het beroep op overmacht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het beroep op noodweer niet slaagt. Op het moment dat de groep met buitenstanders – waar beide slachtoffers volgens verdachte onderdeel van uitmaakten – het door de demonstranten opgezette kamp binnendrongen, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een noodweersituatie. Er was namelijk sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door deze groep, waartegen de demonstranten, waaronder verdachte, zich mochten verdedigen. Dit hebben zij ook gedaan door de vijandige groep buiten de door de demonstranten opgerichte barricades te drijven. De rechtbank is van oordeel dat de noodweersituatie na dit naar buiten drijven is geëindigd.

Als voornoemde noodweersituatie is geëindigd en de groep zich al buiten de barricades bevindt, kiest verdachte ervoor om zich ook buiten de barricades te begeven en aldaar (richting) beide slachtoffers te gaan en hen vervolgens te slaan. De slachtoffers maken op dat moment een terugtrekkende beweging en plegen geen geweld. Gelet hierop is op dat moment geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de groep buitenstaanders. In plaats daarvan maakt verdachte op dat moment zelf een aanvallende beweging. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Nu van een noodweersituatie geen sprake meer was, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen. Ook volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte niet dat hij – zoals gesteld – uit paniek heeft gehandeld. Zelfs als wel sprake zou zijn geweest van een nog voortdurende aanranding, blijkt niet van een hevige gemoedsbeweging als rechtstreeks gevolg daarvan. Het beroep op noodweerexces kan ook om die reden niet slagen.

Ook het beroep op putatief noodweer(exces) slaagt niet. Voor zover verdachte meent zich te hebben ingebeeld dat hij zich nog steeds tegen een dreigende aanranding mocht verdedigen, acht de rechtbank die onjuiste veronderstelling in dit geval niet aannemelijk. Verdachte kon nadat de groep zich buiten de barricades begaf redelijkerwijs niet meer aannemen dat sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat verdachte moet worden beschermd door het demonstratierecht. Weliswaar maakte verdachte deel uit van een vreedzame demonstratie en heeft de Staat het geweld van een groep buitenstaanders niet kunnen voorkomen, maar dat maakt niet dat het latere handelen van verdachte onder de bescherming van artikel 11 EVRM valt. Hiervoor is geoordeeld dat de noodweersituatie al was geëindigd toen de slachtoffers een terugtrekkende beweging maakten en dat verdachte daarna niet uit zelfverdediging, maar aanvallend, heeft gehandeld. Het toegepaste geweld kan daarom niet worden gerechtvaardigd met een beroep op het demonstratierecht en wordt daar evenmin door beschermd.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden. Ook is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook voor het bewezenverklaarde feit strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Hoewel de officier van justitie een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend vindt, heeft zij gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van het voorarrest – dat door de officier van justitie is berekend op 36 dagen – waarvan 64 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, op te leggen. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van eendaadse samenloop van beide feiten en heeft zij meegewogen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is. Voorts heeft de officier van justitie, hoewel de redelijke termijn formeel niet is overschreden, rekening gehouden met het tijdsverloop, aangezien de feiten uit 2024 stammen. Ten slotte heeft de officier van justitie de inhoud van het adviesrapport van de reclassering van 28 september 2026 in strafverminderende zin meegewogen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, in geval van een bewezenverklaring, verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering gesignaleerde opgaande lijn zal doorkruisen en mogelijk gevolgen kan hebben voor de verblijfsstatus van verdachte. In plaats daarvan heeft de raadsvrouw bepleit om – conform de LOVS-oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging met enig letsel en mishandeling met een slagwapen met enig lichamelijk letsel ten gevolgen hebbend – een taakstraf aan verdachte op te leggen. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Nadat een vreedzame pro-Palestina demonstratie met geweld werd verstoord door een groep tegendemonstranten, is verdachte, buiten de door de pro-Palestina demonstranten opgezette barricades, de slachtoffers kort na elkaar met een houten plank te lijf gegaan. Daarmee heeft verdachte zich in een zeer kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling. Als gevolg van het door verdachte gepleegde geweld hebben beide slachtoffers letsel aan hun hoofd opgelopen. Zo heeft slachtoffer 0524788 twee bloedende scheurwonden aan zijn hoofd opgelopen, die in het ziekenhuis moesten worden gehecht. Slachtoffer 0524789 heeft twee huidbeschadigingen opgelopen en vermoedelijk een lichte hersenschudding. Uit de door de slachtoffers ingediende vorderingen tot schadevergoeding en het ter terechtzitting door of namens hen uitgeoefende spreekrecht blijkt dat het geweld tot de dag van vandaag een grote invloed heeft op hun leven. Zo ervaren beide slachtoffers sindsdien lichamelijke klachten, zoals spanningshoofdpijn, vermoeidheid en onrust, en psychische klachten, zoals gevoelens van angst, stress en gevoelens van onveiligheid. Daarnaast hebben beide slachtoffers een periode hun werk niet of slechts gedeeltelijk kunnen uitvoeren. Beiden zijn bovendien terughoudender geworden in het openlijk uiten van hun Joodse identiteit. Verdachte heeft met zijn handelen zowel inbreuk gemaakt op de lichamelijke als op de persoonlijke integriteit en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Dat geen ernstiger letsel is veroorzaakt, is niet aan het handelen van verdachte toe te schrijven. Naast de gevolgen die dit handelen heeft gehad voor de slachtoffers, draagt dergelijk geweld bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Te meer nu dit geweld heeft plaatsgevonden op een openbare plek rondom een (eerder) vreedzame demonstratie.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2026 onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uren wegens openlijke geweldpleging. In 2025 is verdachte eveneens voor twee geweldsfeiten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld, maar deze veroordeling is nog niet onherroepelijk.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het adviesrapport van de reclassering van 28 september 2026. Daarin constateert de reclassering dat sprake lijkt te zijn van een opgaande lijn, aangezien verdachte inmiddels beschikt over een woonplek en (trauma)behandeling ontvangt. De reclassering adviseert dan ook om – bij een veroordeling – een straf zonder bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, omdat de reclassering de houding van verdachte in combinatie met de bestaande begeleiding voldoende acht om het recidiverisico te beperken en interventies of toezicht dus niet nodig zijn.

Redelijke termijn

De inverzekeringstelling van verdachte heeft plaatsgevonden op 4 juni 2024. De rechtbank hanteert dit als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen. Het vonnis in deze zaak wordt gewezen op 3 november 2026. Dit is meer dan twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aan de orde (geweest) die aanleiding geven om van het voor de redelijke termijn geldende uitgangspunt af te wijken. Dat de zitting van 13 mei 2026 op verzoek van verdachte is aangehouden, was naar aanleiding van het door de officier van justitie zeer kort voor die zitting ingediende adviesrapport van de reclassering. De redelijke termijn is dan ook met ongeveer vijf maanden overschreden. Gezien deze geringe overschrijding volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

De straf

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden. Mede omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, is er aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende en gelet op de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

7 Vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

De slachtoffers 0524788 en 0524789 hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd.

De vordering van benadeelde partij 0524788

De benadeelde partij 0524788 vordert in totaal betaling van een bedrag van € 10.385,00 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 385,00 uit de vergoeding van materiële schade, te weten de kosten wegens het eigen risico voor 2024, dat is verbruikt aan het ambulancevervoer dat op 6 mei 2024 heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de benadeelde partij betaling van een bedrag van € 10.000,00 gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de fysieke en psychische schade die hij heeft opgelopen als gevolg van het gepleegde geweld. Ook heeft de benadeelde partij gevorderd om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting heeft mr. Oosterhagen aangevoerd dat de benadeelde partij – hoewel dit wel in de vordering staat vermeld – geen schedelbreuk heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Voorts heeft mr. Oosterhagen verzocht om bij de begroting van de immateriële schade, naast de psychische en lichamelijke klachten van de benadeelde partij, ook het antisemitisch karakter van het geweld te betrekken.

De vordering van de benadeelde partij 0524789

De benadeelde partij 0524789 vordert in totaal betaling van een bedrag van € 11.224,00 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 1.224,00 uit vergoeding van materiële schade, te weten de kosten wegens het verbruikt eigen risico voor 2024 en 2026 (in totaal: € 770,00) en de kosten voor geannuleerde vliegtickets (€ 454,00). Daarnaast heeft de benadeelde partij betaling van een bedrag van € 10.000,00 gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de fysieke en psychische schade die hij heeft opgelopen als gevolg van het gepleegde geweld. Ook heeft de benadeelde partij gevorderd om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook in het geval van benadeelde partij 0524789 heeft mr. Oosterhagen verzocht om bij de begroting van de immateriële schade, naast de psychische en lichamelijke klachten van de benadeelde partij, ook het antisemitisch karakter van het geweld te betrekken.

7.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zowel de vordering van de benadeelde partij 0524788, als de vordering van benadeelde partij 0524789 volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat de gestelde schade voldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding op het standpunt gesteld dat de rechtbank – gelet op de hoogte van de gevorderde schade – eventueel gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid. De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting verzet tegen het verzoek van de advocaat van de benadeelde partijen om het vermeende antisemitisch karakter van het geweld te betrekken bij de begroting van de immateriële schade, aangezien dit geen onderdeel uitmaakt van de tenlastelegging.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om zowel benadeelde partij 0524788, als benadeelde partij 0524789, niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, wegens de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, aangezien de behandeling van de vorderingen een onredelijke belasting van het strafgeding zou opleveren. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er aanleiding bestaat om een billijkheidscorrectie toe te passen of de vorderingen te matigen vanwege eigen schuld, wat de behandeling van de vorderingen compliceert.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de benadeelde partijen wel ontvankelijk zijn in hun vorderingen heeft de raadsvrouw, meer subsidiair, het volgende verzocht.

Ten aanzien van benadeelde partij 0524788 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade moet worden afgewezen, omdat deze niet is onderbouwd. De gevorderde immateriële schade dient naar maatstaven van billijkheid te worden gematigd, omdat sprake is van eigen schuld en de benadeelde partij gering letsel heeft opgelopen. Daarbij heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de in de vordering geschetste onjuiste voorstelling van zaken wat betreft de schedelbreuk.

Ten aanzien van benadeelde partij 0524789 heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de kosten voor de geannuleerde vliegtickets moeten worden afgewezen, omdat niet is onderbouwd waarom de benadeelde partij een maand na het incident niet zou kunnen vliegen. De kosten wegens het verbruikt eigen risico voor 2024 en 2026 moeten eveneens worden afgewezen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de bijbehorende stukken niet tijdig zijn ingediend, onvoldoende onderbouwing bieden en geen blijk geven van het vereiste causale verband tussen het verbruikte eigen risico en het feit. De raadsvrouw heeft ten slotte gevorderd om de gevorderde immateriële schade naar maatstaven van billijkheid te matigen, omdat sprake is van eigen schuld en de benadeelde partij gering letsel heeft opgelopen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van benadeelde partij 0524788

De rechtbank acht de gevorderde materiële schade, te weten de kosten wegens het verbruikte eigen risico voor 2024 (€ 385,00) voldoende onderbouwd. Als gevolg van de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling moest de benadeelde partij 0524788 met de ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd. De kosten van het eigen risico staan dan ook in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit, waardoor de rechtbank het gevorderde bedrag volledig zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 6 mei 2024.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat benadeelde partij 0524788 als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, als deze partij ten gevolge van een strafbaar feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, de ter terechtzitting gegeven toelichting op de vordering, het, namens hem, ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht en de letselrapportage in het procesdossier blijkt dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit twee bloedende scheurwonden – met een gezamenlijke lengte van circa zes centimeter – aan zijn hoofd heeft opgelopen die met vijf hechtingen moesten worden gehecht. Daarnaast kampt de benadeelde partij onder meer met spanningshoofdpijn, vermoeidheid en overprikkeling. Gelet op het bij de benadeelde partij aanwezige lichamelijke letsel is de rechtbank van oordeel dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

De rechtbank is, anders dan de advocaat, echter van oordeel dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding wegens geestelijk letsel, aangezien dit niet is onderbouwd met stukken. Bovendien overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een situatie waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden verondersteld en een aanspraak op smartengeld is gerechtvaardigd. Anders dan door de benadeelde partij is verzocht zal de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade geen rekening houden met het vermeende antisemitisch karakter van het geweld, aangezien dit niet aan verdachte is tenlastegelegd.

Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij hoofdstuk 13 van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt voor licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden een vergoeding van maximaal € 1.100,- genoemd. Niet is gebleken dat sprake is van een langere herstelperiode. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,-. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 6 mei 2024. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk. Aanhouding van de procedure ten einde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn psychische schade verder te onderbouwen, levert namelijk een onevenredige belasting op van het strafproces.

De vordering van de benadeelde partij 0524789

De rechtbank acht de gevorderde materiële schade – zowel de kosten wegens het verbruikt eigen risico voor 2024 en 2026 (€ 770,00) en de kosten voor geannuleerde vliegtickets (€ 454,00) – onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de kosten voor de geannuleerde vliegtickets in rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde feit en de gevolgen die de benadeelde partij daarvan heeft ondervonden. Ook ten aanzien van de kosten wegens het verbruikte eigen risico voor 2024 en 2026 overweegt dat de rechtbank dat op basis van de door de benadeelde partij aangeleverde stukken niet kan worden vastgesteld dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit psychisch letsel heeft opgelopen waarvoor hij in behandeling was en in 2024 en 2026 aanspraak heeft moeten maken op zijn eigen risico. De raadsvrouw heeft de gevorderde materiële schade ter terechtzitting gemotiveerd betwist. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.

Vast is komen te staan dat benadeelde partij 0524789 als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, aangezien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Uit de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, de ter terechtzitting gegeven toelichting op de vordering, het door hem ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht en de letselrapportage in het procesdossier blijkt dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit twee huidbeschadigingen aan zijn hoofd heeft opgelopen en dat zijn huisarts – naar eigen zeggen – een lichte hersenschudding vermoedde. Daarnaast kampt(e) de benadeelde partij onder meer met hoofdpijn, vermoeidheid en concentratieproblemen.

De rechtbank is, anders dan de advocaat, echter van oordeel dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding wegens geestelijk letsel, aangezien dit onvoldoende is onderbouwd met stukken. Bovendien overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een situatie waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden verondersteld en een aanspraak op smartengeld is gerechtvaardigd. Anders dan door de benadeelde partij is verzocht zal de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade geen rekening houden met het vermeende antisemitisch karakter van het geweld, aangezien dit niet aan verdachte is ten laste gelegd.

Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij hoofdstuk 13 van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt voor licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden een vergoeding van maximaal € 1.100,00 genoemd. Niet is gebleken dat sprake is van een langere herstelperiode. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 750,00. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 6 mei 2024. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk. Aanhouding van de procedure ten einde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn psychische schade verder te onderbouwen, levert namelijk een onevenredige belasting op van het strafproces.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partijen 0524788 en 0524789 wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelden de opgelopen schade niet zelf hoeven te innen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van respectievelijk maximaal 13 en 7 dagen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 (oud) en 302 Sr.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, primair, tenlastegelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, primair:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij 0524788

Wijst de vordering van de benadeelde partij, 0524788, toe tot een bedrag van € 1.385,00 (duizend driehonderdvijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 6 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag aan de benadeelde partij 0524788.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij 0524788 aan de staat € 1.385,00 (duizend driehonderdvijfentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 6 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij 0524789

Wijst de vordering van de benadeelde partij, 0524789, toe tot een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 6 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag aan de benadeelde partij 0524789.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij 0524789 aan de staat van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 6 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.A.L. Wiersinga, voorzitter,

mrs. M.C. Danel en G. Oldekamp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2026.